Chapter, Verse
1 1, 14| koning, en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen
2 1, 16| heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.~
3 1, 17| te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee
4 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het heiligdom lagen
5 1, 38| heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger
6 1, 40| inwoners van Jeruzalem vloden om hunnentwil;~
7 2, 7 | ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van
8 2, 7 | overlast der heilige stad, en om daar te zitten, daar ze
9 2, 23| zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te
10 2, 30| 30 Om zich daar neder te zetten,
11 2, 34| woord des konings niet doen, om te ontheiligen de dag des
12 2, 38| zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat,
13 2, 44| vloden naar de heidenen om behouden te worden.~
14 3, 10| Samarië een grote macht, om tegen Israël krijg te voeren.~
15 3, 15| sterk leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak
16 3, 20| 20 Dezen komen tegen ons, om door een menigte van smaadheid
17 3, 20| huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven.~
18 3, 30| niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de
19 3, 30| de onkosten te doen, en om de geschenken te geven,
20 3, 31| geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en
21 3, 33| 33 En om zijn zoon Antiochus op te
22 3, 35| krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te
23 3, 35| Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis van die
24 3, 39| en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van
25 3, 41| zijn in hun leger gekomen, om de kinderen Israëls tot
26 3, 44| vergadering kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd,
27 3, 44| te zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid
28 3, 48| heidenen naarstig zochten, om daarin de beeltenis hunner
29 3, 52| zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen. Gij weet
30 3, 58| gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen,
31 3, 58| vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons
32 4, 3 | hij en zijn machtigen, om te slaan de krijgsmacht
33 4, 13| zij togen uit hun leger om te strijden, en die bij
34 4, 21| vlakke veld gereed stond om te vechten.~
35 4, 28| en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden.~
36 4, 35| hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te
37 4, 36| vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen,
38 4, 45| een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat
39 4, 46| er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met
40 4, 61| zetten daar krijgsvolk in, om ze te bewaren, en maakten
41 4, 61| bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat
42 5, 2 | En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te
43 5, 9 | in hun landpalen waren, om hen te verdelgen.~
44 5, 11| ons te zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij
45 5, 11| verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen
46 5, 15| Galilea der vreemdelingen, om ons uit te roeien.~
47 5, 16| vergaderd een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij
48 5, 17| Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen,
49 5, 20| toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken,
50 5, 20| en Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis.~
51 5, 30| en andere gereedschappen om de sterkte in te nemen,
52 5, 38| 38 En Judas zond om het leger te verspieden;
53 5, 39| heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben
54 5, 39| zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok
55 5, 45| huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land van
56 5, 50| door uw land doortrekken om te komen in ons land, en
57 5, 57| en laat ons heentrekken om te beoorlogen de heidenen,
58 5, 59| uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.~
59 6, 4 | zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte,
60 6, 12| en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder
61 6, 13| 13 Ik beken dat om dezer dingen wil mij deze
62 6, 15| Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~
63 6, 17| stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats,
64 6, 19| en verzamelde al het volk om hen te belegeren.~
65 6, 26| de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in
66 6, 33| het leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij
67 6, 34| wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger
68 6, 42| Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen
69 6, 44| 44 En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en
70 6, 44| zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam
71 6, 49| geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven,
72 6, 50| stelde daar een bezetting om ze te bewaren.~
73 6, 51| instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen;
74 6, 51| werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.~
75 6, 55| nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te
76 6, 59| wetten, gelijk tevoren. Want om hunner wetten wil, die wij
77 6, 60| oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden,
78 7, 2 | Antiochus en Lysias greep, om die tot hem te brengen.~
79 7, 12| bij Alcimus en Bacchides om enige billijke zaken te
80 7, 21| 21 En Alcimus streed om het hogepriesterschap.~
81 7, 29| de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te
82 7, 33| de ouderlingen des volks, om hem vreedzaam te begroeten,
83 7, 33| vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer,
84 8, 3 | in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen
85 8, 14| purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk te
86 8, 15| des volks raad hielden, om het wel te regeren;~
87 8, 16| zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor
88 8, 17| hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap
89 8, 18| 18 En om van hen het juk weg te nemen,
90 8, 22| en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken
91 9, 7 | omdat hij geen tijd had om hen weder bijeen te vergaderen,
92 9, 10| ons dan mannelijk sterven om onzer broederen wil, en
93 9, 11| machtigen waren gesteld om eerst te strijden.~
94 9, 29| man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de
95 9, 30| hebben u heden uitverkoren om onze overste te zijn in
