Chapter, Verse
1 1, 19| hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning van
2 1, 38| heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger
3 2, 26| gelijk eertijds Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~
4 2, 32| hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen
5 2, 32| hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag
6 2, 35| zij haastten met de strijd tegen hen.~
7 2, 36| en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen
8 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om te strijden op de
9 2, 40| wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven
10 2, 41| daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag
11 2, 41| dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat
12 3, 10| Samarië een grote macht, om tegen Israël krijg te voeren.~
13 3, 17| weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte,
14 3, 20| 20 Dezen komen tegen ons, om door een menigte
15 3, 35| het krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël
16 3, 52| En zie, de heidenen zijn tegen ons vergaderd om ons te
17 3, 52| vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~
18 3, 57| opgebroken, en zij legerden zich tegen het zuiden van Emmaüs.~
19 3, 58| mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten
20 3, 58| morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd
21 3, 58| heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen
22 4, 12| ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~
23 4, 17| onze bestrijders zijn nog tegen ons;~
24 4, 18| nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt
25 4, 29| Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.~
26 4, 61| volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.~ ~
27 5, 5 | torens, en legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met
28 5, 9 | waren, vergaderden te zamen tegen de Israëlieten, die in hun
29 5, 11| die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd,
30 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd waren
31 5, 19| en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij
32 5, 21| leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde
33 5, 27| anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te
34 5, 40| overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan,
35 5, 43| eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk
36 5, 58| hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~
37 5, 59| de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.~
38 5, 65| van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij
39 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden,
40 6, 20| honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap en
41 6, 25| hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun
42 6, 25| alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~
43 6, 26| deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem,
44 6, 31| Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele
45 6, 33| in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia,
46 6, 51| En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen,
47 6, 52| instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten
48 6, 63| regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met
49 7, 42| overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben
50 8, 2 | daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen
51 8, 4 | van het uiterste der aarde tegen hen gekomen waren, totdat
52 8, 5 | koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de
53 8, 6 | Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken,
54 8, 10| Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en
55 8, 24| zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die
56 8, 24| ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap der
57 8, 31| hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan
58 8, 32| zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht
59 8, 32| zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water
60 9, 8 | ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen
61 9, 9 | weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo
62 9, 10| achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.~
63 9, 11| uit hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was
64 9, 13| legers beefde, en zij vochten tegen elkander van des morgens
65 9, 29| gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides,
66 9, 29| trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen,
67 9, 29| en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn
68 9, 40| zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden hen, en
69 9, 48| gingen niet over de Jordaan tegen hen.~
70 9, 64| hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed
71 9, 68| 68 En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door
72 10, 2 | krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~
73 10, 4 | vrede make met Alexander tegen ons;~
74 10, 5 | zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen
75 10, 5 | tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen
76 10, 5 | tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.~
77 10, 35| Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van
78 10, 48| krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.~
79 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden, en hij
80 10, 61| 61 En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen
81 10, 70| Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil
82 10, 70| waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?~
83 10, 73| zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote
84 10, 75| 75 En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem
85 10, 86| vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad
86 11, 8 | de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.~
87 11, 15| Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs
88 11, 20| Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van
89 11, 37| daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij
90 11, 38| ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde
91 11, 40| uitwerpen, want zij streden tegen Israël.~
92 11, 54| afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd
93 11, 66| legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en
94 11, 67| zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en
95 12, 24| macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,~
96 12, 40| en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo
97 12, 42| krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~
98 13, 14| broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot
99 13, 20| en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij
100 14, 7 | er was niemand, die zich tegen hem stelde.~
101 14, 29| vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom
102 14, 31| hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~
103 14, 44| deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem
104 14, 45| 45 Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan
105 15, 13| En Antiochus legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend
106 15, 25| dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende
107 15, 39| dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem
108 16, 4 | ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te
109 16, 13| hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om
|