Chapter, Verse
1 1, 3 | dat het land voor hem stil was.~
2 1, 9 | 9 En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke
3 1, 11| binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning
4 1, 17| koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor
5 1, 28| in haar bruidskamer zat was in rouw.~
6 1, 35| met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~
7 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het heiligdom
8 1, 43| naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd
9 1, 52| al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden
10 1, 63| altaar, dat op het reukaltaar was.~
11 1, 68| 68 En de toom des konings was zeer groot over Israël.~
12 2, 2 | Johannes die toegenaamd was Jaddis,~
13 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~
14 2, 4 | 4 Judas, die genaamd was Makkabeüs,~
15 2, 5 | 5 Eleazar, die genaamd was Auäran, en Jonathan, die
16 2, 5 | en Jonathan, die genaamd was Sapfus.~
17 2, 11| weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
18 2, 30| over hen vermenigvuldigd was.~
19 3, 45| daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar
20 3, 45| alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en
21 3, 46| tevoren te Mizpa voor Israël was geweest.~
22 4, 3 | des konings, die in Emmaüs was;~
23 4, 4 | krijgsvolk nog verstrooid was van het leger.~
24 4, 6 | 6 En zo haast het dag was, is Judas gezien in het
25 4, 7 | dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom
26 4, 20| openbaarde wat er geschied was.~
27 4, 26| Lysias al wat er geschied was.~
28 4, 27| moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij gaarne
29 4, 27| gewild had, en het niet was uitgevallen, gelijk hem
30 4, 35| Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden
31 4, 44| brandoffers, dat ontheiligd was.~
32 4, 58| 58 En daar was een zeer grote vreugde onder
33 5, 1 | heiligdom weder ingewijd was als tevoren, dat zij zeer
34 5, 25| broederen in Galaäditis geschied was;~
35 5, 28| doodde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards,
36 5, 30| ogen opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet
37 5, 31| Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep
38 5, 34| ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vloden voor zijn
39 5, 35| al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde
40 5, 43| 43 En hij was de eerste die over de beek
41 5, 43| het bos, dat te Karnaïn was.~
42 5, 51| legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van het krijgsvolk
43 5, 52| vernielde al wat mannelijk was door de scherpte des zwaards,
44 5, 54| van hen niet een gevallen was, totdat zij in vrede waren
45 5, 58| het krijgsvolk dat met hen was bevel gegeven hebbende,
46 6, 1 | Elimaïs, in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van
47 6, 2 | dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar
48 6, 2 | die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen,
49 6, 6 | onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht
50 6, 6 | aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden
51 6, 7 | heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge
52 6, 8 | vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht
53 6, 9 | 9 En hij was daar vele dagen, omdat over
54 6, 17| dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn
55 6, 29| krijgsvolk tot hem, dat gehuurd was.~
56 6, 30| getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend voetknechten,
57 6, 36| altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar
58 6, 41| hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.~
59 6, 43| pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de
60 6, 43| dacht dat de koning daarop was;~
61 6, 49| een sabbats jaar des lands was.~
62 6, 53| omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van
63 6, 53| het overige, dat weggelegd was, gegeten.~
64 6, 56| 56 Weergekeerd was van Perzië en Medië, met
65 7, 5 | mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het
66 7, 8 | zijde der rivier, en groot was in het koninkrijk, en de
67 7, 26| Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het
68 7, 30| met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt,
69 7, 31| wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken
70 7, 43| vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd
71 7, 44| leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen
72 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd, en zij vierden
73 7, 50| 50 En het land van Juda was enige dagen in rust.~ ~
74 8, 6 | die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig
75 8, 6 | en dat die ook door hen was vermorzeld.~
76 8, 9 | deze zaak door de Romeinen was verstaan,~
77 8, 16| afgunstigheid noch jaloezie was.~
78 8, 19| reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in
79 8, 21| 21 En deze rede was aangenaam voor hen.~
80 8, 22| 22 En dit was het afschrift van de brief,
81 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend
82 9, 7 | dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong,
83 9, 11| tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen,
84 9, 12| 12 En Bacchides was bij de rechtervleugel des
85 9, 16| rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd,
86 9, 27| 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking,
87 9, 27| verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat
88 9, 27| af, dat er geen profeet was onder gezien.~
89 9, 35| zijn broeder, die overste was over de schare, om aan de
90 9, 35| zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten.~
91 9, 37| de bruid, die een dochter was van een van de grote heren
92 9, 57| zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weder tot de
93 9, 57| koning, en het land Juda was in rust twee jaren.~
94 9, 62| hetgeen daar afgebroken was, en maakte de stad sterk.~
95 9, 68| zijn raad en uittocht ijdel was.~
96 10, 14| verlaten hadden, want dit was hun toevlucht.~
97 10, 47| aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden
98 10, 64| zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen
99 10, 64| dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij
100 10, 69| Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een
101 10, 75| Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~
102 10, 81| achter hem een lage gelegd was, en zij omsingelden zijn
103 10, 82| slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door
104 10, 83| zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van hun afgod,
105 11, 2 | van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet
106 11, 2 | omdat hij zijn schoonvader was.~
107 11, 14| 14 En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië,
108 11, 27| zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij
109 11, 37| land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat
110 11, 37| stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde,
111 11, 38| 38 En daar was een zekere Tryfon onder
112 11, 39| krijgsvolk hem vijandig was, en hij bleef daar vele
113 11, 51| koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~
114 11, 69| namen de vlucht, en daar was niet een van dezen bij hem
115 12, 1 | gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en zond
116 12, 7 | die toen koning onder u was, dat gij onze broeders zijt,
117 12, 8 | man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen,
118 12, 27| Als nu de zon 'ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen
119 12, 42| met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen
120 12, 48| Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van
121 12, 50| hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo
122 13, 2 | zeer beangst en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem,
123 13, 12| Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring.~
124 13, 14| verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van
125 13, 42| Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman
126 13, 51| groot vijand uit Israël was uitgeroeid.~
127 13, 53| tempels, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen
128 13, 54| nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een
129 14, 2 | Demetrius in zijn landpalen was gekomen, zond hij een van
130 14, 4 | 4 Het land was in rust al de dagen van
131 14, 4 | macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen.~
132 14, 7 | onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen
133 14, 12| en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen.~
134 14, 16| Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd
135 14, 17| zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het
136 14, 27| jaar dat Simon hogepriester was.~
137 14, 30| hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd
138 14, 30| en tot zijn volk gevoegd was;~
139 14, 34| wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting
140 15, 3 | herstellen, gelijk het tevoren was, en heb daartoe een grote
141 15, 33| zekere gelegenheid bemachtigd was.~
142 16, 5 | hen, en tussen hen beiden was een beek.~
143 16, 7 | ruiterij van de vijanden was zeer veel.~
144 16, 11| Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste
145 16, 12| 12 Want hij was de schoonzoon van de hogepriester.~
146 16, 14| 14 En Simon was trekkende door de steden
147 16, 21| te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broeders,
|