Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
komt 3
kon 5
konden 2
koning 125
koningen 19
konings 41
koninklijk 2
Frequency    [«  »]
144 waren
134 ons
126 al
125 koning
124 der
118 naar
117 deze

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

koning

    Chapter, Verse
1 1, 1 | Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen 2 1, 1 | had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren 3 1, 8 | En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; 4 1, 11| Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome 5 1, 11| was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste 6 1, 14| volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om 7 1, 17| heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.~ 8 1, 19| aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs 9 1, 30| twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen 10 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk, 11 1, 47| 47 En de koning zond brieven door de hand 12 3, 26| 26 Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden 13 3, 27| 27 En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd 14 3, 37| 37 En de koning nam bij zich de helft der 15 3, 39| verderven, naar het woord van de koning.~ 16 4, 27| uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.~ 17 6, 1 | 1 En de koning Antiochus, doorreizende 18 6, 2 | de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste 19 6, 8 | En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat 20 6, 15| halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~ 21 6, 16| 16 En de koning Antiochus stierf aldaar, 22 6, 17| Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, 23 6, 17| Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, 24 6, 21| en zij reisden naar de koning en zeiden:~ 25 6, 28| 28 En de koning werd toornig toen hij dit 26 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens vroeg, 27 6, 43| beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;~ 28 6, 48| tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, 29 6, 50| 50 En de koning nam Bethsura in, en stelde 30 6, 55| hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog 31 6, 55| op te voeden, totdat hij koning zou zijn,~ 32 6, 57| aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van 33 6, 60| 60 Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond 34 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren hun 35 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, en 36 7, 1 | gelegen en regeerde daar als koning.~ 37 7, 6 | beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn 38 7, 8 | 8 En de koning verkoos Bacchides, een vriend 39 7, 8 | in het koninkrijk, en de koning getrouw.~ 40 7, 20| Bacchides trok heen naar de koning.~ 41 7, 25| keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van 42 7, 26| 26 En de koning zond Nicanor, een van zijn 43 7, 33| brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.~ 44 7, 41| als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, 45 8, 6 | dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen 46 8, 8 | hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.~ 47 8, 31| aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, 48 9, 57| keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in 49 10, 1 | en hij regeerde daar als koning.~ 50 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat horende, vergaderde 51 10, 8 | als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om 52 10, 15| 15 En Alexander, de koning, horende de beloften, die 53 10, 18| 18 De koning Alexander wenst zijn broeder 54 10, 20| en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij 55 10, 25| hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk 56 10, 37| hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land 57 10, 44| worden uit de rekening van de koning.~ 58 10, 48| 48 En de koning Alexander vergaderde een 59 10, 51| Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die 60 10, 55| 55 En de koning Ptolomeüs antwoordde, en 61 10, 58| 58 En de koning Alexander ontmoette hem, 62 10, 59| 59 En de koning Alexander schreef aan Jonathan, 63 10, 61| te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~ 64 10, 62| 62 Maar de koning gebood dat men Jonathan 65 10, 62| hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;~ 66 10, 65| 65 En de koning verheerlijkte hem, en schreef 67 10, 88| het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord 68 11, 1 | 1 De koning van Egypte vergaderde veel 69 11, 2 | tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem 70 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, 71 11, 5 | veracht te maken; en de koning zweeg,~ 72 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote 73 11, 7 | En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, 74 11, 8 | 8 De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij 75 11, 9 | hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan, 76 11, 9 | Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk 77 11, 14| 14 En de koning Alexander was op die tijd 78 11, 16| beschermd zijn. Doch de koning Ptolomeüs werd verhoogd.~ 79 11, 18| 18 En de koning Ptolomeüs stierf de derde 80 11, 19| 19 En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste 81 11, 21| verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat 82 11, 24| vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond 83 11, 26| 26 Doch de koning deed hem, gelijk hem gedaan 84 11, 28| En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie 85 11, 29| 29 En de koning vond dat goed, en hij schreef 86 11, 30| 30 De koning Demetrius wenst zijn broeder 87 11, 33| koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen 88 11, 39| hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem 89 11, 40| Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, 90 11, 43| mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd 91 11, 43| kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.~ 92 11, 44| honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.~ 93 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het koninklijke 94 11, 46| 46 En de koning riep de Joden te hulp, en 95 11, 47| grote buit, en verlosten de koning.~ 96 11, 48| geworden, en riepen tot de koning met smeking,~ 97 11, 50| bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn 98 11, 51| 51 En de koning Demetrius ging zitten op 99 11, 53| kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke 100 12, 7 | hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze 101 12, 20| 20 Areüs, de koning der Spartiaten, wenst de 102 12, 39| Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een koninklijke 103 12, 39| zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~ 104 13, 31| bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, en doodde hem.~ 105 13, 32| 32 En regeerde als koning in zijn plaats; en zette 106 13, 34| mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land 107 13, 35| 35 En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze 108 13, 36| 36 De koning Demetrius wenst de hogepriester 109 14, 1 | honderdtweeënzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, 110 14, 2 | 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde 111 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde hem 112 15, 1 | Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven 113 15, 2 | van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de 114 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt, en al wat 115 15, 8 | schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, 116 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde hem, 117 15, 16| der Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed.~ 118 15, 22| hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, 119 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde Dora 120 15, 36| hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde 121 15, 36| wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote 122 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs tot een 123 15, 39| volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~ 124 15, 41| zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~ 125 16, 18| deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License