Chapter, Verse
1 1, 11| 11 En uit hen is voortgekomen een zondige
2 1, 42| 42 Haar heiligdom is verwoest als een woestijn;
3 1, 43| 43 Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid
4 1, 43| heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw.~
5 2, 7 | zitten, daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?~
6 2, 8 | 8 Het heiligdom is in de hand der vreemdelingen.
7 2, 8 | vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die
8 2, 8 | als een man die ongeëerd is.~
9 2, 10| 10 Wat volk is er dat haar koninkrijk niet
10 2, 11| 11 Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren
11 2, 11| waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
12 2, 24| met toorn gelijk het recht is, en toelopende doodde hem
13 2, 33| 33 Het is nog tijd dat gij uitkomt,
14 2, 49| zeide hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en
15 2, 49| en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting,
16 2, 52| 52 Is Abraham in de verzoeking
17 2, 52| getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend?~
18 2, 55| het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden.~
19 2, 58| voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.~
20 2, 60| 60 Daniël is in zijn eenvoudigheid gerukt
21 2, 65| dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen,
22 2, 66| 66 En Judas Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn
23 3, 4 | 4 Hij is in zijn werken een leeuw
24 3, 7 | werken, en zijn gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~
25 3, 18| 18 En Judas zeide: Het is licht dat velen besloten
26 3, 18| handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de
27 3, 31| 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig
28 3, 41| het land der vreemdelingen is bij hen gekomen.~
29 3, 51| 51 Uw heiligdom is vertreden en ontheiligd
30 3, 57| 57 En zo is het leger opgebroken, en
31 3, 59| 59 Want het is beter dat wij in de strijd
32 4, 6 | En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke
33 4, 11| zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt.~
34 4, 18| Gorgias en zijn krijgsvolk is op de berg nabij ons, maar
35 4, 24| God in de hemel, want dat is goed, dewijl zijn barmhartigheid
36 4, 25| 25 En op die dag is Israël een grote verlossing
37 4, 45| 45 Zo is hun een goede raad ingevallen,
38 4, 52| van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het
39 4, 54| ontheiligd hadden, op deze is het weder ingewijd, met
40 4, 58| de smaadheid der heidenen is afgekeerd.~
41 5, 12| van hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen;~
42 5, 46| waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang
43 5, 62| welker hand Israël behoudenis is gegeven.~
44 5, 66| torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken
45 6, 3 | 3 Zo is hij gekomen zoekende de
46 6, 8 | droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem
47 6, 57| dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats
48 6, 57| plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de
49 6, 63| 63 En is haastig vertrokken, en keerde
50 7, 14| Een man, die een priester is uit het zaad van Aäron,
51 7, 14| uit het zaad van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk,
52 7, 18| zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht
53 7, 31| dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te
54 7, 41| lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg
55 8, 3 | zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen
56 9, 10| onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk
57 9, 21| 21 Hoe is de machtige gevallen, die
58 9, 22| 22 En hetgeen nog overig is te zeggen van Judas en van
59 9, 22| voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij
60 9, 29| broeder Judas gestorven is, is geen man geweest hem
61 9, 29| broeder Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk,
62 9, 44| voor onze zielen, want het is heden niet gelijk gisteren
63 9, 45| het water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere
64 9, 45| moeras en kreupelbos, en daar is geen plaats om te ontwijken.~
65 9, 67| 67 Zo is Simon, en die met hem waren,
66 10, 23| Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken
67 10, 37| koninkrijks, waar trouw in gelegen is; en die over dezelve zijn
68 10, 53| leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op
69 10, 55| antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt
70 10, 71| elkander strijden, want bij mij is de macht der steden.~
71 10, 73| noch rots, noch plaats is om te vlieden.~
72 10, 89| gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der
73 11, 1 | krijgsvolk, gelijk daar is het zand aan de oever der
74 11, 8 | dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade
75 11, 32| ons houden hetgeen recht is, goed te doen, vanwege hun
76 11, 37| zijn vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.~
77 11, 42| omdat al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.~
78 11, 53| 53 En na deze is Tryfon wedergekeerd, en
79 11, 63| 63 Is hun tegemoet getrokken;
80 12, 5 | 5 En dit is het afschrift van de brieven,
81 12, 10| vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen,
82 12, 11| het behoort en betamelijk is de broederen gedachtig te
83 12, 19| 19 Dit is het afschrift der brieven,
84 12, 21| 21 Daar is in de schriften gevonden,
85 12, 23| vee en al wat gij hebt, is ons, en al wat wij hebben,
86 12, 23| ons, en al wat wij hebben, is uw. Wij hebben dan enigen
87 12, 37| beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats,
88 12, 44| daar tussen ons geen oorlog is ontstaan?~
89 13, 15| konings schatkamer schuldig is, vanwege de zaken die hij
90 13, 18| niet gezonden heeft, zo is zijn broeder omgekomen.~
91 13, 30| 30 Dit is het graf, dat hij maakte
92 13, 30| maakte te Modin, hetwelk nog is tot op deze dag.~
93 13, 39| zijt; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald
94 13, 41| honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen van
95 14, 19| gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift der brieven,
96 14, 27| 27 En dit is het afschrift van het geschrift:
97 14, 28| ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, dewijl
98 14, 32| 32 Zo is dan Simon opgestaan, en
99 14, 36| zijn tijd alles voorspoedig is geweest onder zijn handen,
100 15, 10| honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar
101 16, 2 | huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël
102 16, 14| in de elfde maand, deze is de maand Sabat.~
103 16, 24| zijn vader hogepriester is geworden.~
|