Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En doortrok tot aan het uiterste der aarde,
2 1, 7 | edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en
3 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning
4 1, 28| Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer
5 1, 29| Jakob deed smaad klederen aan.~
6 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat
7 1, 45| En alle volken namen het aan, naar het woord des konings.~
8 1, 46| Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden
9 1, 47| door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden
10 1, 47| boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat
11 1, 54| woorden heeft hij geschreven aan zijn ganse koninkrijk, en
12 1, 62| 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen,
13 1, 62| Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden
14 1, 65| hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en
15 2, 14| klederen, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote
16 2, 32| vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en
17 2, 48| hoorn der overwinning niet aan die zondaar.~
18 2, 66| kracht, van zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste
19 2, 68| de vergelding, en houdt u aan de geboden der wet.~
20 3, 3 | en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde
21 3, 3 | gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen,
22 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron,
23 3, 23| viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger
24 3, 47| die dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun
25 4, 10| barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen;
26 4, 14| 14 En zij kwamen aan elkander, en de heidenen
27 4, 26| gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er geschied
28 4, 34| Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven van het
29 4, 35| Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij
30 4, 57| en maakten daar deuren aan.~
31 5, 10| Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders,
32 5, 11| Timotheüs voert hun leger aan.~
33 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem
34 6, 38| krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen van het leger,
35 6, 56| en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken
36 6, 60| zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen
37 6, 60| bieden, en zij namen hem aan.~
38 7, 1 | enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde
39 7, 7 | al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan
40 7, 7 | aan ons gedaan heeft, en aan het land des konings, en
41 7, 8 | des konings, die regeerde aan gene zijde der rivier, en
42 7, 27| grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders,
43 7, 32| 32 En daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent
44 7, 38| het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef
45 8, 31| tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende:
46 9, 14| het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en
47 9, 17| daar vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde.~
48 9, 31| tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats
49 9, 35| overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden,
50 9, 37| 37 En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder
51 9, 38| 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken
52 9, 42| broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
53 9, 45| water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere
54 9, 45| Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook
55 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn
56 9, 49| 49 En aan de zijde van Bacchides vielen
57 9, 60| hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in
58 9, 60| niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.~
59 9, 71| En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden,
60 10, 9 | gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze
61 10, 9 | Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~
62 10, 15| beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als
63 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven en zond die
64 10, 17| hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~
65 10, 21| Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van
66 10, 24| 24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden van
67 10, 32| Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij
68 10, 35| of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei
69 10, 38| van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen
70 10, 38| Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat
71 10, 39| daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem,
72 10, 39| Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan
73 10, 41| jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken des
74 10, 46| ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan
75 10, 46| aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij
76 10, 51| 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van
77 10, 59| koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou
78 10, 82| voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de
79 11, 1 | gelijk daar is het zand aan de oever der zee en vele
80 11, 1 | bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.~
81 11, 8 | zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht
82 11, 9 | 9 En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende:
83 11, 12| dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd
84 11, 17| het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~
85 11, 22| hoorde, spande hij terstond aan, en kwam te Ptolomaïs, en
86 11, 22| te Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het
87 11, 29| dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al
88 11, 31| die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van
89 11, 31| ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.~
90 11, 32| 32 Wij hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die
91 11, 32| onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht
92 11, 33| daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren;
93 11, 35| van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan
94 11, 36| gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld
95 11, 38| onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren,
96 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou
97 11, 39| bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat
98 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal
99 11, 41| zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal
100 11, 56| jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig
101 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere
102 12, 4 | En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats,
103 12, 5 | Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten:~
104 12, 7 | tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester,
105 12, 10| nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap
106 12, 10| tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~
107 12, 13| ons zijn, doen ons oorlog aan.~
108 12, 16| en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande
109 12, 19| afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~
110 12, 34| sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden,
111 12, 37| en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten
112 12, 37| de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten
113 12, 39| zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~
114 12, 43| grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf
115 12, 44| hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit
116 13, 15| gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig
117 13, 21| burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten,
118 13, 35| Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden,
119 13, 35| antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:~
120 13, 37| grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen
121 13, 43| stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee
122 14, 9 | heerlijke oorlogskledingen aan.~
123 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om
124 14, 23| afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.~
125 14, 25| zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~
126 14, 26| hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en
127 14, 26| platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~
128 14, 34| hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara
129 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij
130 15, 1 | van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste
131 15, 1 | en overste der Joden, en aan al het volk;~
132 15, 11| vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~
133 15, 15| van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen,
134 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke deze
135 15, 16| burgemeester der Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed.~
136 15, 19| goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen,
137 15, 19| schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet
138 15, 21| gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester,
139 15, 22| heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en
140 15, 22| de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en
141 15, 22| Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~
142 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten,
143 15, 23| alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos,
144 15, 23| Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en
145 15, 23| Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen
146 15, 23| Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië,
147 15, 23| en en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en
148 15, 23| Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië,
149 15, 23| Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië,
150 15, 23| Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus,
151 15, 23| Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös,
152 15, 23| en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan
153 15, 23| Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en
154 15, 23| aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis,
155 15, 23| Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna,
156 15, 23| Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus,
157 15, 23| Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en
158 15, 23| Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~
159 15, 23| Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~
160 15, 24| afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~
161 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, een van
162 15, 35| grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen
163 16, 2 | beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe;
164 16, 18| schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk
165 16, 19| brengen; en hij zond brieven aan de oversten over duizend,
166 16, 21| vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat
|