Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
oorloogde 1
oorzaak 2
oosten 1
op 174
opbouwen 5
opbrekende 1
opdat 25
Frequency    [«  »]
218 hen
203 tot
187 om
174 op
166 aan
147 was
144 waren

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

op

    Chapter, Verse
1 1, 9 | allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele 2 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem, 3 1, 35| zij bouwden de stad Davids op met een grote en sterke 4 1, 58| een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, en rondom 5 1, 59| deuren van de huizen, en op de straten offerden zij 6 1, 63| vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar 7 1, 63| maand op het altaar, dat op het reukaltaar was.~ 8 1, 65| hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, 9 2, 1 | 1 In die dagen stond op Mattathias, de zoon van 10 2, 23| ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar 11 2, 24| en toelopende doodde hem op het altaar.~ 12 2, 25| offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak 13 2, 32| vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden 14 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om te strijden 15 2, 38| tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden 16 2, 41| En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar 17 2, 41| komen tegen ons te strijden op de dag des sabbats, laat 18 2, 61| geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt 19 3, 1 | Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats;~ 20 3, 15| voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, 21 3, 23| spreken, zo viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn 22 3, 25| verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen 23 3, 33| En om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou 24 3, 45| kinderen der vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen 25 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken 26 3, 47| zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden 27 4, 1 | ruiters, en dit leger brak op des nachts;~ 28 4, 2 | Opdat zij vallen zouden op het leger der Joden, en 29 4, 3 | Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, 30 4, 5 | vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zeide hij, 31 4, 10| der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor 32 4, 12| vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen 33 4, 18| Gorgias en zijn krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar 34 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote 35 4, 34| 34 Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven 36 4, 35| leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd 37 4, 37| vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~ 38 4, 38| in een kreupelbos of als op een van de bergen, en de 39 4, 39| grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden;~ 40 4, 40| 40 En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, 41 4, 40| vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met 42 4, 41| bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat 43 4, 46| En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in 44 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en ontstaken 45 4, 50| en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven 46 4, 51| 51 En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels 47 4, 51| en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze 48 4, 52| stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste van 49 4, 53| zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar der brandoffers, 50 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop 51 4, 54| 54 Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen 52 4, 54| heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, 53 4, 55| al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, 54 4, 59| inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, 55 4, 60| bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren 56 5, 4 | aanstoot, doordat zij hun op de wegen lagen hadden gelegd;~ 57 5, 27| en hen allen te vernielen op één dag.~ 58 5, 31| het geroep der stad ging op tot de hemel toe, met trompetten 59 5, 34| nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend 60 5, 46| dit is, een grote stad op de ingang des lands, zeer 61 5, 53| achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat hij 62 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde 63 5, 60| Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd 64 5, 60| van Judea; en daar vielen op die dag van het volk Israëls 65 6, 5 | van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;~ 66 6, 6 | en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, 67 6, 7 | hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd 68 6, 10| tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart 69 6, 18| 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten 70 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen 71 6, 32| 32 En Judas brak op van de burcht en legerde 72 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens vroeg, en verplaatste 73 6, 35| maliën, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd 74 6, 37| 37 En op deze olifanten waren houten 75 6, 37| gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende 76 6, 39| 39 Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, 77 6, 45| hij liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, 78 6, 46| hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.~ 79 6, 48| zijn leger in Judea, en op de berg Sion.~ 80 6, 55| had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning 81 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, en bezag de 82 7, 1 | zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een 83 7, 4 | en Demetrius ging zitten op de troon zijns koninkrijks.~ 84 7, 16| mannen, en hij doodde hen op een dag, naar de woorden 85 7, 18| hen, en een beving viel op het ganse volk, zodat zij 86 7, 19| 19 En Bacchides trok op van Jeruzalem, en legerde 87 7, 33| na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar 88 7, 43| met elkander te strijden, op de dertiende dag der maand 89 7, 47| brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem.~ 90 8, 10| slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe;~ 91 8, 31| hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten 92 9, 3 | hun leger bij Jeruzalem op.~ 93 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar Berea, met 94 9, 11| krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond 95 9, 16| met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd.~ 96 9, 19| namen Judas, hun broeder, op en begroeven hem in het 97 9, 26| van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, 98 9, 31| overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broeder.~ 99 9, 34| Bacchides dit vernemende, kwam op de dag des sabbats, met 100 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen, 101 9, 43| Bacchides horende. kwam op de dag van de sabbat tot 102 9, 60| 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, 103 9, 62| woestijn gelegen, en hij bouwde op hetgeen daar afgebroken 104 9, 66| en met zijn krijgsvolk op te trekken,~ 105 10, 1 | Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en 106 10, 6 | zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood 107 10, 7 | volk, en van degenen, die op de burcht waren.~ 108 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven de 109 10, 10| Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen.~ 110 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester 111 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, 112 10, 45| om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk 113 10, 50| zon toe, zo viel Demetrius op die dag.~ 114 10, 52| koninkrijk, en gezeten ben op de troon mijner vaderen, 115 10, 53| is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk;~ 116 10, 55| vaderen, en gezeten zijt op de troon van hun koninkrijk.~ 117 10, 61| beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~ 118 10, 71| indien gij u vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot 119 10, 72| daar uw vaderen tweemaal op de vlucht zijn geslagen 120 10, 78| menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde.~ 121 10, 81| en zij schoten hun pijlen op het volk van des morgens 122 10, 82| voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij 123 10, 86| En Jonathan trok vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, 124 11, 13| kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke 125 11, 14| de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat 126 11, 22| zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem 127 11, 36| geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame 128 11, 40| Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem 129 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en 130 11, 47| En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, 131 11, 47| in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten 132 11, 51| koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, 133 11, 53| hem de koninklijke hoed op.~ 134 11, 54| hem, en hij vlood, en werd op de vlucht gedreven.~ 135 11, 68| 68 En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde 136 11, 70| klederen, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God.~ 137 11, 71| streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vloden.~ 138 11, 73| daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend 139 12, 11| ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, als andere 140 12, 36| muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote 141 12, 36| en om een grote hoogte op te maken midden tussen de 142 12, 37| zij vergaderden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij 143 12, 39| en een koninklijke hoed op te zetten, en zijn hand 144 13, 2 | en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde 145 13, 7 | wekte de geest des volks op, doordat zij deze woorden 146 13, 10| zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte 147 13, 12| 12 En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote 148 13, 17| volk niet grote vijandschap op zich zou laden.~ 149 13, 22| de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.~ 150 13, 27| een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van 151 13, 29| grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort 152 13, 29| te worden door allen, die op de zee varen.~ 153 13, 30| Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.~ 154 13, 32| in zijn plaats; en zette op de koninklijke hoed van 155 13, 33| bouwde de sterkten van Judea op, en bemuurde ze met hoge 156 13, 39| mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden, en de 157 13, 45| En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en 158 13, 49| 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren, 159 13, 51| deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag 160 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en spraken allen 161 14, 13| die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen 162 14, 26| koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg 163 14, 26| stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~ 164 14, 27| afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de 165 14, 33| steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar 166 14, 35| en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk 167 14, 37| trok de muren van Jeruzalem op.~ 168 14, 43| handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven 169 15, 12| hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, 170 15, 30| die gij vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea 171 16, 2 | van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; en het 172 16, 3 | broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk. 173 16, 8 | Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar 174 16, 16| hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License