Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Het eerste boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


74-hierv | hieve-uitge | uitgi-zwoer

     Chapter, Verse
1 10, 74| 74 Als nu Jonathan deze woorden 2 10, 75| 75 En hij legerde zich tegen 3 10, 76| 76 En die van de stad, vrezende, 4 10, 77| 77 Apollonius, dit horende, 5 10, 78| 78 En hij trok naar Azote, 6 10, 79| 79 En Jonathan vervolgde hem 7 10, 80| 80 En Apollonius liet achter 8 10, 81| 81 En Jonathan vernam dat achter 9 10, 82| 82 En Simon, zijn krijgsvolk 10 10, 83| 83 En de ruiterij werd verstrooid 11 10, 84| 84 En Jonathan verbrandde Azote 12 10, 85| 85 En die met het zwaard waren 13 10, 86| 86 En Jonathan trok vandaar 14 10, 87| 87 En Jonathan keerde weder 15 10, 88| 88 En het geschiedde, toen 16 10, 89| 89 En hij zond hem een gouden 17 7, 14| priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met het krijgsvolk, 18 4, 55| nedervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, 19 10, 63| en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak.~ 20 12, 50| elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om te strijden.~ 21 10, 64| hem een purperen kleed was aangedaan, zo vloden zij allen.~ 22 3, 2 | en allen die zijn vader aangehangen hadden, en voerden de krijg 23 3, 29| die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, 24 7, 37| dat uw naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het uw volk 25 10, 36| krijgslieden des konings aangeschreven worden tot dertigduizend 26 6, 57| zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht zouden 27 5, 31| Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep der stad 28 10, 50| 50 En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang 29 5, 30| 30 En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, 30 4, 12| zagen dat zij tegen hen aankwamen;~ 31 10, 47| omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was 32 2, 19| vaderen, en zijn geboden aannam;~ 33 1, 12| boze kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, 34 7, 30| zijn aangezicht niet meer aanschouwen.~ 35 5, 4 | geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen 36 8, 14| noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin treffelijk 37 15, 25| alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten 38 12, 23| gelast, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud.~ 39 3, 59| sterven, dan dat wij zouden aanzien de ellenden van ons volk 40 14, 48| van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats.~ 41 10, 89| en hij gaf hem de stad Accaron met al haar landpalen tot 42 8, 17| van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, 43 2, 7 | 7 En zeide: Ach mij, waarom ben ik daartoe 44 2, 32| 32 En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger 45 12, 30| vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren 46 9, 10| broederen wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen 47 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten, vermaande het volk op de 48 14, 27| van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in 49 5, 3 | beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd 50 9, 52| Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin krijgslieden 51 12, 38| 38 En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de 52 13, 13| Simon nu legerde zich in Adidis, tegenover het vlakke veld.~ 53 13, 20| zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger 54 11, 33| Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke 55 11, 54| krijgsknechten, die Demetrius afgedankt had, en die streden tegen 56 7, 47| hovaardig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten zij mee 57 4, 58| smaadheid der heidenen is afgekeerd.~ 58 10, 82| slagorden, want de ruiterij was afgemat, en zij werden door hem 59 11, 42| al mijn krijgsvolk mij is afgevallen.~ 60 14, 21| gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van 61 10, 83| hetwelk was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn.~ 62 1, 51| Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen, en varkens 63 8, 16| waren, en dat onder hen geen afgunstigheid noch jaloezie was.~ 64 6, 57| zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, 65 13, 16| zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten.~ 66 2, 19| gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst zijner 67 11, 14| de inwoners dezer plaats afvielen.~ 68 8, 13| degenen, die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven 69 4, 40| bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de 70 7, 45| zij bliezen achter hen de alarmtrompetten.~ 71 5, 26| te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en 72 11, 38| degenen die eertijds aan Alexanders zijde waren, welke ziende 73 11, 22| ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot 74 15, 25| belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, 75 1, 38| 38 En deze burcht was om altoos het heiligdom lagen te leggen, 76 12, 25| ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd 77 9, 31| gelegenheid des tijds, het ambt van overste aan, en hij 78 5, 6 | hij naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote 79 2, 59| 59 Ananias, Azaria, Misaël, als zij 80 4, 46| profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou.~ 81 15, 33| 33 En Simon, antwoordende, zeide tot hem: Wij hebben 82 12, 18| doen, dat gij ons hierop antwoordt.~ 83 11, 16| En Alexander vlood naar Arabië, opdat hij daar mocht beschermd 84 15, 23| Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan 85 15, 22| Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~ 86 5, 23| Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, 87 10, 15| en zijn broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~ 88 9, 2 | te Masaloth, hetwelk in Arbele ligt, en zij namen het in, 89 3, 47| zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden 90 9, 33| bij het water van het meer Asfar.