Chapter, Verse
1 1, 6 | 6 En na deze viel hij te bed; en wetende
2 1, 12| 12 In deze dagen gingen uit Israël
3 1, 35| en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht.~
4 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het
5 1, 54| 54 Naar al deze woorden heeft hij geschreven
6 2, 12| verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd.~
7 2, 17| wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van
8 2, 23| 23 En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam
9 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden waren,
10 2, 64| de wet, want gij zult in deze verheerlijkt worden.~
11 2, 66| van zijn jonkheid aan, deze zal uw krijgsoverste wezen,
12 3, 17| wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben?~
13 3, 27| toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij
14 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering weder oprichten,
15 3, 55| 55 En na deze stelde Judas oversten des
16 3, 58| morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd
17 4, 5 | bergen; want, zeide hij, deze vlieden voor ons.~
18 4, 7 | ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de krijg wèl ervaren),~
19 4, 10| der vaderen; en hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht
20 4, 46| te antwoorden wat men met deze doen zou.~
21 4, 51| voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen
22 4, 52| vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in
23 4, 54| dat ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met
24 4, 56| 56 En zij hielden deze inwijding van het altaar
25 5, 14| 14 Toen deze brieven nog gelezen werden,
26 5, 14| en boodschapten volgens deze woorden.~
27 5, 16| Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd
28 5, 26| te Maked, en Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot;~
29 5, 28| al hun roof en verbrandde deze stad met vuur.~
30 5, 32| 32 Strijdt deze dag voor uw broeders.~
31 5, 37| 37 En na deze zaken vergaderde Timotheüs
32 6, 3 | maar hij kon niet, omdat deze zaak de lieden van die stad
33 6, 8 | geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij
34 6, 13| om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen hebben;
35 6, 19| 19 Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde
36 6, 26| 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen
37 6, 26| burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen,
38 6, 27| meerdere dingen doen dan deze, en gij zult hen niet kunnen
39 6, 36| 36 Deze waren altijd daar, waar
40 6, 37| 37 En op deze olifanten waren houten en
41 6, 38| ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.~
42 6, 46| en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel
43 6, 58| 58 Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven,
44 6, 59| toornig geworden, en hebben al deze dingen gedaan.~
45 6, 60| 60 Deze rede behaagde de koning
46 6, 61| de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit
47 7, 3 | 3 En als hem deze zaak bekend werd, zeide
48 7, 30| 30 En deze zaak werd Judas bekend,
49 7, 33| 33 En na deze zaak ging Nicanor op naar
50 7, 38| 38 Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger,
51 7, 43| zelf was de eerste, die in deze strijd viel.~
52 8, 9 | en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was
53 8, 10| hadden gebracht, tot op deze dag toe;~
54 8, 14| 14 En dat in deze allen niemand van hen een
55 8, 16| hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en
56 8, 21| 21 En deze rede was aangenaam voor
57 8, 26| goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden,
58 8, 27| 27 En volgens deze, zo het volk der Joden eerst
59 8, 28| goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en
60 8, 29| 29 Volgens deze woorden maakten de Romeinen
61 8, 30| 30 En indien na deze woorden deze of gene iets
62 8, 30| En indien na deze woorden deze of gene iets zullen willen
63 9, 37| 37 En na deze zaken werd aan Jonathan
64 9, 60| overmits dat hun raad aan deze bekend werd.~
65 9, 61| die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen
66 9, 69| toornig in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem
67 10, 7 | te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van
68 10, 17| en zond die aan hem, van deze inhoud:~
69 10, 20| 20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van
70 10, 22| 22 Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd,
71 10, 25| 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius
72 10, 30| ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat
73 10, 30| van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen
74 10, 34| drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden,
75 10, 42| 42 En boven deze, de vijfduizend sikkelen
76 10, 46| nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden
77 10, 49| 49 En deze twee koningen begonnen te
78 10, 51| Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden:~
79 10, 74| 74 Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde,
80 10, 88| toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat
81 11, 12| dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van
82 11, 20| te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld.~
83 11, 29| Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze
84 11, 29| deze dingen, zijnde van deze inhoud:~
85 11, 34| kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen vergunnen wij hun,
86 11, 35| 35 En geen ding van deze alle zal van nu aan tot
87 11, 36| nu dat een afschrift van deze alle gemaakt worde, en laat
88 11, 39| hield bij hem aan, dat bij deze aan hem zou overgeven, opdat
89 11, 53| 53 En na deze is Tryfon wedergekeerd,
90 12, 14| bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastig
91 12, 22| 22 En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben,
92 12, 23| dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.~
93 13, 7 | des volks op, doordat zij deze woorden hoorden.~
94 13, 20| 20 En na deze kwam Tryfon, om in het land
95 13, 29| 29 En bij deze maakte hij enige instrumenten,
96 13, 29| een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen,
97 13, 30| Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.~
98 13, 35| koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem,
99 13, 44| 44 En die in deze stormtoren waren sprongen
100 14, 3 | 3 Deze trok heen en sloeg het leger
101 14, 19| 19 En deze brieven werden gelezen voor
102 14, 24| 24 Na deze zond Simon Numenius naar
103 14, 25| 25 Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij:
104 14, 35| hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de
105 14, 37| 37 En in deze burcht stelde Simon Joodse
106 14, 37| te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het
107 14, 44| geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen
108 14, 45| Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan hebben,
109 14, 46| bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen.~
110 15, 2 | 2 En deze waren van de volgende inhoud:
111 15, 15| aan de landen, in welke deze dingen geschreven waren:~
112 15, 35| nochtans zullen wij voor deze geven honderd talenten;
113 15, 36| gramschap, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid
114 16, 3 | geworden, en gij zijt nu in deze uw jaren bekwaam tot dit
115 16, 14| jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat.~
116 16, 18| 18 Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning,
117 16, 24| 24 Ziet, deze zijn geschreven in de boeken
|