74-hierv | hieve-uitge | uitgi-zwoer
Chapter, Verse
501 4, 12| 12 En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat
502 10, 32| stellen zodanige mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te
503 11, 45| vluchtte op het koninklijke hof, en die van de stad namen
504 14, 38| Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles;~
505 12, 36| om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een
506 9, 38| en zich verborgen in een hol van de berg.~
507 7, 1 | 1 In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus'
508 13, 51| de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en
509 4, 52| de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar;~
510 1, 21| had, keerde weder in het honderdendrieënveertigste jaar;~
511 9, 54| 54 En in het honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand,
512 10, 57| kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste jaar.~
513 8, 6 | was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij,
514 1, 58| de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel
515 10, 67| 67 En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de
516 6, 20| zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en bij maakte tegen
517 2, 70| 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven
518 1, 11| regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk der Grieken.~
519 3, 37| koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat
520 11, 19| Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar.~
521 16, 14| Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand,
522 13, 41| 41 In het honderdenzeventigste jaar is het juk der heidenen
523 6, 16| Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste jaar.~
524 9, 3 | de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger
525 15, 10| 10 In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken
526 7, 41| uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.~
527 7, 34| ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.~
528 1, 25| vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.~
529 12, 36| trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen
530 3, 13| Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe
531 2, 48| der koningen, en gaven de hoorn der overwinning niet aan
532 2, 65| hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal
533 2, 22| konings zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden
534 6, 37| op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een
535 7, 47| zijn rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt, afgehouwen
536 1, 23| 23 En hij ging met grote hovaardigheid in het heiligdom, en nam
537 1, 65| moeders, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden
538 4, 20| 20 En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat
539 1, 40| van Jeruzalem vloden om hunnentwil;~
540 10, 54| gij nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon
541 4, 23| zilver, en vele klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.~
542 11, 3 | steden kwam, stelde hij in iedere stad krijgsvolk tot bezetting.~
543 9, 68| zodat zijn raad en uittocht ijdel was.~
544 6, 35| voorzien met pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen
545 10, 29| van de tollen, en van de impost van het zout, en van de
546 5, 4 | 4 En indachtig wordende de boosheid van
547 6, 37| vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde.~
548 8, 8 | En te geven het land van Indië, en Medië, en Lydië, en
549 13, 29| bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door
550 12, 48| zwaard allen, die met hem ingekomen waren.~
551 4, 45| Zo is hun een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat
552 13, 51| 51 En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste
553 3, 6 | uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers der
554 14, 31| vijanden in hun land wilden invallen, om hun land te verwoesten,
555 1, 14| hun macht om der heidenen inzettingen te plegen.~
556 6, 24| 24 Ja ook al degenen van ons,
557 10, 42| in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms,
558 3, 4 | een jonge leeuw, die ter jacht loopt.~
559 2, 2 | Johannes die toegenaamd was Jaddis,~
560 8, 16| geen afgunstigheid noch jaloezie was.~
561 14, 29| Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn broeders, zichzelf
562 8, 17| Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en
563 5, 8 | 8 En Jazer met haar vlekken ingenomen
564 11, 32| vanwege hun goedwillendheid jegens ons.~
565 2, 1 | priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn
566 2, 55| 55 Jozua, als hij het woord heeft
567 2, 56| 56 Kaleb, als hij getuigenis heeft
568 9, 37| een van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath.~
569 9, 42| en keerden weder aan de kant van de Jordaan.~
570 15, 23| en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië,
571 2, 49| hoogmoed gevestigd, en de kastijding, en nu is de tijd der verwoesting,
572 9, 9 | liever onze zielen behouden, keert nu weder, want onze broeders
573 4, 33| laat allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.~
574 2, 46| besneden met kracht al de kinderkens die onbesneden waren, zo
575 9, 41| geluid hunner muziek in klagen.~
576 5, 45| Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun
577 9, 14| waren, en al degenen, die kloek van harte waren, voegden
578 11, 43| naar Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die
579 16, 16| zonen, en enigen van zijn knechten.~
