Chapter, Verse
1 1, 1 | uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen
2 1, 2 | bemachtigde, en vele koningen der aarde versloeg;~
3 1, 3 | doortrok tot aan het uiterste der aarde, en grote buit verkreeg
4 1, 3 | buit verkreeg van menigte der volken, en dat het land
5 1, 7 | dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed
6 1, 11| honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.~
7 1, 14| en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen te
8 1, 15| een school naar de wetten der heidenen.~
9 1, 23| gereedschap, en de tafel der toonbroden, en de sprengbekers,
10 1, 27| verzwakt, en de schoonheid der vrouwen werd veranderd.~
11 1, 58| bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar,
12 1, 60| En verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat
13 1, 65| kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar
14 2, 7 | mijn volk, en de overlast der heilige stad, en om daar
15 2, 7 | overgegeven is in de hand der vijanden?~
16 2, 8 | heiligdom is in de hand der vreemdelingen. De tempel
17 2, 38| vee, tot duizend zielen der mensen.~
18 2, 42| vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, die sterk van
19 2, 48| bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en uit de hand
20 2, 48| heidenen, en uit de hand der koningen, en gaven de hoorn
21 2, 48| koningen, en gaven de hoorn der overwinning niet aan die
22 2, 49| kastijding, en nu is de tijd der verwoesting, en de grimmige
23 2, 60| eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~
24 2, 66| gijlieden zult de krijg der volken voeren.~
25 2, 68| en houdt u aan de geboden der wet.~
26 3, 6 | introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen
27 3, 7 | gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~
28 3, 9 | verbreid tot het uiterste der aarde, en hij vergaderde
29 3, 13| 13 En Seron, de overste der krijgsmachten van Syrië,
30 3, 19| bestaat niet in de menigte der macht, maar de kracht uit
31 3, 24| zijn gevloden naar het land der Filistijnen.~
32 3, 37| koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig
33 3, 41| van Syrië en van het land der vreemdelingen is bij hen
34 3, 45| vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen op de burcht
35 3, 48| 48 En breidden de boeken der wet uit, waarnaar de heidenen
36 4, 2 | vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens
37 4, 7 | En als zij nu het leger der heidenen zagen, dat sterk
38 4, 10| gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze
39 4, 22| allen gevloden naar het land der vreemdelingen.~
40 4, 30| gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt
41 4, 38| de bergen, en de kamers der priesters verwoest;~
42 4, 43| heiligdom, en namen de stenen der besmetting weg, en brachten
43 4, 49| kandelaar, en het altaar der brandoffers, en der reukwerken,
44 4, 49| altaar der brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~
45 4, 53| wet, op het nieuwe altaar der brandoffers, dat zij gemaakt
46 4, 56| en slachtende offeranden der behoudenis en des lofs.~
47 4, 57| de poorten, en de kamers der priesters, en maakten daar
48 4, 58| het volk, en de smaadheid der heidenen is afgekeerd.~
49 4, 59| bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar,
50 4, 59| de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden
51 5, 15| Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen, om ons uit
52 5, 31| aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel
53 5, 66| en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok door
54 5, 68| naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak
55 5, 68| en hij plunderde de roof der steden, en keerde weder
56 6, 29| koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk
57 6, 41| menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, want het
58 6, 62| Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed,
59 7, 5 | hem kwamen alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen
60 7, 8 | regeerde aan gene zijde der rivier, en groot was in
61 7, 37| zijn een huis des gebeds en der smeking;~
62 7, 43| strijden, op de dertiende dag der maand Adar, en het leger
63 8, 1 | En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig
64 8, 4 | koningen, die van het uiterste der aarde tegen hen gekomen
65 8, 18| overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid
66 8, 20| zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden,
67 8, 22| gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:~
68 8, 23| de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, te water
69 8, 24| tegen enige, die gemeenschap der wapenen met hen hebben,
70 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid
71 8, 27| volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen
72 8, 29| de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~
73 9, 23| Judas, dat alle verbrekers der wet in de landpalen van
74 9, 46| hemel, dat gij uit de handen der vijanden moogt behouden
75 9, 54| en hij verbrak de werken der profeten, en hij begon het
76 9, 58| 58 En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden:
77 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde
78 10, 25| Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.~
79 10, 30| 30 En van de helft der boomvruchten, die ik behoor
80 10, 33| 33 En alle ziel der Joden, die uit het land
81 10, 50| de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius
82 10, 61| mannen uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen.
83 10, 71| want bij mij is de macht der steden.~
84 10, 89| is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden,
85 11, 1 | is het zand aan de oever der zee en vele schepen, en
86 11, 25| goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden hem.~
87 11, 30| broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~
88 11, 32| voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden
89 11, 33| hen ontving van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.~
90 11, 45| stad namen de toegangen der stad in, en begonnen hem
91 11, 67| 67 En ziet, het leger der vreemden ontmoette hem in
92 12, 3 | hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden,
93 12, 6 | priesters, en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten,
94 12, 19| 19 Dit is het afschrift der brieven, die zij aan Onias
95 12, 20| 20 Areüs, de koning der Spartiaten, wenst de hogepriester
96 13, 5 | zou sparen in enige tijd der verdrukking, want ik ben
97 13, 36| hogepriester Simon, de vriend der koningen, en de ouderlingen,
98 13, 41| honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van Israël weggenomen.~
99 13, 42| veldoverste, en leidsman der Joden.~
100 14, 5 | hij maakte dat de eilanden der zee een ingang vonden.~
101 14, 10| genoemd werd tot het uiterste der aarde.~
102 14, 14| nam weg alle verbrekers der wet en alle bozen.~
103 14, 19| En dit is het afschrift der brieven, die de Spartiaten
104 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen Simon,
105 14, 20| priesters, en het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~
106 14, 22| Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen
107 14, 23| verordineerd, opdat het volk der Spartiaten daarvan gedachtenis
108 14, 24| verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.~
109 14, 28| in de grote vergadering der priesters en van het volk,
110 14, 28| oversten van het volk, en der ouderlingen van het land,
111 14, 32| bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van zijn volk,
112 14, 33| waar tevoren de wapenen der vijanden geweest waren,
113 14, 47| en overste van het volk der Joden, en der priesters,
114 14, 47| van het volk der Joden, en der priesters, en over allen
115 15, 1 | brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester
116 15, 1 | de priester en overste der Joden, en aan al het volk;~
117 15, 2 | en overste, en het volk der Joden voorspoed.~
118 15, 16| 16 Lucius, burgemeester der Romeinen, wenst aan koning
119 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen,
120 15, 17| vriendschap en gemeenschap der wapenen, gezonden door Simon,
121 15, 17| hogepriester, en door het volk der Joden;~
122 15, 31| hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog andere vijfhonderd
123 16, 2 | van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de
124 16, 3 | jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij
|