96 9, 30| plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren.~
97 9, 35| overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn
98 9, 45| en daar is geen plaats om te ontwijken.~
99 9, 47| Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij
100 9, 51| stelden daarin bezetting, om Israël vijandelijk te bestrijden.~
101 9, 53| in de burcht te Jeruzalem om te bewaren.~
102 9, 69| en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.~
103 9, 70| zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken,
104 10, 2 | krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~
105 10, 3 | brieven met vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.~
106 10, 4 | Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken,
107 10, 6 | 6 En hij gaf hem macht om krijgsvolk te vergaderen,
108 10, 8 | koning hem macht gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.~
109 10, 19| en dat gij bekwaam zijt om onze vriend te zijn.~
110 10, 20| hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning
111 10, 23| Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met
112 10, 23| vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken?~
113 10, 32| als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~
114 10, 33| koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de
115 10, 38| worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen
116 10, 45| 45 Ook om de muren van Jeruzalem op
117 10, 61| Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch
118 10, 70| verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en
119 10, 73| noch rots, noch plaats is om te vlieden.~
120 10, 74| broeder, ontmoette hem, om hem te helpen.~
121 10, 83| de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.~
122 10, 88| gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.~
123 11, 5 | wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en
124 11, 15| Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en
125 11, 20| Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in
126 11, 22| zou komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken.~
127 11, 57| dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk,
128 11, 57| drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen,
129 11, 57| purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben.~
130 11, 59| Syrië vergaderden bij hem om hem te helpen strijden,
131 12, 1 | en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te
132 12, 3 | Joden hebben ons gezonden, om weder voor hen te vernieuwen
133 12, 10| onderwonden aan u te zenden, om de broederschap en vriendschap,
134 12, 16| gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap
135 12, 24| macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,~
136 12, 25| want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen.~
137 12, 26| het zo geschikt hadden, om hen des nachts te overvallen.~
138 12, 34| hij daar een bezetting in, om ze te bewaren.~
139 12, 35| en hield met hen raad, om sterkten te bouwen in Judea;~
140 12, 36| 36 En om de muren van Jeruzalem hoger
141 12, 36| hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken
142 12, 36| tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden,
143 12, 37| 37 En zij vergaderden om de stad op te bouwen, en
144 12, 40| voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te
145 12, 40| middelen om hem te krijgen en om te brengen.~
146 12, 45| wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil ben ik
147 12, 49| naar het grote vlakke veld, om te verdelgen allen, die
148 12, 50| dicht aaneengesloten, bereid om te strijden.~
149 13, 1 | krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land van
150 13, 4 | mijn broeders omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen
151 13, 6 | heidenen tezamen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap
152 13, 12| Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land
153 13, 15| broeder Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan des
154 13, 20| En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en
155 13, 20| in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij
156 13, 21| zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat
157 13, 22| al zijn ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en
158 13, 29| wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen,
159 13, 31| Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus,
160 13, 37| ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote
161 13, 40| enigen onder u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven
162 13, 48| onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de
163 14, 1 | krijgsmacht, en trok naar Medië, om hulp bijeen te trekken,
164 14, 1 | hulp bijeen te trekken, om Tryfon te beoorlogen.~
165 14, 2 | hij een van zijn oversten om hem levend te krijgen.~
166 14, 10| met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat
167 14, 18| aan hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap
168 14, 22| Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij
169 14, 24| duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van
170 14, 31| hun land wilden invallen, om hun land te verwoesten,
171 14, 34| en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig
172 14, 35| deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw,
173 14, 37| stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte
174 15, 3 | het weder te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk
175 15, 17| vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap
176 15, 26| tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden,
177 15, 28| een van zijn vrienden, om met hem te handelen, en
178 16, 13| tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.~
179 16, 13| Simon en zijn zonen, om hen om te brengen.~
180 16, 14| de steden van het land, om te bezorgen wat zij van
181 16, 19| zond anderen naar Gazara, om Johannes om te brengen;
182 16, 19| naar Gazara, om Johannes om te brengen; en hij zond
183 16, 20| 20 En hij zond anderen om Jeruzalem in te nemen, en
184 16, 21| en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen.~
185 16, 21| gezonden had om hem ook om te brengen.~
186 16, 22| mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde
187 16, 22| die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen,
|