580 15, 23| en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene.~
581 14, 26| platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion.~
582 15, 23| aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus,
583 13, 42| in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat
584 3, 41| 41 En de kooplieden van die landstreek van hun
585 6, 8 | vallende uit droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het
586 6, 63| de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad
587 5, 31| zeide tot de mannen van zijn krijgsheer:~
588 3, 3 | een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen,
589 7, 42| dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel
590 13, 39| 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden,
591 10, 28| Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven.~
592 10, 34| dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.~
593 6, 40| bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid
594 4, 15| 15 Maar al de laatsten vielen voor het zwaard,
595 5, 30| niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen
596 13, 17| vijandschap op zich zou laden.~
597 9, 55| toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet een enig
598 3, 41| En de kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen
599 12, 10| worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sedert
600 8, 3 | bemachtigd door hun goede raad en lankmoedigheid, hoewel de plaatsen zeer
601 10, 7 | kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren
602 10, 28| 28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken
603 7, 38| zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf
604 7, 41| Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel
605 11, 31| wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van ulieden,
606 12, 14| deze oorlogen niet willen lastig zijn.~
607 13, 49| kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, en velen
608 10, 72| 72 Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen
609 2, 60| eenvoudigheid gerukt uit de mond der leeuwen.~
610 11, 70| verscheurde zijn klederen, en legde aarde op zijn hoofd, en
611 1, 38| altoos het heiligdom lagen te leggen, en om tegen Israël een
612 5, 53| 53 En Judas, leidende de achtersten, vermaande
613 9, 2 | de weg, die naar Galgala leidt, en legerden zich te Masaloth,
614 7, 42| de overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom
615 10, 61| beschuldigen. Doch de koning lette op hen niet.~
616 13, 19| doch hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan niet los.~
617 15, 21| landen tot u gevloden zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester,
618 11, 4 | voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande
619 1, 23| altaar, en de kandelaar des lichts, en alle gereedschap, en
620 6, 39| bergen daarvan blonken, en lichtten gelijk lampen van vuur.~
621 13, 51| snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand
622 4, 42| onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~
623 4, 33| het zwaard dergenen, die u liefhebben, en laat allen, die uw naam
624 6, 45| 45 En hij liep zeer stoutmoedig op hem
625 9, 16| 16 En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel
626 4, 56| offeranden der behoudenis en des lofs.~
627 4, 24| wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in
628 13, 51| honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers,
629 13, 47| trok hij in de stad, Gode lofzingende en dankende.~
630 10, 21| honderdenzestigste jaar, op het feest der Loofhutten, en hij vergaderde krijgsvolk,
631 3, 4 | jonge leeuw, die ter jacht loopt.~
632 13, 19| leugen, en liet Jonathan niet los.~
633 13, 16| afvalle, en wij zullen hem loslaten.~
634 3, 36| dat hij hun land door het lot zou uitgeven.~
635 4, 33| allen, die uw naam kennen, u loven met lofzangen.~
636 15, 16| 16 Lucius, burgemeester der Romeinen,
637 7, 11| 11 Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want
638 15, 23| en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en
639 11, 33| de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het
640 8, 8 | van Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun schoonste
641 1, 27| ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongelingen werden
642 10, 70| smaadheid geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons
643 10, 34| en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde
644 1, 1 | de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim
645 5, 40| bestaan, want hij zal veel machtiger zijn dan wij.~
646 10, 4 | te maken, eer hij vrede make met Alexander tegen ons;~
647 15, 25| tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld,
648 5, 24| 24 En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broeder,
649 9, 1 | Bacchides en Alcimus ten tweeden male te zenden naar het land
650 6, 35| met pantsers van ijzeren maliën, en die koperen helmen op
651 14, 35| hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen.~
652 2, 62| de woorden des zondigen mans, want zijn heerlijkheid
653 9, 2 | leidt, en legerden zich te Masaloth, hetwelk in Arbele ligt,
654 9, 36| Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en
655 10, 6 | te maken; en dat hij zijn medegenoot in de wapenen zou zijn;
656 9, 60| heimelijk brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan
657 1, 1 | de koning der Perzen en Meden geslagen had, en in zijn
658 8, 20| opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden.~
