Chapter, Verse
1 1, 7 | jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk
2 1, 14| En sommigen van het volk waren volvaardig en trokken naar
3 1, 16| zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te
4 1, 41| degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten
5 2, 17| van des konings wege daar waren, antwoordden en spraken
6 2, 31| Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er
7 2, 31| de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun
8 2, 42| Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder
9 2, 43| die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij hen, en
10 2, 46| kinderkens die onbesneden waren, zo velen zij vonden in
11 3, 25| de volken, die rondom hen waren.~
12 3, 29| schattingen vergaderden, weinigen waren; overmits de tweespalt,
13 3, 29| eerste dagen af geweest waren, had weggenomen;~
14 3, 37| krijgsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië,
15 3, 45| degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en
16 3, 45| vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun
17 3, 56| geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer zou
18 4, 2 | de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers.~
19 4, 7 | die daarom stond, (en deze waren in de krijg wèl ervaren),~
20 4, 8 | tot de mannen die met hem waren: Vreest hun menigte niet,
21 4, 13| strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten.~
22 4, 20| dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger
23 4, 26| de vreemdelingen behouden waren, gingen heen en boodschapten
24 4, 35| en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of
25 4, 41| degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom
26 4, 51| al deze werken, die zij waren begonnen te maken.~
27 5, 2 | die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk
28 5, 4 | Bajan, die het volk geweest waren tot een strik en aanstoot,
29 5, 5 | vuur, met allen die daarin waren.~
30 5, 9 | de heidenen die in Galaäd waren, vergaderden te zamen tegen
31 5, 9 | Israëlieten, die in hun landpalen waren, om hen te verdelgen.~
32 5, 13| in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben
33 5, 15| tegen hem velen vergaderd waren uit Ptolomaïs, en Tyrus,
34 5, 16| broeders, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden.~
35 5, 26| dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in
36 5, 26| Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot;~
37 5, 27| van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden
38 5, 44| vuur, met allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd
39 5, 45| Israëlieten, die in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten
40 5, 46| 46 En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een
41 5, 54| was, totdat zij in vrede waren wedergekeerd.~
42 5, 55| Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broeder,
43 5, 62| 62 Doch zij waren niet van het zaad van die
44 6, 2 | en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon
45 6, 5 | land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;~
46 6, 5 | vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;~
47 6, 6 | en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en krijgsvolk,
48 6, 12| zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb, en dat ik
49 6, 18| degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het
50 6, 18| te doen, en een sterkte waren voor de heidenen;~
51 6, 21| En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen
52 6, 28| en die over de ruiterij waren.~
53 6, 36| 36 Deze waren altijd daar, waar het beest
54 6, 37| 37 En op deze olifanten waren houten en sterke torens,
55 6, 37| instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen
56 6, 48| die van des konings leger waren, trokken hen tegemoet naar
57 6, 49| degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad,
58 6, 53| heidenen in Judea gevloden waren, hadden het overige, dat
59 6, 54| 54 En daar waren weinig mannen over in de
60 6, 54| hen had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in
61 6, 56| konings die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk
62 7, 11| grote krijgsmacht gekomen waren.~
63 7, 13| 13 En de Asideeën waren de eersten onder de kinderen
64 7, 19| die tot hem overgelopen waren, en enigen van het volk,
65 7, 23| die Alcimus en die met hem waren onder de kinderen Israëls
66 7, 24| mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden,
67 7, 25| dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond
68 7, 25| met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze
69 7, 29| vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld
70 7, 41| koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo
71 8, 1 | Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht
72 8, 1 | kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte.~
73 8, 3 | zeer ver van hen gelegen waren.~
74 8, 4 | aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld
75 8, 5 | die tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld
76 8, 10| vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen
77 8, 12| en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden, en
78 8, 12| die nabij, en die verre waren, bemachtigd hadden, en dat
79 8, 13| en dat zij zeer verheven waren;~
80 8, 16| allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunstigheid
81 9, 6 | krijgsvolks, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en
82 9, 11| krijgsvolk, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden.~
83 9, 13| 13 En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten,
84 9, 14| leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek
85 9, 14| degenen, die kloek van harte waren, voegden zich bij hem.~
86 9, 16| die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel
87 9, 22| niet beschreven, want zij waren zeer vele.~
88 9, 33| Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vloden
89 9, 44| tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en
90 9, 48| Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan,
91 9, 60| Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, doch zij
92 9, 61| des lands, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig
93 9, 62| en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi,
94 9, 63| ontbood ook die in Judea waren.~
95 9, 67| is Simon, en die met hem waren, uitgevallen uit de stad,
96 10, 6 | gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te
97 10, 7 | degenen, die op de burcht waren.~
98 10, 9 | 9 En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over
99 10, 12| vreemdelingen, die in de sterkte waren, die Bacchides had gebouwd,
100 10, 81| gelast had; en hun paarden waren vermoeid.~
101 10, 84| allen, die daarin gevloden waren, met vuur.~
102 10, 85| 85 En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand
103 10, 85| met die verbrand werden, waren tot achtduizend man.~
104 10, 87| met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit.~
105 11, 18| degenen, die in zijn sterkten waren, werden omgebracht door
106 11, 18| degenen, die in die sterkten waren.~
107 11, 26| de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde
108 11, 38| eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende dat al het
109 11, 40| Jeruzalem en in de sterkten waren, zou willen uitwerpen, want
110 11, 50| bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden weder naar
111 11, 62| Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel krijgsvolk, willende
112 11, 69| En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar
113 11, 69| van Calfi, die oversten waren van het krijgsvolk des legers.~
114 11, 72| degenen, die van hem gevloden waren, keerden weder tot hem,
115 12, 27| dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen
116 12, 28| Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren,
117 12, 28| waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden
118 12, 29| Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond,
119 12, 30| achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus
120 12, 48| allen, die met hem ingekomen waren.~
121 12, 49| allen, die met Jonathan waren geweest.~
122 12, 50| omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij elkander,
123 12, 52| Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden
124 12, 53| heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te verdelgen,~
125 13, 11| daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef aldaar.~
126 13, 21| 21 En die in de burcht waren zonden gezanten aan Tryfon,
127 13, 34| van Tryfon enkel roverijen waren geweest.~
128 13, 44| En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad,
129 13, 47| de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad,
130 13, 49| op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd uit en
131 14, 13| het land, en de koningen waren vermorzeld in die dagen.~
132 14, 17| en de steden die daarin waren;~
133 14, 33| wapenen der vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse
134 14, 36| en die in de stad Davids waren te Jeruzalem; die zichzelf
135 14, 40| door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten,
136 14, 40| heerlijk tegemoet gegaan waren.~
137 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende inhoud:
138 15, 10| zodat er weinigen bij Tryfon waren.~
139 15, 13| zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend
140 15, 15| Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende
141 15, 15| welke deze dingen geschreven waren:~
142 16, 10| die in het land van Azote waren; en hij stak de stad met
143 16, 16| Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende,
144 16, 22| greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en
|