Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
te 355
tefo 1
tegemoet 18
tegen 109
tegengehouden 1
tegenhouden 1
tegenover 7
Frequency    [«  »]
117 deze
111 land
110 grote
109 tegen
107 volk
103 is
101 uit

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

tegen

    Chapter, Verse
1 1, 19| hij stelde de krijg aan tegen Ptolomeüs, de koning van 2 1, 38| heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger 3 2, 26| gelijk eertijds Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~ 4 2, 32| hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen 5 2, 32| hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op de dag 6 2, 35| zij haastten met de strijd tegen hen.~ 7 2, 36| en wierpen niet een steen tegen hen, en stopten de holen 8 2, 38| 38 En zij stonden op tegen hen om te strijden op de 9 2, 40| wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven 10 2, 41| daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag 11 2, 41| dag des sabbats, laat ons tegen hem ook strijden, en laat 12 3, 10| Samarië een grote macht, om tegen Israël krijg te voeren.~ 13 3, 17| weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, 14 3, 20| 20 Dezen komen tegen ons, om door een menigte 15 3, 35| het krijgsvolk zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël 16 3, 52| En zie, de heidenen zijn tegen ons vergaderd om ons te 17 3, 52| vernielen. Gij weet wat zij tegen ons denken.~ 18 3, 57| opgebroken, en zij legerden zich tegen het zuiden van Emmaüs.~ 19 3, 58| mannen, en weest gereed tegen de morgenstond om te vechten 20 3, 58| morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die vergaderd 21 3, 58| heidenen, die vergaderd zijn tegen ons, om ons te vernielen 22 4, 12| ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen;~ 23 4, 17| onze bestrijders zijn nog tegen ons;~ 24 4, 18| nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt 25 4, 29| Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen.~ 26 4, 61| volk een sterkte zou hebben tegen Idumeä.~ ~ 27 5, 5 | torens, en legerde zich tegen hen, en hij sloeg hen met 28 5, 9 | waren, vergaderden te zamen tegen de Israëlieten, die in hun 29 5, 11| die rondom ons zijn, zijn tegen ons te zamen vergaderd, 30 5, 15| 15 Zeggende, dat tegen hem velen vergaderd waren 31 5, 19| en begint de strijd niet tegen de heidenen, totdat wij 32 5, 21| leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde 33 5, 27| anderen daags te legeren tegen de sterkten, en die in te 34 5, 40| overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, 35 5, 43| eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk 36 5, 58| hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~ 37 5, 59| de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden.~ 38 5, 65| van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij 39 6, 4 | 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, 40 6, 20| honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen hen stormgereedschap en 41 6, 25| hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun 42 6, 25| alleen tegen ons, maar ook tegen al hun landpalen.~ 43 6, 26| deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, 44 6, 31| Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele 45 6, 33| in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, 46 6, 51| En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, 47 6, 52| instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten 48 6, 63| regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad in met 49 7, 42| overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben 50 8, 2 | daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen 51 8, 4 | van het uiterste der aarde tegen hen gekomen waren, totdat 52 8, 5 | koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de 53 8, 6 | Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, 54 8, 10| Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en 55 8, 24| zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die 56 8, 24| ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap der 57 8, 31| hetwelk de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan 58 8, 32| zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht 59 8, 32| zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water 60 9, 8 | ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen 61 9, 9 | weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo 62 9, 10| achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.~ 63 9, 11| uit hun leger, en stond tegen hen, en de ruiterij was 64 9, 13| legers beefde, en zij vochten tegen elkander van des morgens 65 9, 29| gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, 66 9, 29| trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, 67 9, 29| en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn 68 9, 40| zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden hen, en 69 9, 48| gingen niet over de Jordaan tegen hen.~ 70 9, 64| hij kwam en legerde zich tegen Bethbasi, en hij bestreed 71 9, 68| 68 En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door 72 10, 2 | krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden.~ 73 10, 4 | vrede make met Alexander tegen ons;~ 74 10, 5 | zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen 75 10, 5 | tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broeders, en tegen 76 10, 5 | tegen zijn broeders, en tegen zijn volk.~ 77 10, 35| Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van 78 10, 48| krijgsmacht, en legerde zich tegen Demetrius.~ 79 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden, en hij 80 10, 61| 61 En daar vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen 81 10, 70| Zult gij alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil 82 10, 70| waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?~ 83 10, 73| zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote 84 10, 75| 75 En hij legerde zich tegen Joppe, en zij sloten hem 85 10, 86| vandaar op, en legerde zich tegen Askalon, en die van de stad 86 11, 8 | de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.~ 87 11, 15| Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs 88 11, 20| Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van 89 11, 37| daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij 90 11, 38| ziende dat al het krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde 91 11, 40| uitwerpen, want zij streden tegen Israël.~ 92 11, 54| afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vlood, en werd 93 11, 66| legerde zich met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en 94 11, 67| zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en 95 12, 24| macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden,~ 96 12, 40| en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo 97 12, 42| krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~ 98 13, 14| broeder Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot 99 13, 20| en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij 100 14, 7 | er was niemand, die zich tegen hem stelde.~ 101 14, 29| vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom 102 14, 31| hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~ 103 14, 44| deze teniet te doen, of tegen te spreken hetgeen van hem 104 14, 45| 45 Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan 105 15, 13| En Antiochus legerde zich tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend 106 15, 25| dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende 107 15, 39| dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem 108 16, 4 | ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te 109 16, 13| hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License