Chapter, Verse
1 1, 14| waren volvaardig en trokken naar de koning, en hij gaf hun
2 1, 15| te Jeruzalem een school naar de wetten der heidenen.~
3 1, 22| 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem, met
4 1, 24| genomen hebbende trok hij naar zijn land.~
5 1, 43| Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was,
6 1, 45| alle volken namen het aan, naar het woord des konings.~
7 1, 47| dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten des lands;~
8 1, 53| 53 Zo wie niet zou doen naar dit woord des konings, die
9 1, 54| 54 Naar al deze woorden heeft hij
10 1, 61| toestond, die doodden zij naar het bevel des konings, door
11 1, 64| lieten besnijden, doodden zij naar des konings bevel;~
12 2, 23| op het altaar te Modin, naar het bevel des konings.~
13 2, 28| hij en zijn zonen vloden naar de bergen, en lieten al
14 2, 29| het recht zochten, heen naar de woestijn;~
15 2, 33| dat gij uitkomt, en doet naar het woord des konings, en
16 2, 44| de overgeblevenen vloden naar de heidenen om behouden
17 3, 24| de overigen zijn gevloden naar het land der Filistijnen.~
18 3, 31| nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de schattingen
19 3, 39| Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning.~
20 3, 56| ieder dezer zou wederkeren naar zijn huis, volgens de wet.~
21 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil
22 4, 22| 22 Zo zijn allen gevloden naar het land der vreemdelingen.~
23 4, 35| leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk
24 4, 37| vergaderd, en zij gingen op naar de berg Sion.~
25 4, 47| zij namen gehele stenen naar de wet, en zij bouwden een
26 4, 47| bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste.~
27 4, 53| 53 En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar
28 5, 6 | 6 En vandaar toog hij naar de kinderen van Ammon, en
29 5, 20| toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas
30 5, 20| achtduizend man om te trekken naar Galaäditis.~
31 5, 21| 21 En Simon trok naar Galilea, en hij leverde
32 5, 28| weder met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra,
33 5, 28| de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam
34 5, 29| nachts, en trok alsof hij naar de sterkte wilde gaan.~
35 5, 35| 35 En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar,
36 5, 54| 54 En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde
37 5, 61| 61 Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broeders,
38 5, 68| 68 En Judas week naar Azote, in het land der vreemdelingen,
39 5, 68| steden, en keerde weder naar het land Juda.~ ~
40 6, 4 | droefheid, en keerde weder naar Babylon.~
41 6, 5 | Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken
42 6, 21| bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:~
43 6, 40| de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in
44 6, 48| waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning
45 6, 59| dat zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk tevoren.
46 6, 63| vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar
47 7, 1 | ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen
48 7, 2 | geschiedde, toen hij ging naar het koninklijke huis zijner
49 7, 11| 11 Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij
50 7, 16| hij doodde hen op een dag, naar de woorden die de Psalmist
51 7, 20| en Bacchides trok heen naar de koning.~
52 7, 33| deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen
53 7, 42| gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~
54 8, 17| Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap
55 8, 19| 19 En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer
56 8, 22| schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen
57 8, 30| zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en
58 9, 1 | ten tweeden male te zenden naar het land Juda, en met de
59 9, 2 | zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden
60 9, 4 | zij braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend
61 9, 40| de overgeblevenen vloden naar de berg; en zij kregen al
62 9, 47| slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~
63 9, 49| man, en hij keerde weder naar Jeruzalem.~
64 9, 62| met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn
65 9, 71| nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer
66 9, 72| wedergekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft
67 10, 13| verliet zijn plaats, en trok naar zijn land.~
68 10, 37| en zij zullen wandelen naar hun wetten, gelijk ook de
69 10, 60| reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette
70 10, 66| En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem met vrede, en
71 10, 68| bedroefd, en keerde weder naar Antiochië.~
72 10, 78| 78 En hij trok naar Azote, alsof hij daar door
73 10, 78| reizen, en meteen trok bij naar het vlakke veld, omdat hij
74 10, 79| vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten
75 10, 83| het vlakke veld, en vloden naar Azote, en begaven zich in
76 10, 87| En Jonathan keerde weder naar Jeruzalem, met degenen die
77 11, 7 | Eleutherus, en keerde weder naar Jeruzalem.~
78 11, 16| 16 En Alexander vlood naar Arabië, opdat hij daar mocht
79 11, 21| verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten
80 11, 24| zeer vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs,
81 11, 37| krijgsvolk laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgenomen
82 11, 38| Demetrius murmureerde, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die
83 11, 43| 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend kloeke
84 11, 50| waren; en zij keerden weder naar Jeruzalem, hebbende grote
85 11, 52| en hij vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem
86 11, 60| 60 En hij vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza
87 11, 61| gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde
88 11, 66| morgens vroeg trokken zij naar het vlakke veld Nazor.~
89 11, 73| en Jonathan keerde weder naar Jeruzalem.~ ~
90 12, 1 | verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap
91 12, 3 | 3 En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad,
92 12, 23| u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.~
93 12, 31| 31 En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën,
94 12, 32| En optrekkende, kwam hij naar Damaskus, en trok door het
95 12, 33| naaste sterkten, en week heen naar Joppe, en nam het in.~
96 12, 45| Nu dan zend dezen weder naar hun huizen, en verkies uzelf
97 12, 46| krijgsvolk heen, en zij trokken naar het land van Juda.~
98 12, 49| krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en
99 12, 49| het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om
100 13, 1 | bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het
101 13, 2 | bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en vergaderde
102 13, 11| met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit
103 13, 20| nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn
104 13, 22| niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis.~
105 13, 24| Tryfon keerde weder, en trok naar zijn land.~
106 13, 34| enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat
107 13, 46| Wil met ons niet handelen naar onze boosheid, maar naar
108 13, 46| naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid.~
109 14, 1 | zijn krijgsmacht, en trok naar Medië, om hulp bijeen te
110 14, 24| deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich
111 14, 46| te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen.~
112 15, 10| is Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen,
113 15, 21| hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet.~
114 15, 37| in een schip, en vluchtte naar Orthosias.~
115 16, 5 | vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet,
116 16, 8 | overgeblevenen vluchtten naar de sterkte.~
117 16, 10| man, en hij keerde weder naar het land Juda met vrede.~
118 16, 19| 19 En hij zond anderen naar Gazara, om Johannes om te
|