659 6, 9 | droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven.~
660 6, 27| voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en
661 10, 70| geworden; waarom maakt gij de meester tegen ons in de bergen?~
662 5, 61| Judas en zijn broeders, menende dat zij ook een mannelijke
663 8, 3 | Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud,
664 10, 65| het krijgsvolk, en tot een metgezel in de regering.~
665 9, 73| en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk
666 12, 40| zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om
667 10, 52| gezeten ben op de troon mijner vaderen, en het gebied bemachtigd
668 3, 14| 14 Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt
669 3, 30| die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat
670 3, 30| hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen;~
671 2, 59| 59 Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben,
672 13, 39| kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van heden,
673 13, 39| Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag
674 13, 17| twee zoontjes, opdat hij misschien bij het volk niet grote
675 11, 16| naar Arabië, opdat hij daar mocht beschermd zijn. Doch de
676 4, 27| verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen
677 13, 28| andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broeders.~
678 1, 65| kinderen op aan de halzen der moeders, en doodden haar huisgezinnen,
679 6, 34| om hen tot de strijd te moediger te maken.~
680 9, 45| andere zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en daar is
681 6, 34| van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te
682 5, 46| voorbij trekken, maar men moest midden daardoor trekken),~
683 2, 15| dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren.~
684 15, 4 | koninkrijk verwoest hebben, moge bekomen~
685 12, 40| dat Jonathan hem zulks mogelijk niet zou toelaten, en dat
686 2, 63| zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden,
687 15, 6 | u toe, dat gij een eigen munt moogt slaan voor uw land.~
688 11, 38| krijgsvolk tegen Demetrius murmureerde, reisde naar Simalkuë, de
689 15, 23| Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en en aan de Sicionen en
690 9, 37| van Kanaän, geleidden van Nabadath.~
691 1, 11| voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon
692 3, 49| tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~
693 11, 66| zij naar het vlakke veld Nazor.~
694 3, 24| zij vervolgden hen in de nedergang van Bethoron tot het veld
695 14, 14| 14 Hij versterkte al de nederigen zijns volks; hij onderzocht
696 4, 55| 55 En al het volk nedervallende op hun aangezichten, aanbaden,
697 5, 42| zeggende: Laat geen mens zich nederzetten, maar dat zij allen komen
698 11, 31| hebben aan Lasthenes, onze neef, van ulieden, schrijven
699 4, 52| vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand
700 16, 16| hem waren en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in
701 2, 24| dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak
702 4, 47| wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante
703 3, 28| zijn een jaar lang tot alle noden.~
704 6, 17| jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator.~
705 9, 72| zijn land, en hij heeft nooit weder ondernomen in hun
706 4, 30| zeide: Gezegend zijt gij, o behouder van Israël, gij,
707 6, 11| vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind
708 9, 66| 66 Hij sloeg Odomer en zijn broeders, en de
709 6, 22| lang zult gij geen recht oefenen, en zult onze broeders niet
710 1, 48| Dat zij de brandoffers, de offerande en het drankoffer uit het
711 4, 56| brandoffers, en slachtende offeranden der behoudenis en des lofs.~
712 12, 11| gevoegelijke dagen, in de ófferanden die wij offeren, en ook
713 4, 56| altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers,
714 2, 37| dat gij ons ten onrechte ombrengt.~
715 14, 48| men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, in een
716 3, 58| 58 En Judas zeide: Omgordt u, en weest sterke mannen,
717 6, 7 | gelijk het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura,
718 12, 13| verdrukkingen en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen,
719 15, 14| 14 En hij omsingelde de stad, en voegde schepen
720 10, 81| lage gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten
721 4, 42| 42 En hij verkoor onberispelijke priesters, die de wet liefhadden.~
722 3, 45| 45 En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en
723 10, 50| aanhield in de slag, tot de ondergang der zon toe, zo viel Demetrius
724 12, 27| 27 Als nu de zon 'ondergegaan was, gebood Jonathan, dat
725 13, 48| wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar,
726 10, 20| gij met ons vriendschap onderhoudt.~
727 9, 72| en hij heeft nooit weder ondernomen in hun landpalen te komen.~
728 3, 18| weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden
729 9, 11| 11 Ondertussen brak het krijgsvolk van
730 12, 10| hebben wij nochtans ons onderwonden aan u te zenden, om de broederschap
731 10, 38| om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester.~
732 14, 14| nederigen zijns volks; hij onderzocht naarstig de wet, en nam
733 2, 8 | geworden als een man die ongeëerd is.~
734 7, 14| krijgsvolk, en die zal ons geen ongelijk aandoen.~
735 1, 52| maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden
736 2, 37| over ons, dat gij ons ten onrechte ombrengt.~
