Chapter, Verse
1 1, 1 | Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen
2 1, 1 | had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren
3 1, 8 | En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf;
4 1, 11| Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome
5 1, 11| was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste
6 1, 14| volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om
7 1, 17| heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken.~
8 1, 19| aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs
9 1, 30| twee volle jaren zond de koning de oversten over de schattingen
10 1, 44| 44 En de koning schreef aan zijn ganse koninkrijk,
11 1, 47| 47 En de koning zond brieven door de hand
12 3, 26| 26 Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden
13 3, 27| 27 En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd
14 3, 37| 37 En de koning nam bij zich de helft der
15 3, 39| verderven, naar het woord van de koning.~
16 4, 27| uitgevallen, gelijk hem de koning bevolen had.~
17 6, 1 | 1 En de koning Antiochus, doorreizende
18 6, 2 | de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste
19 6, 8 | En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat
20 6, 15| halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~
21 6, 16| 16 En de koning Antiochus stierf aldaar,
22 6, 17| Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus,
23 6, 17| Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats,
24 6, 21| en zij reisden naar de koning en zeiden:~
25 6, 28| 28 En de koning werd toornig toen hij dit
26 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens vroeg,
27 6, 43| beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;~
28 6, 48| tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea,
29 6, 50| 50 En de koning nam Bethsura in, en stelde
30 6, 55| hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog
31 6, 55| op te voeden, totdat hij koning zou zijn,~
32 6, 57| aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van
33 6, 60| 60 Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond
34 6, 61| 61 En de koning en de oversten zwoeren hun
35 6, 62| 62 En de koning ging op de berg Sion, en
36 7, 1 | gelegen en regeerde daar als koning.~
37 7, 6 | beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn
38 7, 8 | 8 En de koning verkoos Bacchides, een vriend
39 7, 8 | in het koninkrijk, en de koning getrouw.~
40 7, 20| Bacchides trok heen naar de koning.~
41 7, 25| keerde hij weder tot de koning, en beschuldigde hen van
42 7, 26| 26 En de koning zond Nicanor, een van zijn
43 7, 33| brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.~
44 7, 41| als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren,
45 8, 6 | dezen Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen
46 8, 8 | hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.~
47 8, 31| aangaande het kwaad, hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet,
48 9, 57| keerde hij weder tot de koning, en het land Juda was in
49 10, 1 | en hij regeerde daar als koning.~
50 10, 2 | 2 En de koning Demetrius dat horende, vergaderde
51 10, 8 | als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om
52 10, 15| 15 En Alexander, de koning, horende de beloften, die
53 10, 18| 18 De koning Alexander wenst zijn broeder
54 10, 20| en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij
55 10, 25| hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk
56 10, 37| hun wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land
57 10, 44| worden uit de rekening van de koning.~
58 10, 48| 48 En de koning Alexander vergaderde een
59 10, 51| Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die
60 10, 55| 55 En de koning Ptolomeüs antwoordde, en
61 10, 58| 58 En de koning Alexander ontmoette hem,
62 10, 59| 59 En de koning Alexander schreef aan Jonathan,
63 10, 61| te beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~
64 10, 62| 62 Maar de koning gebood dat men Jonathan
65 10, 62| hetwelk zij deden; en de koning zette hem bij zich;~
66 10, 65| 65 En de koning verheerlijkte hem, en schreef
67 10, 88| het geschiedde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord
68 11, 1 | 1 De koning van Egypte vergaderde veel
69 11, 2 | tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem
70 11, 5 | 5 En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had,
71 11, 5 | veracht te maken; en de koning zweeg,~
72 11, 6 | 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote
73 11, 7 | En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus,
74 11, 8 | 8 De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij
75 11, 9 | hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Welaan,
76 11, 9 | Alexander heeft, en gij zult koning zijn over het koninkrijk
77 11, 14| 14 En de koning Alexander was op die tijd
78 11, 16| beschermd zijn. Doch de koning Ptolomeüs werd verhoogd.~
79 11, 18| 18 En de koning Ptolomeüs stierf de derde
80 11, 19| 19 En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste
81 11, 21| verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat
82 11, 24| vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond
83 11, 26| 26 Doch de koning deed hem, gelijk hem gedaan
84 11, 28| En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie
85 11, 29| 29 En de koning vond dat goed, en hij schreef
86 11, 30| 30 De koning Demetrius wenst zijn broeder
87 11, 33| koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen
88 11, 39| hij in zijns vaders plaats koning zou zijn; en verhaalde hem
89 11, 40| Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen,
90 11, 43| mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd
91 11, 43| kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst.~
92 11, 44| honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden.~
93 11, 45| 45 En de koning vluchtte op het koninklijke
94 11, 46| 46 En de koning riep de Joden te hulp, en
95 11, 47| grote buit, en verlosten de koning.~
96 11, 48| geworden, en riepen tot de koning met smeking,~
97 11, 50| bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn
98 11, 51| 51 En de koning Demetrius ging zitten op
99 11, 53| kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de koninklijke
100 12, 7 | hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat gij onze
101 12, 20| 20 Areüs, de koning der Spartiaten, wenst de
102 12, 39| Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een koninklijke
103 12, 39| zijn hand te slaan aan de koning Antiochus.~
104 13, 31| bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, en doodde hem.~
105 13, 32| 32 En regeerde als koning in zijn plaats; en zette
106 13, 34| mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land
107 13, 35| 35 En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze
108 13, 36| 36 De koning Demetrius wenst de hogepriester
109 14, 1 | honderdtweeënzeventigste jaar vergaderde de koning Demetrius zijn krijgsmacht,
110 14, 2 | 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde
111 14, 38| 38 En de koning Demetrius bevestigde hem
112 15, 1 | Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven
113 15, 2 | van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de
114 15, 8 | 8 En al wat gij de koning schuldig zijt, en al wat
115 15, 8 | schuldig zijt, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden,
116 15, 11| 11 En de koning Antiochus vervolgde hem,
117 15, 16| der Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed.~
118 15, 22| hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus,
119 15, 25| 25 En de koning Antiochus belegerde Dora
120 15, 36| hij keerde weder tot de koning met gramschap, en verhaalde
121 15, 36| wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote
122 15, 38| 38 En de koning stelde Cendebeüs tot een
123 15, 39| volk zou beoorlogen. En de koning vervolgde Tryfon.~
124 15, 41| zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast had.~ ~
125 16, 18| deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem krijgsvolk
|