Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
89 1
9 17
aäron 1
aan 166
aanbaden 1
aandoe 1
aandoen 5
Frequency    [«  »]
203 tot
187 om
174 op
166 aan
147 was
144 waren
134 ons

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

aan

    Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En doortrok tot aan het uiterste der aarde, 2 1, 7 | edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed waren en 3 1, 19| 19 En hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning 4 1, 28| Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer 5 1, 29| Jakob deed smaad klederen aan.~ 6 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, dat 7 1, 45| En alle volken namen het aan, naar het woord des konings.~ 8 1, 46| Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden 9 1, 47| door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden 10 1, 47| boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat 11 1, 54| woorden heeft hij geschreven aan zijn ganse koninkrijk, en 12 1, 62| 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, 13 1, 62| Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden 14 1, 65| hingen de kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en 15 2, 14| klederen, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote 16 2, 32| vingen tegen hen de krijg aan op de dag des sabbats, en 17 2, 48| hoorn der overwinning niet aan die zondaar.~ 18 2, 66| kracht, van zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste 19 2, 68| de vergelding, en houdt u aan de geboden der wet.~ 20 3, 3 | en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde 21 3, 3 | gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen, 22 3, 16| 16 En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, 23 3, 23| viel hij terstond op hen aan, en Seron en zijn leger 24 3, 47| die dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun 25 4, 10| barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; 26 4, 14| 14 En zij kwamen aan elkander, en de heidenen 27 4, 26| gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er geschied 28 4, 34| Toen vielen zij op elkander aan, en daar bleven van het 29 4, 35| Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij 30 4, 57| en maakten daar deuren aan.~ 31 5, 10| Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broeders, 32 5, 11| Timotheüs voert hun leger aan.~ 33 6, 12| 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem 34 6, 38| krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen van het leger, 35 6, 56| en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken 36 6, 60| zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen 37 6, 60| bieden, en zij namen hem aan.~ 38 7, 1 | enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde 39 7, 7 | al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan 40 7, 7 | aan ons gedaan heeft, en aan het land des konings, en 41 7, 8 | des konings, die regeerde aan gene zijde der rivier, en 42 7, 27| grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broeders, 43 7, 32| 32 En daar vielen aan de zijde van Nicanor omtrent 44 7, 38| het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef 45 8, 31| tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: 46 9, 14| het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en 47 9, 17| daar vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde.~ 48 9, 31| tijds, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats 49 9, 35| overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, 50 9, 37| 37 En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broeder 51 9, 38| 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, optrokken 52 9, 42| broeder, en keerden weder aan de kant van de Jordaan.~ 53 9, 45| water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere 54 9, 45| Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook 55 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn 56 9, 49| 49 En aan de zijde van Bacchides vielen 57 9, 60| hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in 58 9, 60| niet, overmits dat hun raad aan deze bekend werd.~ 59 9, 71| En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, 60 10, 9 | gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze 61 10, 9 | Jonathan, en hij gaf ze weder aan hun ouders.~ 62 10, 15| beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als 63 10, 17| 17 En hij schreef aan hem brieven en zond die 64 10, 17| hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud:~ 65 10, 21| Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van 66 10, 24| 24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden van 67 10, 32| Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij 68 10, 35| of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei 69 10, 38| van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen 70 10, 38| Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat 71 10, 39| daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, 72 10, 39| Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan 73 10, 41| jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken des 74 10, 46| ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan 75 10, 46| aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij 76 10, 51| 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van 77 10, 59| koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou 78 10, 82| voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de 79 11, 1 | gelijk daar is het zand aan de oever der zee en vele 80 11, 1 | bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk.~ 81 11, 8 | zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht 82 11, 9 | 9 En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: 83 11, 12| dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd 84 11, 17| het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs.~ 85 11, 22| hoorde, spande hij terstond aan, en kwam te Ptolomaïs, en 86 11, 22| te Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het 87 11, 29| dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al 88 11, 31| die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van 89 11, 31| ulieden, schrijven wij ook aan u, opdat gij het moogt zien.~ 90 11, 32| 32 Wij hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die 91 11, 32| onze vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht 92 11, 33| daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem offeren; 93 11, 35| van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan 94 11, 36| gemaakt worde, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld 95 11, 38| onder degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, 96 11, 39| 39 En hij hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou 97 11, 39| bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat 98 11, 41| 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal 99 11, 41| zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal 100 11, 56| jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig 101 12, 2 | 2 En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere 102 12, 4 | En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats, 103 12, 5 | Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten:~ 104 12, 7 | tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, 105 12, 10| nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap 106 12, 10| tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~ 107 12, 13| ons zijn, doen ons oorlog aan.~ 108 12, 16| en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande 109 12, 19| afschrift der brieven, die zij aan Onias gezonden hebben;~ 110 12, 34| sterkte wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, 111 12, 37| en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten 112 12, 37| de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten 113 12, 39| zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~ 114 12, 43| grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf 115 12, 44| hij sprak Jonathan aldus aan: Waarom hebt gij al dit 116 13, 15| gevangen, om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig 117 13, 21| burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, 118 13, 35| Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, 119 13, 35| antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief:~ 120 13, 37| grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de schattingen 121 13, 43| stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee 122 14, 9 | heerlijke oorlogskledingen aan.~ 123 14, 18| 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om 124 14, 23| afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester.~ 125 14, 25| zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden?~ 126 14, 26| hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en 127 14, 26| platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~ 128 14, 34| hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara 129 14, 47| 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij 130 15, 1 | van de eilanden der zee aan Simon, de priester en overste 131 15, 1 | en overste der Joden, en aan al het volk;~ 132 15, 11| vluchtende te Dora, een stad aan de zee.~ 133 15, 15| van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, 134 15, 15| brieven aan de koningen en aan de landen, in welke deze 135 15, 16| burgemeester der Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed.~ 136 15, 19| goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, 137 15, 19| schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet 138 15, 21| gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, 139 15, 22| heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en 140 15, 22| de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en 141 15, 22| Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~ 142 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, 143 15, 23| alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, 144 15, 23| Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en 145 15, 23| Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen 146 15, 23| Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, 147 15, 23| en en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en 148 15, 23| Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, 149 15, 23| Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, 150 15, 23| Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, 151 15, 23| Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, 152 15, 23| en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan 153 15, 23| Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en 154 15, 23| aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, 155 15, 23| Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, 156 15, 23| Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, 157 15, 23| Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en 158 15, 23| Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 159 15, 23| Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 160 15, 24| afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester.~ 161 15, 28| 28 En hij zond aan hem Athenobius, een van 162 15, 35| grote plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen 163 16, 2 | beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de huidige dag toe; 164 16, 18| schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk 165 16, 19| brengen; en hij zond brieven aan de oversten over duizend, 166 16, 21| vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License