Chapter, Verse
1 1, 14| 14 En sommigen van het volk waren volvaardig en trokken
2 1, 32| nederlaag, en vernielde veel volk in Israël.~
3 1, 36| stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet
4 1, 44| zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn
5 1, 54| opzieners gemaakt over al het volk.~
6 1, 56| 56 En velen van het volk vergaderden tot hen, een
7 2, 7 | zien de overlast van mijn volk, en de overlast der heilige
8 2, 10| 10 Wat volk is er dat haar koninkrijk
9 3, 5 | verbrandde degenen, die het volk beroerden;~
10 3, 16| hem tegemoet met weinig volk.~
11 3, 42| waarmee hij bevolen had het volk gans te verderven en te
12 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering weder
13 3, 43| laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom.~
14 3, 59| aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom.~
15 4, 17| 17 En hij zeide tot het volk: Begeert hun plundering
16 4, 31| leger in de hand van uw volk Israël, en laat hen beschaamd
17 4, 35| naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat
18 4, 55| 55 En al het volk nedervallende op hun aangezichten,
19 4, 58| grote vreugde onder het volk, en de smaadheid der heidenen
20 4, 61| Bethsura te bewaren, opdat het volk een sterkte zou hebben tegen
21 5, 2 | waren, en begonnen onder het volk enigen te doden en te verdelgen.~
22 5, 4 | kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot een strik
23 5, 6 | een grote macht, en veel volk, en Timotheüs, hun overste.~
24 5, 16| 16 Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo
25 5, 19| zeggende: Weest over dit volk, en begint de strijd niet
26 5, 30| opsloegen, ziet daar was veel volk, dat men niet tellen kon,
27 5, 43| tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al
28 5, 53| achtersten, vermaande het volk op de gehele weg, totdat
29 5, 60| vielen op die dag van het volk Israëls tot tweeduizend
30 5, 60| een grote vlucht onder het volk Israël;~
31 6, 19| verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren.~
32 6, 23| waardoor de lieden van dit volk van ons vervreemd werden.~
33 6, 44| En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf
34 6, 58| hen maken, en met al hun volk.~
35 7, 6 | En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende:
36 7, 18| beving viel op het ganse volk, zodat zij zeiden: Daar
37 7, 19| waren, en enigen van het volk, en hij doodde hen, en wierp
38 7, 22| vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden
39 7, 26| en beval hem dat hij het volk zou uitroeien.~
40 7, 37| aangeroepen worden, en dat het uw volk zou zijn een huis des gebeds
41 7, 48| 48 En het volk was zeer verheugd, en zij
42 8, 23| Dat het de Romeinen en het volk der Joden moet welgaan,
43 8, 25| 25 Zo zal het volk der Joden met volle genegenheid
44 8, 27| En volgens deze, zo het volk der Joden eerst oorlog zou
45 8, 29| maakten de Romeinen met het volk der Joden een verbond.~
46 9, 29| die vijanden zijn van ons volk.~
47 9, 73| Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat
48 10, 5 | broeders, en tegen zijn volk.~
49 10, 7 | voor de oren van al het volk, en van degenen, die op
50 10, 20| tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de
51 10, 25| koning Demetrius wenst het volk der Joden voorspoed.~
52 10, 46| 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden
53 10, 81| schoten hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot
54 10, 81| vroeg tot de avond, en het volk stond stil gelijk Jonathan
55 11, 21| sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de
56 11, 25| enige goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden
57 11, 30| broeder Jonathan, en het volk der Joden, voorspoed.~
58 11, 32| hebben voorgenomen aan het volk der Joden, die onze vrienden
59 11, 41| alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote
60 11, 41| verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid
61 12, 3 | de hogepriester, en het volk der Joden hebben ons gezonden,
62 12, 6 | priesters, en het andere volk der Joden wensen de Spartiaten,
63 12, 35| riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen
64 12, 44| Waarom hebt gij al dit volk zo gekweld, daar tussen
65 13, 2 | 2 En ziende dat het volk zeer beangst en bevreesd
66 13, 2 | Jeruzalem, en vergaderde het volk,~
67 13, 6 | zal wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom,
68 13, 17| opdat hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op
69 13, 36| ouderlingen, en het ganse Joodse volk, voorspoed.~
70 13, 40| zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden,
71 13, 42| 42 En het volk van Israël begon te schrijven
72 14, 4 | zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid
73 14, 6 | 6 En hij verbreidde zijn volk hun landpalen, en bemachtigde
74 14, 20| priesters, en het andere volk der Joden, hun broeders,
75 14, 21| De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben
76 14, 22| hebben in de Raad van ons volk, aldus: Numenius, Antiochus'
77 14, 23| 23 En het heeft ons volk behaagd, dat men die mannen
78 14, 23| stellen in de boeken, voor ons volk daartoe verordineerd, opdat
79 14, 23| verordineerd, opdat het volk der Spartiaten daarvan gedachtenis
80 14, 25| 25 Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden
81 14, 28| der priesters en van het volk, en van de oversten van
82 14, 28| van de oversten van het volk, en der ouderlingen van
83 14, 29| en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat
84 14, 29| gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben
85 14, 30| 30 Nadat Jonathan hun volk vergaderd had en hun hogepriester
86 14, 30| geworden was, en tot zijn volk gevoegd was;~
87 14, 32| en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten
88 14, 32| der krijgsmacht van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~
89 14, 35| 35 Het volk zag de getrouwheid van Simon,
90 14, 35| heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden
91 14, 35| gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij
92 14, 35| had op alle manieren zijn volk te verhogen.~
93 14, 44| 44 En niemand van het volk en uit de priesters zal
94 14, 46| goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon
95 14, 47| veldoverste, en overste van het volk der Joden, en der priesters,
96 15, 1 | der Joden, en aan al het volk;~
97 15, 2 | priester en overste, en het volk der Joden voorspoed.~
98 15, 9 | zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken
99 15, 17| hogepriester, en door het volk der Joden;~
100 15, 35| eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht,
101 15, 39| versterken, en dat hij het volk zou beoorlogen. En de koning
102 15, 40| tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in
103 15, 40| Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te
104 16, 3 | trekt op en strijdt voor ons volk. En de hulp uit de hemel
105 16, 6 | 6 Hij en zijn volk legerde zich recht tegenover
106 16, 6 | en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te
107 16, 7 | 7 En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in
|