Chapter, Verse
1 1, 12| aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond
2 1, 12| de heidenen, die rondom ons zijn.~
3 1, 13| gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen.
4 2, 18| komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des konings,
5 2, 21| 21 De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet
6 2, 37| 37 Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid.
7 2, 37| hemel en aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte
8 2, 37| getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.~
9 2, 40| strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten,
10 2, 40| onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde
11 2, 41| enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des
12 2, 41| de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden,
13 2, 41| hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk
14 3, 20| 20 Dezen komen tegen ons, om door een menigte van
15 3, 20| ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en
16 3, 20| en onze kinderen, en om ons te beroven.~
17 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering
18 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering
19 3, 43| weder oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en
20 3, 43| en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~
21 3, 52| de heidenen zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen.
22 3, 52| zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen. Gij weet wat
23 3, 52| Gij weet wat zij tegen ons denken.~
24 3, 53| voor hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?~
25 3, 58| die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en
26 3, 58| vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.~
27 3, 58| om ons te vernielen en ons heiligdom.~
28 3, 59| aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
29 3, 59| ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
30 3, 60| zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~
31 4, 5 | zeide hij, deze vlieden voor ons.~
32 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat
33 4, 10| roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en
34 4, 10| deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.~
35 4, 17| bestrijders zijn nog tegen ons;~
36 4, 18| krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze
37 4, 36| vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom
38 5, 11| De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te
39 5, 11| rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, om ons
40 5, 11| ons te zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden
41 5, 12| Komt dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar
42 5, 12| daar is al een menigte van ons gevallen;~
43 5, 15| Galilea der vreemdelingen, om ons uit te roeien.~
44 5, 38| Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd,
45 5, 40| eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem
46 5, 50| doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal ulieden
47 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam maken,
48 5, 57| een naam maken, en laat ons heentrekken om te beoorlogen
49 5, 57| de heidenen, die rondom ons zijn.~
50 6, 23| lieden van dit volk van ons vervreemd werden.~
51 6, 24| 24 Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die
52 6, 25| handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~
53 6, 58| 58 Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand
54 6, 58| rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en
55 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat zij mogen
56 7, 6 | vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~
57 7, 6 | vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~
58 7, 7 | verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het
59 7, 14| het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~
60 7, 42| alzo dit leger heden voor ons, opdat de overgeblevenen
61 8, 20| menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij
62 8, 32| 32 Indien zij dan ons weder zullen verzoeken tot
63 9, 8 | de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen
64 9, 9 | dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden,
65 9, 10| tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om
66 9, 10| onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging
67 9, 29| degenen, die vijanden zijn van ons volk.~
68 9, 44| die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor
69 9, 45| wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water
70 9, 45| oorlog voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan
71 9, 58| rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen,
72 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem
73 10, 4 | make met Alexander tegen ons;~
74 10, 16| zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend
75 10, 20| zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons
76 10, 20| ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.~
77 10, 23| dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap
78 10, 26| Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven
79 10, 27| blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen
80 10, 27| vergelden voor hetgeen gij ons doet.~
81 10, 53| en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten
82 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap
83 10, 70| alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot
84 10, 70| maakt gij de meester tegen ons in de bergen?~
85 10, 71| krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat
86 10, 71| het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden,
87 10, 72| wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u
88 10, 72| zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan;
89 11, 9 | zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond
90 11, 32| vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht is,
91 11, 32| hun goedwillendheid jegens ons.~
92 11, 34| de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden
93 11, 34| tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen,
94 11, 34| zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen
95 11, 49| 49 Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat
96 11, 49| en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.~
97 12, 3 | het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor
98 12, 10| 10 Zo hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden,
99 12, 10| gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~
100 12, 12| 12 En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.~
101 12, 13| 13 Wat ons aangaat, vele verdrukkingen
102 12, 13| en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die
103 12, 13| de koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~
104 12, 13| die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~
105 12, 15| hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn
106 12, 18| zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~
107 12, 22| zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.~
108 12, 23| vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is
109 12, 44| zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?~
110 12, 54| overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en
111 12, 54| dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen
112 13, 6 | tezamen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap te
113 13, 9 | zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~
114 13, 16| losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen
115 13, 40| u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden,
116 13, 40| wordene, en laat tussen ons vrede zijn.~
117 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze
118 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben
119 14, 21| zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid
120 14, 22| gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus'
121 14, 22| gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap,
122 14, 22| vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~
123 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd, dat men die
124 14, 23| stellen in de boeken, voor ons volk daartoe verordineerd,
125 14, 28| ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, dewijl
126 15, 4 | komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele
127 15, 9 | 9 En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd
128 15, 17| gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden
129 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild van
130 15, 19| 19 Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven
131 15, 34| onzer vaderen weder tot ons gebracht.~
132 15, 35| plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij
133 16, 2 | huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël
134 16, 3 | trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de
|