Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
onreine 3
onreinheden 1
onreinheid 1
ons 134
onschuldig 1
onszelf 1
ontbood 1
Frequency    [«  »]
166 aan
147 was
144 waren
134 ons
126 al
125 koning
124 der

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

ons

    Chapter, Verse
1 1, 12| aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond 2 1, 12| de heidenen, die rondom ons zijn.~ 3 1, 13| gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. 4 2, 18| komt gij het eerst tot ons, en doe het bevel des konings, 5 2, 21| 21 De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet 6 2, 37| 37 Laat ons allen sterven in onze eenvoudigheid. 7 2, 37| hemel en aarde getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte 8 2, 37| getuigen over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.~ 9 2, 40| strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, 10 2, 40| onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde 11 2, 41| enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag des 12 2, 41| de dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, 13 2, 41| hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven gelijk 14 3, 20| 20 Dezen komen tegen ons, om door een menigte van 15 3, 20| ongerechtigheid te verdelgen ons en onze huisvrouwen, en 16 3, 20| en onze kinderen, en om ons te beroven.~ 17 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering 18 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering 19 3, 43| weder oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en 20 3, 43| en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~ 21 3, 52| de heidenen zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen. 22 3, 52| zijn tegen ons vergaderd om ons te vernielen. Gij weet wat 23 3, 52| Gij weet wat zij tegen ons denken.~ 24 3, 53| voor hun aangezicht, zo gij ons niet helpt?~ 25 3, 58| die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en 26 3, 58| vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom.~ 27 3, 58| om ons te vernielen en ons heiligdom.~ 28 3, 59| aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~ 29 3, 59| ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~ 30 3, 60| zal zijn, zo doe hij met ons.~ ~ 31 4, 5 | zeide hij, deze vlieden voor ons.~ 32 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat 33 4, 10| roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en 34 4, 10| deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen.~ 35 4, 17| bestrijders zijn nog tegen ons;~ 36 4, 18| krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze 37 4, 36| vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom 38 5, 11| De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons te 39 5, 11| rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, om ons 40 5, 11| ons te zamen vergaderd, om ons te verderven, en zij bereiden 41 5, 12| Komt dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar 42 5, 12| daar is al een menigte van ons gevallen;~ 43 5, 15| Galilea der vreemdelingen, om ons uit te roeien.~ 44 5, 38| Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen vergaderd, 45 5, 40| eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem 46 5, 50| doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal ulieden 47 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam maken, 48 5, 57| een naam maken, en laat ons heentrekken om te beoorlogen 49 5, 57| de heidenen, die rondom ons zijn.~ 50 6, 23| lieden van dit volk van ons vervreemd werden.~ 51 6, 24| 24 Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die 52 6, 25| handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~ 53 6, 58| 58 Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand 54 6, 58| rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en 55 6, 59| 59 En laat ons hun toelaten, dat zij mogen 56 7, 6 | vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~ 57 7, 6 | vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~ 58 7, 7 | verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het 59 7, 14| het krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~ 60 7, 42| alzo dit leger heden voor ons, opdat de overgeblevenen 61 8, 20| menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij 62 8, 32| 32 Indien zij dan ons weder zullen verzoeken tot 63 9, 8 | de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen 64 9, 9 | dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, 65 9, 10| tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om 66 9, 10| onzer broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging 67 9, 29| degenen, die vijanden zijn van ons volk.~ 68 9, 44| die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor 69 9, 45| wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water 70 9, 45| oorlog voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan 71 9, 58| rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, 72 10, 4 | 4 Want hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem 73 10, 4 | make met Alexander tegen ons;~ 74 10, 16| zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend 75 10, 20| zeggende: Dat gij het met ons houdt, en dat gij met ons 76 10, 20| ons houdt, en dat gij met ons vriendschap onderhoudt.~ 77 10, 23| dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap 78 10, 26| Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven 79 10, 27| blijft nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen 80 10, 27| vergelden voor hetgeen gij ons doet.~ 81 10, 53| en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten 82 10, 54| 54 Laat ons dan nu met elkander vriendschap 83 10, 70| alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot 84 10, 70| maakt gij de meester tegen ons in de bergen?~ 85 10, 71| krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat 86 10, 71| het vlakke veld, en laat ons daar met elkander strijden, 87 10, 72| wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u 88 10, 72| zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; 89 11, 9 | zeggende: Welaan, laat ons met elkander een verbond 90 11, 32| vrienden zijn, en die aan ons houden hetgeen recht is, 91 11, 32| hun goedwillendheid jegens ons.~ 92 11, 34| de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden 93 11, 34| tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, 94 11, 34| zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen 95 11, 49| 49 Zeggende: Geef ons de rechter hand, en laat 96 11, 49| en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden.~ 97 12, 3 | het volk der Joden hebben ons gezonden, om weder voor 98 12, 10| 10 Zo hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden, 99 12, 10| gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~ 100 12, 12| 12 En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.~ 101 12, 13| 13 Wat ons aangaat, vele verdrukkingen 102 12, 13| en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die 103 12, 13| de koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~ 104 12, 13| die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan.~ 105 12, 15| hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn 106 12, 18| zult gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~ 107 12, 22| zult gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.~ 108 12, 23| vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben, is 109 12, 44| zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?~ 110 12, 54| overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en 111 12, 54| dan bestrijden, en laat ons hun gedachtenis uit de mensen 112 13, 6 | tezamen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap te 113 13, 9 | zullen alles doen wat gij ons zult zeggen.~ 114 13, 16| losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen 115 13, 40| u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden, 116 13, 40| wordene, en laat tussen ons vrede zijn.~ 117 13, 46| 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze 118 14, 21| 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben 119 14, 21| zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid 120 14, 22| gezegd hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus' 121 14, 22| gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, 122 14, 22| vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen.~ 123 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd, dat men die 124 14, 23| stellen in de boeken, voor ons volk daartoe verordineerd, 125 14, 28| ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, dewijl 126 15, 4 | komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele 127 15, 9 | 9 En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd 128 15, 17| gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden 129 15, 18| 18 En hebben ons gebracht een schild van 130 15, 19| 19 Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven 131 15, 34| onzer vaderen weder tot ons gebracht.~ 132 15, 35| plaag gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij 133 16, 2 | huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël 134 16, 3 | trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License