Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
delos 1
demetrius 39
denken 1
der 124
derde 3
dergenen 1
dertiende 2
Frequency    [«  »]
134 ons
126 al
125 koning
124 der
118 naar
117 deze
111 land

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

der

    Chapter, Verse
1 1, 1 | uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen 2 1, 2 | bemachtigde, en vele koningen der aarde versloeg;~ 3 1, 3 | doortrok tot aan het uiterste der aarde, en grote buit verkreeg 4 1, 3 | buit verkreeg van menigte der volken, en dat het land 5 1, 7 | dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met hem opgevoed 6 1, 11| honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.~ 7 1, 14| en hij gaf hun macht om der heidenen inzettingen te 8 1, 15| een school naar de wetten der heidenen.~ 9 1, 23| gereedschap, en de tafel der toonbroden, en de sprengbekers, 10 1, 27| verzwakt, en de schoonheid der vrouwen werd veranderd.~ 11 1, 58| bouwden zij een gruwel der verwoesting op het reukaltaar, 12 1, 60| En verbrandden de boeken der wet, die zij vonden, nadat 13 1, 65| kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar 14 2, 7 | mijn volk, en de overlast der heilige stad, en om daar 15 2, 7 | overgegeven is in de hand der vijanden?~ 16 2, 8 | heiligdom is in de hand der vreemdelingen. De tempel 17 2, 38| vee, tot duizend zielen der mensen.~ 18 2, 42| vergaderde bij hen de vergadering der Asideeën, die sterk van 19 2, 48| bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en uit de hand 20 2, 48| heidenen, en uit de hand der koningen, en gaven de hoorn 21 2, 48| koningen, en gaven de hoorn der overwinning niet aan die 22 2, 49| kastijding, en nu is de tijd der verwoesting, en de grimmige 23 2, 60| eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~ 24 2, 66| gijlieden zult de krijg der volken voeren.~ 25 2, 68| en houdt u aan de geboden der wet.~ 26 3, 6 | introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen 27 3, 7 | gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~ 28 3, 9 | verbreid tot het uiterste der aarde, en hij vergaderde 29 3, 13| 13 En Seron, de overste der krijgsmachten van Syrië, 30 3, 19| bestaat niet in de menigte der macht, maar de kracht uit 31 3, 24| zijn gevloden naar het land der Filistijnen.~ 32 3, 37| koning nam bij zich de helft der krijgsmachten die overig 33 3, 41| van Syrië en van het land der vreemdelingen is bij hen 34 3, 45| vertreden werd, en de kinderen der vreemdelingen op de burcht 35 3, 48| 48 En breidden de boeken der wet uit, waarnaar de heidenen 36 4, 2 | vallen zouden op het leger der Joden, en hen onvoorziens 37 4, 7 | En als zij nu het leger der heidenen zagen, dat sterk 38 4, 10| gedenke aan het verbond der vaderen; en hij zal op deze 39 4, 22| allen gevloden naar het land der vreemdelingen.~ 40 4, 30| gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen gegeven hebt 41 4, 38| de bergen, en de kamers der priesters verwoest;~ 42 4, 43| heiligdom, en namen de stenen der besmetting weg, en brachten 43 4, 49| kandelaar, en het altaar der brandoffers, en der reukwerken, 44 4, 49| altaar der brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~ 45 4, 53| wet, op het nieuwe altaar der brandoffers, dat zij gemaakt 46 4, 56| en slachtende offeranden der behoudenis en des lofs.~ 47 4, 57| de poorten, en de kamers der priesters, en maakten daar 48 4, 58| het volk, en de smaadheid der heidenen is afgekeerd.~ 49 4, 59| bepaalden dat de dagen der inwijding van het altaar, 50 4, 59| de vijfentwintigste dag der maand Chasleu, zouden gehouden 51 5, 15| Sidon, met het ganse Galilea der vreemdelingen, om ons uit 52 5, 31| aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de hemel 53 5, 66| en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok door 54 5, 68| naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak 55 5, 68| en hij plunderde de roof der steden, en keerde weder 56 6, 29| koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk 57 6, 41| menigte, en het gedruis der wapenen hoorden, want het 58 6, 62| Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak de eed, 59 7, 5 | hem kwamen alle verbrekers der wet, en goddeloze mannen 60 7, 8 | regeerde aan gene zijde der rivier, en groot was in 61 7, 37| zijn een huis des gebeds en der smeking;~ 62 7, 43| strijden, op