Chapter, Verse
1 1, 1 | Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog,
2 1, 7 | deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde.~
3 1, 11| 11 En uit hen is voortgekomen een
4 1, 12| 12 In deze dagen gingen uit Israël enige boze kinderen,
5 1, 48| offerande en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden.~
6 2, 27| 27 En Mattathias riep uit in de stad met een grote
7 2, 27| verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.~
8 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, en
9 2, 48| de hand der heidenen, en uit de hand der koningen, en
10 2, 59| zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~
11 2, 60| zijn eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~
12 3, 6 | 6 Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken,
13 3, 8 | steden van Juda, en verdelgde uit haar de goddelozen en keerde
14 3, 19| der macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze.~
15 3, 35| overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun gedachtenis
16 3, 40| 40 En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen
17 3, 43| 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering weder oprichten,
18 3, 45| alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer
19 3, 48| breidden de boeken der wet uit, waarnaar de heidenen naarstig
20 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te strijden,
21 4, 26| 26 En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden
22 5, 14| ziet andere boden kwamen uit Galilea, hun klederen verscheurd
23 5, 15| hem velen vergaderd waren uit Ptolomaïs, en Tyrus, en
24 5, 15| der vreemdelingen, om ons uit te roeien.~
25 5, 59| Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om
26 5, 65| en zijn broeders trokken uit en bestreden de kinderen
27 6, 8 | zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid
28 6, 12| van Juda zonder oorzaak uit te roeien.~
29 6, 21| die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit
30 6, 21| uit, en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij
31 6, 25| zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar
32 6, 31| maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur,
33 6, 49| maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken
34 6, 49| Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, dewijl zij daar
35 6, 61| deze dingen, en zij trokken uit de sterkte;~
36 7, 6 | vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid.~
37 7, 10| 10 En zij trokken uit en kwamen met een grote
38 7, 14| man, die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen
39 7, 16| geloofden hem; doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij
40 7, 24| 24 Trok uit in al de landpalen van Judea
41 7, 33| enigen van de priesters uit het heiligdom, en enigen
42 7, 39| 39 En Nicanor trok uit Jeruzalem en legerde zich
43 7, 46| 46 En uit alle vlekken van Judea kwamen
44 9, 6 | zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit
45 9, 6 | uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man
46 9, 11| krijgsvolk van Bacchides op uit hun leger, en stond tegen
47 9, 12| de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden,
48 9, 29| man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden,
49 9, 36| van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes,
50 9, 39| vrienden en broeders gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen,
51 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen, en doodden
52 9, 46| God in de hemel, dat gij uit de handen der vijanden moogt
53 9, 47| Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en
54 9, 65| in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weder
55 9, 67| met hem waren, uitgevallen uit de stad, en verbrandde de
56 9, 69| en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een
57 9, 69| hij nam ook een raad om uit hun land te trekken.~
58 10, 33| alle ziel der Joden, die uit het land Juda gevangen zijn
59 10, 36| 36 En uit de Joden zullen tot de krijgslieden
60 10, 36| krijgslieden des konings. En uit hen zullen gesteld worden
61 10, 37| 37 En uit dezen zullen ook gesteld
62 10, 37| zijn en hun oversten zullen uit dezelve gesteld worden,
63 10, 40| de rekeningen des konings uit de plaatsen die hem toebehoren.~
64 10, 42| zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in
65 10, 44| de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning.~
66 10, 45| de kosten gegeven worden uit de rekening des konings;
67 10, 57| 57 En Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter
68 10, 61| enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers der wet,
69 10, 63| tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden van
70 10, 74| tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn
71 10, 75| Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting
72 10, 86| en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid.~
73 11, 15| oorlogen; en Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem met een
74 11, 20| vergaderde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem
75 11, 25| 25 En enige goddelozen uit het volk der Joden beschuldigden
76 11, 57| macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed
77 11, 59| 59 En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier,
78 11, 62| krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~
79 11, 67| een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten
80 11, 68| En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde
81 12, 15| 15 Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp
82 12, 21| broeders zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham.~
83 12, 25| 25 Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette
84 12, 33| 33 En Simon toog uit, en doortrok het land af
85 12, 42| vreesde tegen hem de handen uit te strekken.~
86 12, 54| laat ons hun gedachtenis uit de mensen uitroeien.~ ~
87 13, 44| stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar geschiedde
88 13, 47| hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde
89 13, 48| 48 En hij wierp uit haar alle onreinheid, en
90 13, 49| waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land,
91 13, 50| haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht
92 13, 51| dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid.~
93 14, 31| verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom;~
94 14, 36| handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn,
95 14, 44| niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd
96 15, 14| stad, en voegde schepen uit de zee te zamen, en benauwde
97 15, 14| zee, en liet niemand daar uit of in trekken.~
98 15, 21| er dan enige boze mensen uit hun landen tot u gevloden
99 15, 25| besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen.~
100 16, 3 | voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met ulieden.~
101 16, 4 | 4 En hij verkoos uit het land twintigduizend
|