~ 91 4, 15| en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden 92 15, 22| koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces;~ 93 6, 4 | droefheid, en keerde weder naar Babylon.~ 94 9, 35| te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten 95 5, 4 | boosheid van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren 96 5, 5 | en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens 97 4, 10| de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het 98 13, 23| 23 En toen hij tot Bascama naderde, doodde hij Jonathan, 99 4, 40| aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God 100 13, 2 | ziende dat het volk zeer beangst en bevreesd was, ging hij 101 6, 2 | was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen 102 6, 37| torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, 103 13, 15| vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad.~ 104 2, 14| en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw.~ 105 13, 31| 31 En Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, 106 13, 19| honderd talenten; doch hij bedroog hem met leugen, en liet 107 2, 24| ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn 108 5, 68| verbrak hun altaren, en de beelden hunner goden verbrandde 109 3, 48| naarstig zochten, om daarin de beeltenis hunner afgoden te schrijven.~ 110 13, 25| enigen zendende, nam de beenderen van zijn broeder Jonathan, 111 10, 83| en vloden naar Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk 112 11, 11| omdat hij zijn koninkrijk begeerde.~ 113 4, 17| hij zeide tot het volk: Begeert hun plundering niet, want 114 16, 17| 17 En beging zo grote ontrouw en vergold 115 5, 19| Weest over dit volk, en begint de strijd niet tegen de 116 13, 23| Jonathan, en hij werd daar begraven.~ 117 7, 17| zij hadden niemand die hen begroef.~ 118 7, 33| volks, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het 119 6, 60| 60 Deze rede behaagde de koning en de oversten, 120 10, 41| niet hebben gegeven van de behoeften, gelijk in de eerste jaren, 121 10, 30| der boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik 122 10, 39| Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom 123 4, 30| zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij, die de 124 4, 11| is, die Israël verlost en behoudt.~ 125 10, 60| Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun 126 16, 5 | ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek.~ 127 5, 25| Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat 128 6, 13| 13 Ik beken dat om dezer dingen wil 129 15, 32| heerlijkheid van Simon, zijn bekerkas, met zijn goudwerk, en zijn 130 6, 10| hart vervalt vanwege de bekommernis.~ 131 11, 36| op de heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.~ 132 11, 50| maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij de koning 133 7, 34| Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, 134 11, 22| Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat hij 135 5, 3 | Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen 136 6, 20| tezamen vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste 137 11, 23| hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan, en hij verkoos 138 10, 15| Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan 139 11, 28| Samarië vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.~ 140 7, 22| volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten 141 6, 11| Och, of ik goedertieren en bemind ware geweest in mijn heerschappij!~ 142 13, 33| sterkten van Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote 143 9, 7 | drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had 144 13, 3 | heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben.~ 145 2, 53| heeft in de tijd zijner benauwdheid het gebod gehouden, en werd 146 16, 2 | hebben de vijanden van Israël beoorloogd van der jonkheid aan, tot 147 5, 3 | kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, 148 10, 37| wetten, gelijk ook de koning bepaald heeft in het land Juda.~ 149 14, 46| goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze 150 9, 59| 59 En zij reisden heen en beraadslaagden met hem.~ 151 5, 16| grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor 152 9, 4 | braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend man 153 16, 15| welke hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, 154 5, 11| ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in 155 3, 6 | ongerechtigheid tezamen beroerd werden, en dat het welging 156 3, 5 | verbrandde degenen, die het volk beroerden;~ 157 9, 55| dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken 158 13, 44| daar geschiedde een grote beroerte in de stad.~ 159 11, 10| 10 Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter 160 3, 20| onze kinderen, en om ons te beroven.~ 161 4, 31| volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden.~ 162 11, 16| Arabië, opdat hij daar mocht beschermd zijn. Doch de koning Ptolomeüs 163 3, 3 | zijn leger met het zwaard beschermende.~ 164 9, 22| voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele.~ 165 7, 25| weder tot de koning, en beschuldigde hen van boze stukken.~ 166 10, 63| niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite 167 10, 61| verbrekers der wet, om hem te beschuldigen. Doch de koning lette op 168 1, 38| om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.~ 169 10, 64| het geschiedde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, 170 9, 10| ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer.~ 171 6, 38| bewegende deze, en in slagorden besluitende.~ 172 4, 45| worde, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit 173 4, 43| en namen de stenen der besmetting weg, en brachten ze in een 174 13, 50| reinigde de burcht van de besmettingen.~ 175 1, 64| die haar kinderen lieten besnijden, doodden zij naar des konings 176 9, 12| krijgsvolks, en de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, 177 3, 19| overwinning in de krijg bestaat niet in de menigte der macht, 178 14, 26| hebben aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in 179 8, 26| noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, 180 11, 64| belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield 181 10, 75| binnen Joppe was, en zij bestormden haar.~ 182 4, 17| plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons;~ 183 4, 18| tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna 184 13, 39| is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan 185 10, 36| hun gaven geven, gelijk betaamt de krijgslieden des konings. 186 13, 39| zal voortaan geen tol meer betalen.~ 187 12, 11| gebeden, gelijk het behoort en betamelijk is de broederen gedachtig 188 10, 83| Azote, en begaven zich in Beth-Dagon, hetwelk was de tempel van 189 9, 50| de sterkte in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en 190 7, 18| een vreze voor hen, en een beving viel op het ganse volk, 191 6, 31| hetwelk zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten 192 13, 2 | het volk zeer beangst en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, 193 2, 48| 48 Zij bevrijdden de wet uit de hand der heidenen, 194 12, 52| in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem 195 13, 47| 47 En Simon liet zich bewegen over hen, en verdelgde hen 196 6, 38| leger, ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.~ 197 9, 61| de mannen des lands, die bewerkers waren van deze boosheid, 198 12, 7 | afschrift hier onder gesteld bewijst,~ 199 4, 32| sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling.~ 200 1, 29| beefde over degenen die het bewoonden, en het ganse huis van Jakob 201 6, 62| ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en 202 7, 19| Jeruzalem, en legerde zich te Bezeth, en zond heen, en greep 203 7, 46| Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, 204 7, 7 | die daar heenreizende, beziet al de verderving, die hij 205 14, 32| van zijn volk, en gaf hun bezoldiging.~ 206 3, 28| en gaf zijn krijgsmachten bezoldigingen voor een jaar, en gebood 207 11, 36| 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift 208 16, 14| steden van het land, om te bezorgen wat zij van node hadden, 209 14, 29| zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun 210 3, 44| tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid en ontferming 211 13, 45| riepen met een grote stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand 212 6, 60| tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan.~ 213 1, 37| plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; 214 13, 1 | Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land 215 9, 28| al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan:~ 216 7, 12| Alcimus en Bacchides om enige billijke zaken te verzoeken.~ 217 16, 8 | En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger 218 4, 34| op elkander aan, en daar bleven van het leger van Lysias 219 10, 27| 27 En nu blijft nog daarin, dat gij ons 220 10, 89| gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden der koningen gegeven worden, 221 6, 39| scheen, de bergen daarvan blonken, en lichtten gelijk lampen 222 1, 61| iemand gevonden werd het boek des verbonds, en zo iemand 223 9, 11| die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht 224 14, 8 | land gaf zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~ 225 10, 16| vriend maken, en tot onze bondgenoot.~ 226 8, 30| of daar afdoen, dat zal bondig wezen.~ 227 1, 38| en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn.~ 228 10, 61| vergaderden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers 229 1, 51| 51 Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen, 230 14, 14| verbrekers der wet en alle bozen.~ 231 9, 4 | 4 En zij braken op en trokken naar Berea, 232 12, 29| toen zagen zij de vuren branden.~ 233 7, 33| en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd 234 5, 54| blijdschap, en zij offerden brandofferen, omdat van hen niet een 235 3, 48| 48 En breidden de boeken der wet uit, waarnaar 236 6, 33| leger; het in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, 237 4, 51| 51 En zij zetten broden op de tafel, en hingen de 238 9, 37| dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van 239 9, 39| grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broeders 240 1, 28| 28 Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in 241 1, 28| rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw.~ 242 13, 37| De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die gij 243 12, 27| gehele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger.~ 244 15, 16| 16 Lucius, burgemeester der Romeinen, wenst aan 245 7, 31| hem tegemoet getrokken te Cafarsarama.~ 246 12, 37| vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.~ 247 11, 69| Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van 248 10, 69| stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde 249 5, 36| trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige 250 5, 26| Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al 251 5, 65| zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar vlekken.