de dertiende dag der maand Adar, en het leger 63 8, 1 | En Judas hoorde de naam der Romeinen, dat zij machtig 64 8, 4 | koningen, die van het uiterste der aarde tegen hen gekomen 65 8, 18| overmits zij zagen dat het rijk der Grieken Israël tot een dienstbaarheid 66 8, 20| zijn broeders en de menigte der Joden hebben ons tot u gezonden, 67 8, 22| gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:~ 68 8, 23| de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan, te water 69 8, 24| tegen enige, die gemeenschap der wapenen met hen hebben, 70 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid 71 8, 27| volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou mogen 72 8, 29| de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~ 73 9, 23| Judas, dat alle verbrekers der wet in de landpalen van 74 9, 46| hemel, dat gij uit de handen der vijanden moogt behouden 75 9, 54| en hij verbrak de werken der profeten, en hij begon het 76 9, 58| 58 En al de verbrekers der wet hielden raad, en zeiden: 77 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde 78 10, 25| Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.~ 79 10, 30| 30 En van de helft der boomvruchten, die ik behoor 80 10, 33| 33 En alle ziel der Joden, die uit het land 81 10, 50| de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius 82 10, 61| mannen uit Israël, verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. 83 10, 71| want bij mij is de macht der steden.~ 84 10, 89| is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, 85 11, 1 | is het zand aan de oever der zee en vele schepen, en 86 11, 25| goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden hem.~ 87 11, 30| broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~ 88 11, 32| voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden 89 11, 33| hen ontving van het gewas der aarde, en van de boomvruchten.~ 90 11, 45| stad namen de toegangen der stad in, en begonnen hem 91 11, 67| 67 En ziet, het leger der vreemden ontmoette hem in 92 12, 3 | hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden, 93 12, 6 | priesters, en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten, 94 12, 19| 19 Dit is het afschrift der brieven, die zij aan Onias 95 12, 20| 20 Areüs, de koning der Spartiaten, wenst de hogepriester 96 13, 5 | zou sparen in enige tijd der verdrukking, want ik ben 97 13, 36| hogepriester Simon, de vriend der koningen, en de ouderlingen, 98 13, 41| honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van Israël weggenomen.~ 99 13, 42| veldoverste, en leidsman der Joden.~ 100 14, 5 | hij maakte dat de eilanden der zee een ingang vonden.~ 101 14, 10| genoemd werd tot het uiterste der aarde.~ 102 14, 14| nam weg alle verbrekers der wet en alle bozen.~ 103 14, 19| En dit is het afschrift der brieven, die de Spartiaten 104 14, 20| 20 De overste en de stad der Spartiaten wensen Simon, 105 14, 20| priesters, en het andere volk der Joden, hun broeders, voorspoed.~ 106 14, 22| Antipater, Jasons zoon, gezanten der Joden, zijn tot ons gekomen 107 14, 23| verordineerd, opdat het volk der Spartiaten daarvan gedachtenis 108 14, 24| verbond van gemeenschap der wapenen te bevestigen.~ 109 14, 28| in de grote vergadering der priesters en van het volk, 110 14, 28| oversten van het volk, en der ouderlingen van het land, 111 14, 32| bestelde wapenen voor de mannen der krijgsmacht van zijn volk, 112 14, 33| waar tevoren de wapenen der vijanden geweest waren, 113 14, 47| en overste van het volk der Joden, en der priesters, 114 14, 47| van het volk der Joden, en der priesters, en over allen 115 15, 1 | brieven van de eilanden der zee aan Simon, de priester 116 15, 1 | de priester en overste der Joden, en aan al het volk;~ 117 15, 2 | en overste, en het volk der Joden voorspoed.~ 118 15, 16| 16 Lucius, burgemeester der Romeinen, wenst aan koning 119 15, 17| 17 De gezanten der Joden zijn tot ons gekomen, 120 15, 17| vriendschap en gemeenschap der wapenen, gezonden door Simon, 121 15, 17| hogepriester, en door het volk der Joden;~ 122 15, 31| hebt, en voor de tollen der plaatsen, nog andere vijfhonderd 123 16, 2 | van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot op de 124 16, 3 | jaren bekwaam tot dit werk der barmhartigheid. Wees gij


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License