Chapter, Verse
1 1, 23| altaar, en de kandelaar des lichts, en alle gereedschap,
2 1, 45| het aan, naar het woord des konings.~
3 1, 47| zouden naar de vreemde wetten des lands;~
4 1, 53| zou doen naar dit woord des konings, die zou moeten
5 1, 61| iemand gevonden werd het boek des verbonds, en zo iemand de
6 1, 61| doodden zij naar het bevel des konings, door hun geweld.~
7 1, 64| besnijden, doodden zij naar des konings bevel;~
8 1, 68| 68 En de toom des konings was zeer groot over
9 2, 9 | jongelingen door het zwaard des vijands.~
10 2, 15| En daar kwamen enigen van des konings wege, in de stad
11 2, 17| 17 En die van des konings wege daar waren,
12 2, 18| tot ons, en doe het bevel des konings, gelijk al de volken
13 2, 18| zult, alsook uw huis van des konings vrienden zijn, en
14 2, 19| in het huis en koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden,
15 2, 22| 22 Het woord des konings zullen wij niet
16 2, 23| te Modin, naar het bevel des konings.~
17 2, 25| 25 En de man des konings, die de lieden dwong
18 2, 31| 31 En de mannen des konings, en de krijgsmachten,
19 2, 31| er mannen, die het gebod des konings hadden verbroken,
20 2, 32| hen de krijg aan op de dag des sabbats, en zeiden tot hen:~
21 2, 33| en doet naar het woord des konings, en gij zult het
22 2, 34| en wij zullen het woord des konings niet doen, om te
23 2, 34| om te ontheiligen de dag des sabbats.~
24 2, 41| ons te strijden op de dag des sabbats, laat ons tegen
25 2, 56| gemeente, heeft het erfdeel des lands gekregen.~
26 2, 62| vreest niet voor de woorden des zondigen mans, want zijn
27 3, 14| hem zijn, en die het woord des konings verachten.~
28 3, 32| geslacht, over de zaken des konings, van de rivier Eufraat
29 3, 38| mannen onder de vrienden des konings;~
30 3, 42| verstaan hebbende de woorden des konings, waarmee hij bevolen
31 3, 46| Jeruzalem, omdat de plaats des gebeds tevoren te Mizpa
32 3, 49| brachten daar de klederen des priesterdoms, en de eerstelingen,
33 3, 55| deze stelde Judas oversten des volks, oversten over duizend,
34 4, 1 | ruiters, en dit leger brak op des nachts;~
35 4, 3 | te slaan de krijgsmacht des konings, die in Emmaüs was;~
36 4, 5 | kwam in het leger van Judas des nachts, en vond niemand,
37 4, 44| zouden doen met het altaar des brandoffers, dat ontheiligd
38 4, 52| 52 En zij stonden des morgens vroeg op, de vijfentwintigste
39 4, 56| offeranden der behoudenis en des lofs.~
40 5, 18| Zacharias en Azaria tot oversten des volks met het overige krijgsvolk
41 5, 27| zij geboden hadden zich des anderen daags te legeren
42 5, 28| mannelijk was door de scherpte des zwaards, en hij kreeg al
43 5, 29| En hij vertrok van daar des nachts, en trok alsof hij
44 5, 40| en zijn leger bij de beek des waters: Indien hij eerst
45 5, 42| Als nu Judas nabij de beek des waters kwam, zo stelde hij
46 5, 42| stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval hun,
47 5, 46| grote stad op de ingang des lands, zeer sterk, en men
48 5, 52| mannelijk was door de scherpte des zwaards, en heeft de stad
49 6, 32| Bethzacharia tegenover het leger des konings.~
50 6, 33| 33 En de koning stond op, des morgens vroeg, en verplaatste
51 6, 40| 40 En een deel van des konings leger werd uitgebreid
52 6, 42| slaan, en daar vielen van des konings leger zeshonderd
53 6, 47| als zij zagen de sterkte des konings, en de aanval van
54 6, 48| 48 En die van des konings leger waren, trokken
55 6, 49| en het een sabbats jaar des lands was.~
56 6, 56| Medië, met de krijgsmachten des konings die met hem getrokken
57 7, 7 | gedaan heeft, en aan het land des konings, en dat hij hem,
58 7, 8 | verkoos Bacchides, een vriend des konings, die regeerde aan
59 7, 33| enigen van de ouderlingen des volks, om hem vreedzaam
60 7, 37| uw volk zou zijn een huis des gebeds en der smeking;~
61 8, 15| driehonderdentwintig Raadslieden des volks raad hielden, om het
62 8, 22| te zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap
63 8, 25| Joden met volle genegenheid des harten de Romeinen in de
64 8, 25| bijstaan, zoals de gelegenheid des tijds hun zal voorschrijven.~
65 9, 6 | En zij zagen de menigte des krijgsvolks, dat zij velen
66 9, 12| was bij de rechtervleugel des krijgsvolks, en de slagorden,
67 9, 13| de aarde van het geluid des legers beefde, en zij vochten
68 9, 13| vochten tegen elkander van des morgens vroeg tot de avond
69 9, 25| en stelde hen tot heren des lands.~
70 9, 31| nam, in die gelegenheid des tijds, het ambt van overste
71 9, 34| vernemende, kwam op de dag des sabbats, met al zijn krijgsvolk
72 9, 53| de zonen van de overste des lands tot gijzelaars, en
73 9, 54| van de binnenste voorhof des heiligdoms zou afgebroken
74 9, 61| zij grepen van de mannen des lands, die bewerkers waren
75 10, 36| zullen tot de krijgslieden des konings aangeschreven worden
76 10, 36| betaamt de krijgslieden des konings. En uit hen zullen
77 10, 36| enigen in de grote sterkten des konings;~
78 10, 37| gesteld worden over de zaak des koninkrijks, waar trouw
79 10, 40| zilver van de rekeningen des konings uit de plaatsen
80 10, 41| aan geven tot de werken des tempels.~
81 10, 42| de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die worden ook
82 10, 43| landpalen daarvan het recht des konings, of enige andere
83 10, 44| vernieuwen van de werken des heiligdoms zullen de kosten
84 10, 45| gegeven worden uit de rekening des konings; en ook tot het
85 10, 81| hun pijlen op het volk van des morgens vroeg tot de avond,
86 11, 56| gij een van de vrienden des konings zult zijn.~
87 11, 66| het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken zij
88 11, 69| waren van het krijgsvolk des legers.~
89 12, 1 | ziende dat de gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos
90 12, 6 | hogepriester, en de raad des volks, en de priesters,
91 12, 24| horende dat de oversten des konings Demetrius wederkwamen
92 12, 26| geschikt hadden, om hen des nachts te overvallen.~
93 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks op, doordat zij deze
94 13, 15| om het geld dat hij aan des konings schatkamer schuldig
95 13, 53| En hij versterkte de berg des tempels, die bij de burcht
96 14, 8 | zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~
97 15, 32| En Athenobius, de vriend des konings, kwam te Jeruzalem,
98 15, 32| verkondigde hem de woorden des konings.~
99 16, 5 | 5 En des morgens vroeg opstaande,
|