737 1, 52| zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij
738 14, 7 | de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand,
739 13, 48| hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te
740 1, 39| 39 En zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom,
741 5, 57| 57 Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat
742 9, 63| hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren.~
743 3, 29| het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het
744 7, 31| Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken
745 5, 34| het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en
746 1, 43| 43 Haar ontering is geweest naar dat haar
747 3, 44| bidden, en barmhartigheid en ontferming te verzoeken.~
748 1, 46| offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat.~
749 10, 59| Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten.~
750 7, 34| hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig.~
751 1, 50| heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen zouden.~
752 7, 22| vergaderd allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het
753 16, 17| 17 En beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed.~
754 2, 24| zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn gelijk het recht
755 16, 22| dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen
756 10, 30| voortaan, opdat gij die ontvangt van het land Juda, en van
757 2, 43| En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden zich bij
758 9, 47| Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren.~
759 9, 45| daar is geen plaats om te ontwijken.~
760 15, 32| vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem
761 1, 32| 32 En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen
762 4, 2 | leger der Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen
763 7, 42| kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid.~
764 14, 9 | jongelingen deden heerlijke oorlogskledingen aan.~
765 15, 3 | aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid.~
766 14, 32| dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte
767 12, 37| aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de
768 12, 41| 41 En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en
769 10, 76| de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde
770 3, 28| 28 En hij opende zijn schatkamer, en gaf
771 11, 2 | woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen
772 5, 50| doch zij wilden hem niet opendoen.~
773 4, 36| zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen,
774 3, 16| En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging
775 8, 7 | koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote schatting
776 2, 58| de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel.~
777 7, 33| brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd.~
778 5, 39| en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed
779 5, 58| gegeven hebbende, zijn zij opgetogen tegen Jamnia.~
780 15, 10| honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land zijner vaderen,
781 3, 45| Jakob, en de fluit en citer ophielden,~
782 4, 36| heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.~
783 11, 27| en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden.~
784 5, 41| zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier, zo zullen
785 9, 39| 39 En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet daar
786 5, 30| aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet daar was veel volk,
787 16, 5 | 5 En des morgens vroeg opstaande, trokken zij naar het vlakke
788 9, 23| ongerechtigheid werkten, opstonden.~
789 9, 8 | overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of
790 12, 32| 32 En optrekkende, kwam hij naar Damaskus,
791 9, 38| aan hun broeder Johannes, optrokken en zich verborgen in een
792 11, 38| de zoon van Alexander, opvoedde;~
793 6, 15| Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.~
794 8, 14| hen een koninklijke hoed opzette, noch een purperen kleed
795 14, 42| wapenen en over de sterkten opzicht zouden hebben.~
796 1, 54| ganse koninkrijk, en heeft opzieners gemaakt over al het volk.~
797 6, 40| in verzekerdheid en goede orde.~
798 10, 7 | las deze brieven voor de oren van al het volk, en van
799 15, 37| schip, en vluchtte naar Orthosias.~
800 16, 3 | 3 Maar ik ben nu oud geworden, en gij zijt nu
801 15, 17| bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap
802 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en
803 10, 9 | hij gaf ze weder aan hun ouders.~
804 16, 2 | En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes,
805 9, 6 | hen maar achthonderd man overbleven.~
806 11, 8 | dacht tegen Alexander kwade overdenkingen.~
807 2, 61| 61 En overdenkt zo van geslacht tot geslacht,
808 3, 35| Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien,
809 2, 7 | daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand der vijanden?~
810 10, 49| vervolgde het, en kreeg de overhand over hen.~
811 2, 63| wederkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan.~
812 6, 54| overmits de honger hen had overmocht, en zij waren verstrooid,
813 10, 41| 41 En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben
814 2, 22| niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechter
815 5, 41| de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem
816 3, 30| koningen in mildheid had overtroffen;~
817 12, 26| hadden, om hen des nachts te overvallen.~