~ 252 1, 1 | Macedoniër, die uit het land Chittim uittoog, Darius de koning 253 1, 5 | heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~ 254 11, 14| Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de inwoners dezer 255 3, 45| uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,~ 256 10, 67| Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner vaderen.~ 257 15, 23| Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 258 15, 23| Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~ 259 5, 27| hadden zich des anderen daags te legeren tegen de sterkten, 260 4, 34| mannen, en vielen voor hen dáár neder.~ 261 11, 33| Judea; en al hetgeen wat daaraan behoort, geven wijl aan 262 13, 22| zijn ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en in die nacht 263 10, 72| 72 Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en 264 10, 26| hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.~ 265 8, 26| artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen.~ 266 7, 45| En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij 267 2, 60| 60 Daniël is in zijn eenvoudigheid 268 14, 25| hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en 269 13, 47| stad, Gode lofzingende en dankende.~ 270 4, 55| aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun 271 4, 24| zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want 272 11, 43| Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot 273 1, 1 | het land Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen en 274 5, 10| vloden zij tot de sterkte van Dathema, en zonden brieven aan Judas 275 15, 19| van wapenen aannemen met degene, die hen beoorlogen.~ 276 4, 6 | man; doch zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne 277 15, 23| aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan 278 3, 52| Gij weet wat zij tegen ons denken.~ 279 4, 33| terneder door het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat 280 10, 36| aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven 281 5, 18| krijgsvolk in Judea tot derzelver bewaring.~ 282 12, 50| elkander, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om 283 6, 23| goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen 284 8, 18| der Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht.~ 285 14, 34| Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting 286 4, 30| machtige door de hand van uw dienstknecht David gebroken hebt, en 287 11, 35| 35 En geen ding van deze alle zal van nu 288 11, 4 | voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en 289 16, 15| kleine sterkte, genaamd Dok, welke hij gebouwd had; 290 2, 38| de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, 291 15, 41| de wegen van Judea zouden doorlopen, gelijk de koning hem gelast 292 11, 61| zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damaskus toe.~ 293 6, 1 | En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende 294 5, 50| Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen in ons land, 295 3, 38| verkoor Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, 296 5, 30| dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen 297 1, 48| brandoffers, de offerande en het drankoffer uit het heiligdom weren 298 2, 62| zijn heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.~ 299 13, 51| zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand 300 11, 28| zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten.~ 301 8, 15| gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden des volks raad 302 11, 57| gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een 303 6, 9 | omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende 304 9, 7 | was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, 305 9, 68| door hen geslagen, en zij drukten hem gans zeer, zodat zijn 306 13, 35| hem, en schreef aan hem dusdanige brief:~ 307 4, 24| dewijl zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid.~ 308 2, 25| des konings, die de lieden dwong te offeren, doodde hij ook 309 2, 15| stad Modin, die de lieden dwongen af te vallen, dat zij moesten 310 1, 7 | Riep hij zijn dienaars, de edelsten, die van der jeugd aan met 311 9, 44| niet gelijk gisteren en eergisteren.~ 312 3, 49| des priesterdoms, en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten 313 7, 13| En de Asideeën waren de eersten onder de kinderen van Israël, 314 6, 53| 53 En zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het 315 10, 30| deze huidige dag af ten eeuwigen tijde.~ 316 5, 46| als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad 317 10, 67| zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land zijner 318 15, 35| Joppe en Gazara, die gij eist, die hebben onder het volk 319 9, 5 | En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen 320 16, 14| honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand 321 2, 58| 58 Elia, als hij met een ijver voor 322 6, 1 | bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, 323 10, 79| en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem.~ 324 14, 27| achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste 325 3, 40| kwamen en legerden zich nabij Emmanaüs, in het vlakke land.~ 326 7, 41| lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder 327 10, 35| moeite aan te doen, over enigerlei zaak.~ 328 8, 11| koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en 329 13, 34| de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest.~ 330 2, 56| in de gemeente, heeft het erfdeel des lands gekregen.~ 331 10, 89| al haar landpalen tot een erfgift.~ ~ 332 6, 24| die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd;~ 333 4, 7 | deze waren in de krijg wèl ervaren),~ 334 1, 66| vast voornemende niet te eten enige onreine dingen;~ 335 8, 8 | ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden.~ 336 6, 17| heeft, en noemde zijn naam Eupator.