Chapter, Verse
1 1, 1 | Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog, Darius
2 1, 3 | menigte der volken, en dat het land voor hem stil was.~
3 1, 10| vermenigvuldigden de ellenden in het land.~
4 1, 20| de sterke steden in het land van Egypte, en hij kreeg
5 1, 24| hebbende trok hij naar zijn land.~
6 1, 29| 29 En het land beefde over degenen die
7 1, 56| deden veel kwaad in het land;~
8 3, 24| overigen zijn gevloden naar het land der Filistijnen.~
9 3, 29| en dat degenen die in het land de schattingen vergaderden,
10 3, 29| de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee
11 3, 36| landpalen, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven.~
12 3, 39| ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven,
13 3, 40| Emmanaüs, in het vlakke land.~
14 3, 41| macht van Syrië en van het land der vreemdelingen is bij
15 4, 22| allen gevloden naar het land der vreemdelingen.~
16 5, 3 | Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij
17 5, 45| leger, om te komen in het land van Juda.~
18 5, 50| 50 Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen
19 5, 50| doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal ulieden
20 5, 53| totdat hij kwam in het land van Juda.~
21 5, 65| kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt,
22 5, 66| opgebroken en getrokken in het land der vreemdelingen, en trok
23 5, 68| week naar Azote, in het land der vreemdelingen, en verbrak
24 5, 68| en keerde weder naar het land Juda.~ ~
25 6, 5 | de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren,
26 6, 13| droefheid in een vreemd land.~
27 7, 6 | vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~
28 7, 7 | gedaan heeft, en aan het land des konings, en dat hij
29 7, 10| grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden
30 7, 20| stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem krijgsvolk,
31 7, 22| en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een
32 7, 24| tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen.~
33 7, 50| 50 En het land van Juda was enige dagen
34 8, 3 | zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen
35 8, 8 | 8 En te geven het land van Indië, en Medië, en
36 8, 10| geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun
37 8, 16| en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene
38 8, 23| welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard
39 8, 32| aannemen te water en te land.~ ~
40 9, 1 | male te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel
41 9, 24| grote hongersnood, en het land viel af met hen.~
42 9, 57| weder tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren.~
43 9, 65| en hij trok uit in het land, en kwam weder met een groot
44 9, 69| geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden
45 9, 69| ook een raad om uit hun land te trekken.~
46 9, 72| die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen;
47 9, 72| zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weder
48 10, 13| plaats, en trok naar zijn land.~
49 10, 30| gij die ontvangt van het land Juda, en van die streken,
50 10, 30| daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea,
51 10, 33| ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn
52 10, 37| koning bepaald heeft in het land Juda.~
53 10, 38| drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd
54 10, 39| De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk
55 10, 52| wedergekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en
56 10, 55| zijt wedergekeerd in het land uwer vaderen, en gezeten
57 10, 67| het eiland Creta, in het land zijner vaderen.~
58 10, 72| zijn geslagen in hun eigen land.~
59 11, 28| de drie streken, en het land van Samarië vrij zou maken,
60 11, 33| en Ramatha, welke van het land van Samarië gevoegd zijn
61 11, 37| Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was,
62 11, 51| zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte.~
63 11, 61| Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.~
64 11, 62| krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~
65 11, 63| zijn broeder Simon in het land.~
66 12, 4 | vrede zouden geleiden in het land Juda.~
67 12, 25| hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun
68 12, 25| hun geen tijd om in zijn land te vallen.~
69 12, 32| en trok door het ganse land.~
70 12, 33| toog uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot
71 12, 46| en zij trokken naar het land van Juda.~
72 12, 49| krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het
73 12, 52| zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan,
74 13, 1 | bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het te verdrukken;~
75 13, 12| om met grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan
76 13, 20| deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te
77 13, 24| weder, en trok naar zijn land.~
78 13, 32| een grote plaag over het land.~
79 13, 34| koning Demetrius, dat hij het land vrijdom zou willen geven,
80 13, 49| uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen,
81 14, 4 | 4 Het land was in rust al de dagen
82 14, 6 | landpalen, en bemachtigde het land.~
83 14, 8 | Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf
84 14, 8 | zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen
85 14, 11| Hij maakte vrede in het land en Israël verheugde zich
86 14, 13| bestreden hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld
87 14, 17| geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden
88 14, 28| der ouderlingen van het land, is ons bekend geworden,
89 14, 28| geworden, dewijl in het land dikwijls oorlogen zijn ontstaan:~
90 14, 31| Als hun vijanden in hun land wilden invallen, om hun
91 14, 31| wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun handen
92 14, 36| dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in
93 14, 37| tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok
94 14, 42| zouden worden die over het land en over de wapenen en over
95 14, 43| alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven
96 14, 44| enige vergadering in het land te vergaderen zonder hem,
97 15, 4 | 4 En ik wil in het land komen, opdat ik degenen,
98 15, 4 | opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden
99 15, 6 | munt moogt slaan voor uw land.~
100 15, 10| Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen, en al de
101 15, 14| en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand
102 15, 29| verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht,
103 15, 33| tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen,
104 15, 35| gebracht, en ook aan ons land, nochtans zullen wij voor
105 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land twintigduizend strijdbare
106 16, 10| in de torens, die in het land van Azote waren; en hij
107 16, 10| hij keerde weder naar het land Juda met vrede.~
108 16, 11| overste over het vlakke land van Jericho, en hij had
109 16, 13| verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen, en hij wilde
110 16, 14| trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij
111 16, 18| zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren.~
|