Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
wapens 1
ware 2
waren 144
was 147
wat 41
water 4
waters 2
Frequency    [«  »]
187 om
174 op
166 aan
147 was
144 waren
134 ons
126 al

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

was

    Chapter, Verse
1 1, 3 | dat het land voor hem stil was.~ 2 1, 9 | 9 En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke 3 1, 11| binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning 4 1, 17| koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor 5 1, 28| in haar bruidskamer zat was in rouw.~ 6 1, 35| met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~ 7 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het heiligdom 8 1, 43| naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd 9 1, 52| al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden 10 1, 63| altaar, dat op het reukaltaar was.~ 11 1, 68| 68 En de toom des konings was zeer groot over Israël.~ 12 2, 2 | Johannes die toegenaamd was Jaddis,~ 13 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~ 14 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~ 15 2, 5 | 5 Eleazar, die genaamd was Auäran, en Jonathan, die 16 2, 5 | en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~ 17 2, 11| weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~ 18 2, 30| over hen vermenigvuldigd was.~ 19 3, 45| daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar 20 3, 45| alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en 21 3, 46| tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.~ 22 4, 3 | des konings, die in Emmaüs was;~ 23 4, 4 | krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.~ 24 4, 6 | 6 En zo haast het dag was, is Judas gezien in het 25 4, 7 | dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom 26 4, 20| openbaarde wat er geschied was.~ 27 4, 26| Lysias al wat er geschied was.~ 28 4, 27| moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne 29 4, 27| gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk hem 30 4, 35| Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden 31 4, 44| brandoffers, dat ontheiligd was.~ 32 4, 58| 58 En daar was een zeer grote vreugde onder 33 5, 1 | heiligdom weder ingewijd was als tevoren, dat zij zeer 34 5, 25| broederen in Galaäditis geschied was;~ 35 5, 28| doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, 36 5, 30| ogen opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet 37 5, 31| Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep 38 5, 34| ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn 39 5, 35| al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde 40 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de beek 41 5, 43| het bos, dat te Karnaïn was.~ 42 5, 51| legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk 43 5, 52| vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards, 44 5, 54| van hen niet een gevallen was, totdat zij in vrede waren 45 5, 58| het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende, 46 6, 1 | Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van 47 6, 2 | dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar 48 6, 2 | die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, 49 6, 6 | onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht 50 6, 6 | aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden 51 6, 7 | heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge 52 6, 8 | vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht 53 6, 9 | 9 En hij was daar vele dagen, omdat over 54 6, 17| dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn 55 6, 29| krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~ 56 6, 30| getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend voetknechten, 57 6, 36| altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar 58 6, 41| hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.~ 59 6, 43| pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de 60 6, 43| dacht dat de koning daarop was;~ 61 6, 49| een sabbats jaar des lands was.~ 62 6, 53| omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van 63 6, 53| het overige, dat weggelegd was, gegeten.~ 64 6, 56| 56 Weergekeerd was van Perzië en Medië, met 65 7, 5 | mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het 66 7, 8 | zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de 67 7, 26| Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het 68 7, 30| met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, 69 7, 31| wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken 70 7, 43| vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd 71 7, 44| leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen 72 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd, en zij vierden 73 7, 50| 50 En het land van Juda was enige dagen in rust.~ ~ 74 8, 6 | die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig 75 8, 6 | en dat die ook door hen was vermorzeld.~ 76 8, 9 | deze zaak door de Romeinen was verstaan,~ 77 8, 16| afgunstigheid noch jaloezie was.~ 78 8, 19| reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in 79 8, 21| 21 En deze rede was aangenaam voor hen.~ 80 8, 22| 22 En dit was het afschrift van de brief, 81 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend 82 9, 7 | dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, 83 9, 11| tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, 84 9, 12| 12 En Bacchides was bij de rechtervleugel des 85 9, 16| rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, 86 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking, 87 9, 27| verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat 88 9, 27| af, dat er geen profeet was onder gezien.~ 89 9, 35| zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de 90 9, 35| zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.~ 91 9, 37| de bruid, die een dochter was van een van de grote heren 92 9, 57| zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de 93 9, 57| koning, en het land Juda was in rust twee jaren.~ 94 9, 62| hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.~ 95 9, 68| zijn raad en uittocht ijdel was.~ 96 10, 14| verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~ 97 10, 47| aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden 98 10, 64| zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen 99 10, 64| dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij 100 10, 69| Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een 101 10, 75| Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~ 102 10, 81| achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn 103 10, 82| slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door 104 10, 83| zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod, 105 11, 2 | van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet 106 11, 2 | omdat hij zijn schoonvader was.~ 107 11, 14| 14 En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, 108 11, 27| zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij 109 11, 37| land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat 110 11, 37| stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, 111 11, 38| 38 En daar was een zekere Tryfon onder 112 11, 39| krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele 113 11, 51| koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~ 114 11, 69| namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem 115 12, 1 | gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond 116 12, 7 | die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt, 117 12, 8 | man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen, 118 12, 27| Als nu de zon 'ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen 119 12, 42| met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen 120 12, 48| Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van 121 12, 50| hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo 122 13, 2 | zeer beangst en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, 123 13, 12| Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~ 124 13, 14| verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van 125 13, 42| Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman 126 13, 51| groot vijand uit Israël was uitgeroeid.~ 127 13, 53| tempels, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen 128 13, 54| nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een 129 14, 2 | Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van 130 14, 4 | 4 Het land was in rust al de dagen van 131 14, 4 | macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~ 132 14, 7 | onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen 133 14, 12| en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.~ 134 14, 16| Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd 135 14, 17| zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het 136 14, 27| jaar dat Simon hogepriester was.~ 137 14, 30| hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd 138 14, 30| en tot zijn volk gevoegd was;~ 139 14, 34| wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting 140 15, 3 | herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote 141 15, 33| zekere gelegenheid bemachtigd was.~ 142 16, 5 | hen, en tussen hen beiden was een beek.~ 143 16, 7 | ruiterij van de vijanden was zeer veel.~ 144 16, 11| Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste 145 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.~ 146 16, 14| 14 En Simon was trekkende door de steden 147 16, 21| te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License