~ 337 8, 17| 17 En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de 338 4, 9 | behouden in de Rode zee toen Faraö met grote macht hen vervolgde.~ 339 9, 50| en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, 340 15, 23| Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan 341 9, 66| broeders, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij 342 3, 24| gevloden naar het land der Filistijnen.~ 343 1, 23| en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden wierookschalen, 344 3, 45| weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden,~ 345 2, 27| het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.~ 346 10, 63| zeide tot zijn oversten: Gaat uit met hem in het midden 347 8, 2 | zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen 348 9, 2 | trokken de weg, die naar Galgala leidt, en legerden zich 349 5, 33| trompetten, en riepen in het gebed.~ 350 12, 11| offeren, en ook in onze gebeden, gelijk het behoort en betamelijk 351 14, 47| priesters, en over allen te gebieden.~ 352 13, 27| en van zijn broeders, een gebouw, en trok het op met geslepen 353 4, 30| van uw dienstknecht David gebroken hebt, en het leger der vreemdelingen 354 16, 13| bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, 355 4, 47| een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste.~ 356 10, 46| namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat 357 4, 10| wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond der vaderen; 358 12, 11| gelegenheid zonder ophouden uwer gedenken, zo op onze feestdagen, 359 9, 38| 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broeder Johannes, 360 8, 22| om hen daar te zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap 361 5, 52| door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij 362 16, 16| Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond Ptolomeüs 363 3, 32| En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, 364 10, 38| worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen 365 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks op, doordat zij 366 6, 37| ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op 367 12, 50| verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die 368 6, 57| Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord 369 13, 15| die hij te bedienen heeft gehad.~ 370 6, 43| met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekende 371 14, 36| plaag brachten onder de geheiligden.~ 372 7, 7 | hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe.~ 373 8, 16| en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen 374 14, 43| en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften 375 2, 19| koninkrijk des konings zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel 376 12, 43| vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen zijn als hemzelf.~ 377 12, 44| hebt gij al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog 378 16, 9 | de broeder van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde 379 12, 43| en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij 380 6, 2 | geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;~ 381 6, 30| tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd.~ 382 9, 5 | 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend 383 9, 37| grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.~ 384 12, 4 | zij hen met vrede zouden geleiden in het land Juda.~ 385 2, 59| Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen 386 12, 46| 46 En hij, hem gelovende, deed gelijk hij zeide, 387 5, 64| bij ben, wensende hun veel geluk.~ 388 10, 55| Ptolomeüs antwoordde, en zeide: Gelukkig is de dag, waarop gij zijt 389 2, 21| 21 De Here wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten 390 8, 25| volk der Joden met volle genegenheid des harten de Romeinen in 391 7, 46| keerden zich, dezen tot genen, en zij vielen allen door 392 11, 66| zijn leger tegen het meer Gennesareth, en des morgens vroeg trokken 393 3, 30| En vrezende dat bij niet genoeg zou hebben, om nog eens 394 14, 44| en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet 395 6, 35| uitgelezen ruiters werden geordineerd bij elk beest.~ 396 3, 56| hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, 397 8, 10| en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben 398 9, 69| goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land 399 5, 30| dragende ladders en andere gereedschappen om de sterkte in te nemen, 400 4, 41| totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben.~ 401 5, 31| was aangevangen, en het geroep der stad ging op tot de 402 6, 24| onze erfgoederen werden geroofd;~ 403 2, 60| is in zijn eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~ 404 1, 13| die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden 405 2, 6 | die in Juda en Jeruzalem geschiedden,~ 406 7, 35| mijn handen, zo zal het geschieden, indien ik met vrede wederkere, 407 12, 26| boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen des nachts 408 4, 46| berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet 409 14, 27| is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van 410 13, 27| gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en 411 13, 22| in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de 412 7, 42| heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn 413 14, 29| van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en 414 4, 20| het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien 415 10, 53| 53 En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door 416 4, 35| stoutheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden 417 3, 56| en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden 418 3, 13| hoop en vergadering van getrouwe lieden bij zich vergaderd 419 14, 35| 35 Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, 420 2, 37| eenvoudigheid. De hemel en aarde getuigen over ons, dat gij ons ten 421 2, 56| 56 Kaleb, als hij getuigenis heeft gegeven in de gemeente, 422 11, 23| en begaf zichzelf in het gevaar.