Chapter, Verse
1 1, 9 | allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele
2 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem,
3 1, 35| zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke
4 1, 58| een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom
5 1, 59| deuren van de huizen, en op de straten offerden zij
6 1, 63| vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar
7 1, 63| maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.~
8 1, 65| hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders,
9 2, 1 | 1 In die dagen stond op Mattathias, de zoon van
10 2, 23| ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar
11 2, 24| en toelopende doodde hem op het altaar.~
12 2, 25| offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak
13 2, 32| vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden
14 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om te strijden
15 2, 38| tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden
16 2, 41| En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar
17 2, 41| komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat
18 2, 61| geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt
19 3, 1 | Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;~
20 3, 15| voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen,
21 3, 23| spreken, zo viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn
22 3, 25| verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen
23 3, 33| En om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou
24 3, 45| kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen
25 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken
26 3, 47| zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden
27 4, 1 | ruiters, en dit leger brak op des nachts;~
28 4, 2 | Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en
29 4, 3 | Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen,
30 4, 5 | vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij,
31 4, 10| der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor
32 4, 12| vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen
33 4, 18| Gorgias en zijn krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar
34 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote
35 4, 34| 34 Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven
36 4, 35| leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd
37 4, 37| vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~
38 4, 38| in een kreupelbos of als op een van de bergen, en de
39 4, 39| grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden;~
40 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht op de aarde,
41 4, 40| vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met
42 4, 41| bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat
43 4, 46| En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in
44 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en ontstaken
45 4, 50| en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven
46 4, 51| 51 En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels
47 4, 51| en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze
48 4, 52| stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste van
49 4, 53| zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar der brandoffers,
50 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop
51 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen
52 4, 54| heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd,
53 4, 55| al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden,
54 4, 59| inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar,
55 4, 60| bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren
56 5, 4 | aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden gelegd;~
57 5, 27| en hen allen te vernielen op één dag.~
58 5, 31| het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten
59 5, 34| nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend
60 5, 46| dit is, een grote stad op de ingang des lands, zeer
61 5, 53| achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat hij
62 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde
63 5, 60| Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd
64 5, 60| van Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls
65 6, 5 | van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;~
66 6, 6 | en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht,
67 6, 7 | hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd
68 6, 10| tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart
69 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten
70 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen
71 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en legerde
72 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens vroeg, en verplaatste
73 6, 35| maliën, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd
74 6, 37| 37 En op deze olifanten waren houten
75 6, 37| gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende
76 6, 39| 39 Zodat als de zon op de gouden schilden scheen,
77 6, 45| hij liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden,
78 6, 46| hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.~
79 6, 48| zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~
80 6, 55| had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning
81 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, en bezag de
82 7, 1 | zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een
83 7, 4 | en Demetrius ging zitten op de troon zijns koninkrijks.~
84 7, 16| mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden
85 7, 18| hen, en een beving viel op het ganse volk, zodat zij
86 7, 19| 19 En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde
87 7, 33| na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar
88 7, 43| met elkander te strijden, op de dertiende dag der maand
89 7, 47| brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.~
90 8, 10| slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;~
91 8, 31| hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten
92 9, 3 | hun leger bij Jeruzalem op.~
93 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar Berea, met
94 9, 11| krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond
95 9, 16| met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.~
96 9, 19| namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het
97 9, 26| van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides,
98 9, 31| overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.~
99 9, 34| Bacchides dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met
100 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen,
101 9, 43| Bacchides horende. kwam op de dag van de sabbat tot
102 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht,
103 9, 62| woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken
104 9, 66| en met zijn krijgsvolk op te trekken,~
105 10, 1 | Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en
106 10, 6 | zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood
107 10, 7 | volk, en van degenen, die op de burcht waren.~
108 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven de
109 10, 10| Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~
110 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester
111 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten,
112 10, 45| om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk
113 10, 50| zon toe, zo viel Demetrius op die dag.~
114 10, 52| koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen,
115 10, 53| is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~
116 10, 55| vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~
117 10, 61| beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~
118 10, 71| indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot
119 10, 72| daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen
120 10, 78| menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.~
121 10, 81| en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens
122 10, 82| voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij
123 10, 86| En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon,
124 11, 13| kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke
125 11, 14| de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat
126 11, 22| zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem
127 11, 36| geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame
128 11, 40| Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem
129 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en
130 11, 47| En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man,
131 11, 47| in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten
132 11, 51| koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk,
133 11, 53| hem de koninklijke hoed op.~
134 11, 54| hem, en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.~
135 11, 68| 68 En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde
136 11, 70| klederen, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God.~
137 11, 71| streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~
138 11, 73| daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend
139 12, 11| ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, als andere
140 12, 36| muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote
141 12, 36| en om een grote hoogte op te maken midden tussen de
142 12, 37| zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij
143 12, 39| en een koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand
144 13, 2 | en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde
145 13, 7 | wekte de geest des volks op, doordat zij deze woorden
146 13, 10| zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte
147 13, 12| 12 En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote
148 13, 17| volk niet grote vijandschap op zich zou laden.~
149 13, 22| de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.~
150 13, 27| een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van
151 13, 29| grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort
152 13, 29| te worden door allen, die op de zee varen.~
153 13, 30| Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.~
154 13, 32| in zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van
155 13, 33| bouwde de sterkten van Judea op, en bemuurde ze met hoge
156 13, 39| mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de
157 13, 45| En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en
158 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren,
159 13, 51| deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag
160 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en spraken allen
161 14, 13| die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen
162 14, 26| koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg
163 14, 26| stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~
164 14, 27| afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de
165 14, 33| steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar
166 14, 35| en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk
167 14, 37| trok de muren van Jeruzalem op.~
168 14, 43| handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven
169 15, 12| hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden,
170 15, 30| die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea
171 16, 2 | van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het
172 16, 3 | broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk.
173 16, 8 | Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar
174 16, 16| hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en
|