~ 423 10, 29| vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, 424 14, 3 | en die stelde hem in de gevangenis.~ 425 2, 49| zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu 426 13, 52| jaarlijks met verheuging zou gevierd worden.~ 427 12, 11| onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de ófferanden 428 9, 1 | zijn krijgsvolk de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort 429 9, 16| van achteren op de hielen gevolgd.~ 430 4, 38| in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of 431 9, 17| 17 En de strijd werd geweldig, en daar vielen vele gekwetsten 432 11, 58| Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot de landpalen 433 14, 24| schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond 434 4, 27| overkomen wat hij gaarne gewild had, en het niet was uitgevallen, 435 2, 42| van Israël een ieder die gewillig de wet hield.~ 436 14, 34| vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden 437 10, 89| een gouden gesp, gelijk de gewoonte is, dat de bloedvrienden 438 10, 29| van het derde deel van het gezaaide.~ 439 5, 64| 64 Zodat zij gezamenlijk vergaderden bij ben, wensende 440 4, 54| het weder ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en 441 4, 30| bad hij God, en zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van 442 10, 69| die over Celo-Syrië was gezet, en vergaderde een grote 443 1, 11| Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde 444 9, 44| het is heden niet gelijk gisteren en eergisteren.~ 445 13, 47| zo trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.~ 446 5, 68| altaren, en de beelden hunner goden verbrandde hij met vuur, 447 3, 8 | goddelozen en keerde de toorn Gods van Israël af.~ 448 2, 6 | 6 En hij zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem 449 6, 11| waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind ware geweest in 450 10, 27| houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor hetgeen gij 451 8, 30| doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen 452 11, 32| goed te doen, vanwege hun goedwillendheid jegens ons.~ 453 12, 51| ziende dat het hun leven gold, zijn wedergekeerd.~ 454 3, 3 | pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, 455 15, 23| en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, 456 11, 22| En hij, dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, 457 2, 70| zonen begroeven hem in de graven zijner vaderen in Modin, 458 12, 38| en sterkte de deuren en grendelen.~ 459 2, 49| tijd der verwoesting, en de grimmige toorn.~ 460 2, 44| en de boze mannen in hun grimmigheid; en de overgeblevenen vloden 461 12, 17| tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven 462 10, 3 | vreedzame woorden, om hem grotelijks te verheffen.~ 463 5, 45| waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en 464 1, 52| laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat 465 12, 1 | gelegenheid des tijds hem gunstig was, verkoos mannen, en 466 13, 21| aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen 467 13, 10| alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem 468 2, 35| 35 En zij haastten met de strijd tegen hen.~ 469 7, 26| vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval 470 11, 21| sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, 471 6, 15| zou zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning 472 15, 23| Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, 473 1, 65| kleine kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden 474 13, 34| willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen 475 4, 54| gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen.~ 476 8, 25| met volle genegenheid des harten de Romeinen in de oorlog 477 11, 37| vaderen ontvangen had, is hem hatende geworden.~ 478 14, 5 | heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden 479 14, 23| Spartiaten daarvan gedachtenis hebbe. En het afschrift hiervan 480 3, 50| en waar zullen wij hen heenbrengen?~ 481 7, 7 | gij vertrouwt, die daar heenreizende, beziet al de verderving, 482 13, 20| alle plaatsen, waar hij heentrok.~ 483 2, 53| gebod gehouden, en werd een heer van Egypte.~ 484 14, 40| gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren.~ 485 1, 5 | veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem cijnsbaar.~ 486 4, 48| binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven.~ 487 2, 12| 12 En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze 488 7, 17| Zij hebben het vlees uwer heiligen, en hun bloed vergoten rondom 489 9, 60| krijgsmacht, en hij zond heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers 490 6, 35| ijzeren maliën, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en 491 12, 54| hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, 492 3, 53| aangezicht, zo gij ons niet helpt?~ 493 12, 43| zouden gehoorzamen zijn als hemzelf.~ 494 15, 3 | te verkrijgen, om dat te herstellen, gelijk het tevoren was, 495 12, 45| zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal 496 6, 36| gingen zij mee, en weken van hetzelve niet.~ 497 9, 16| zijnen van achteren op de hielen gevolgd.~ 498 3, 2 | 2 En hem hielpen al zijn broeders, en allen 499 12, 18| gij wel doen, dat gij ons hierop antwoordt.~ 500 14, 23| hebbe. En het afschrift hiervan schreven zij aan Simon,


74-hierv | hieve-uitge | uitgi-zwoer

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License