818 16, 16| en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd,
819 13, 51| jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen,
820 15, 23| Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus,
821 3, 3 | verbreid; en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde
822 8, 5 | En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië,
823 1, 1 | uittoog, Darius de koning der Perzen en Meden geslagen had, en
824 9, 56| dezelfde tijd met grote pijn.~
825 1, 14| heidenen inzettingen te plegen.~
826 6, 3 | stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat
827 4, 18| vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid.~
828 2, 54| het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen.~
829 3, 49| brachten daar de klederen des priesterdoms, en de eerstelingen, en
830 9, 54| hij verbrak de werken der profeten, en hij begon het te verbreken.~
831 7, 16| naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft:~
832 11, 15| tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs toog uit, en ontmoette hem
833 11, 57| uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden
834 7, 19| en wierp hen in een grote put.~
835 13, 28| hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere,
836 8, 15| dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden des volks raad hielden,
837 10, 79| naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter
838 5, 37| en legerde zich tegenover Rafon over de beek.~
839 11, 33| streken, Aferema, Lydda en Ramatha, welke van het land van
840 2, 43| 43 En allen die deze rampen ontvloden waren, voegden
841 10, 65| en tot een metgezel in de regering.~
842 13, 50| hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen.~
843 4, 43| 43 En zij reinigden het heiligdom, en namen
844 4, 36| opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden.~
845 11, 33| plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks
846 1, 59| de straten offerden zij reukwerk;~
847 4, 49| der brandoffers, en der reukwerken, en de tafel.~
848 3, 3 | zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen
849 9, 40| 40 En zij rezen op uit hun lage tegen hen,
850 9, 73| Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen
851 6, 15| koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zou zijn zoon Antiochus
852 4, 9 | vaderen zijn behouden in de Rode zee toen Faraö met grote
853 4, 10| 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons
854 9, 46| 46 Roept dan nu tot God in de hemel,
855 10, 21| Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand
856 13, 20| hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en
857 4, 20| hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde
858 4, 50| 50 En rookten op het altaar, en ontstaken
859 10, 73| veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vlieden.~
860 13, 34| handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest.~
861 9, 73| 73 En zo rustte het zwaard in Israël; en
862 16, 14| maand, deze is de maand Sabat.~
863 2, 26| tegen Zambri, de zoon van Salom.~
864 5, 66| vreemdelingen, en trok door Samaria.~
865 15, 12| zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de krijgslieden
866 15, 23| Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan
867 15, 23| 23 En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan
868 7, 41| degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk
869 6, 34| toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van
870 2, 5 | Jonathan, die genaamd was Sapfus.~
871 14, 28| 28 In Sarameli, in de grote vergadering
872 4, 30| van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
873 9, 35| die overste was over de schare, om aan de Nabatheeën, zijn
874 14, 49| gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en zijn zonen
875 6, 39| zon op de gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken,
876 12, 36| stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn,
877 8, 7 | gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken;~
878 13, 39| 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen
879 10, 39| land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te
880 2, 14| Mattathias en zijn zonen scheurden hun klederen, en deden zakken
881 15, 41| 41 En schikte daarin ruiters en krijgsknechten,
882 15, 37| Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias.~
883 1, 15| bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten der heidenen.~
884 8, 8 | Lydië, en andere van hun schoonste landen, en dat zij, die
885 11, 2 | tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was.~
886 6, 51| en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en
887 10, 81| omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk van
888 14, 48| 48 En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld in koperen
889 12, 21| 21 Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten
890 7, 12| 12 En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus
891 12, 22| gij wel doen, dat gij ons schrijft van uw welstand.~
892 5, 42| waters kwam, zo stelde hij de schrijvers des volks, en hij beval
893 1, 37| zij werden tot een grote schrik;~
894 4, 8 | Vreest hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval.~
895 1, 57| zette in holen, in al hun schuilplaatsen.~
896 12, 10| lange tijd tussen gekomen, sedert gij aan ons hebt gezonden.~
897 12, 38| En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en
898 11, 8 | hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen
899 7, 1 | honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging
900 15, 23| aan Myndos, en en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos,
901 15, 23| Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis,
902 5, 15| Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het ganse Galilea der
903 13, 27| achteren en van voren zeer sierlijk.~
904 11, 38| murmureerde, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind
905 2, 1 | van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen
906 6, 10| riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen,
907 1, 51| en andere onreine beesten slachten.~
908 4, 56| vreugde brandoffers, en slachtende offeranden der behoudenis
909 2, 11| vrij was, is zij nu een slavin geworden.~
910 6, 51| om pijlen te werpen en te slingeren.~
911 9, 11| in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden
912 1, 29| ganse huis van Jakob deed smaad klederen aan.~
913 4, 32| stoutheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden
914 13, 51| en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen,
915 13, 22| en hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok
916 6, 40| uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken
917 13, 29| maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige
918 11, 22| en zodra hij het hoorde, spande hij terstond aan, en kwam
919 8, 3 | gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen
920 13, 5 | mij, dat ik mijn ziel zou sparen in enige tijd der verdrukking,
921 14, 16| men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was,
922 9, 52| krijgslieden en voorraad van spijs.~
923 1, 37| brachten daarin wapenen en spijze; en de plundering van Jeruzalem
924 1, 67| zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond
925 5, 28| woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde
926 9, 26| de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen
927 10, 70| ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid geworden; waarom
928 1, 23| tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en de fiolen, en de gouden
929 1, 11| voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes,
930 14, 29| heiligdom en de wet zouden staande gehouden worden, en dat
931 16, 10| van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand,
932 11, 59| de stad kwamen hem zeer statig tegemoet.~
933 13, 29| enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en
934 2, 50| kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het verbond
935 10, 23| Joden, om zich daarmee te sterken?~
936 13, 49| hongersnood, en velen van hen stierven van honger.~
937 6, 45| 45 En hij liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de
938 14, 45| teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn.~
939 9, 26| hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte.~
940 9, 47| strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides
941 6, 25| 25 En zij strekten hun handen uit niet alleen
942 5, 4 | volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij
943 3, 47| en deden zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden
944 4, 38| verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos
945 7, 25| beschuldigde hen van boze stukken.~
946 8, 22| zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden,
947 9, 50| en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten,
948 7, 24| overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet
949 6, 27| gij zult hen niet kunnen tegenhouden.~
950 7, 25| dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weder tot
951 8, 11| eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij
952 11, 26| en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid van al zijn vrienden.~
953 5, 30| veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en
954 9, 66| zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan,
955 15, 40| Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen,
956 4, 33| 33 Werp hen terneder door het zwaard dergenen,
957 9, 23| de landpalen van Israël tevoorschijn kwamen, en dat allen die
958 8, 12| vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden,
959 9, 50| in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge
960 2, 3 | 3 Simon, die genaamd was Thassi,~
961 9, 33| vernemende, vloden in de woestijn Thekoa, en legerden zich bij het
962 3, 55| vijftig, en oversten over tien.~
963 7, 38| 38 Doe toch wraak over deze mens, en
964 15, 3 | heb vele oorlogsschepen toebereid.~
965 9, 39| kwam een gedruis, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn
966 7, 15| onze vrienden geen kwaad toebrengen.~
967 11, 45| die van de stad namen de toegangen der stad in, en begonnen
968 5, 20| 20 En Simon werden toegedeeld drieduizend man, om naar
969 11, 33| 33 Daarom hebben wij hun toegelegd de landpalen van Judea;
970 9, 55| verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam,
971 2, 24| gelijk het recht is, en toelopende doodde hem op het altaar.~
972 15, 32| zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en
973 1, 61| verbonds, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij naar het
974 8, 1 | sterkte, en dat zij licht toestonden al hetgeen hun voorgesteld
975 10, 14| hadden, want dit was hun toevlucht.~
976 13, 21| woestijn, en hun proviand toezenden.~
977 4, 13| 13 En zij togen uit hun leger om te strijden,
978 10, 34| mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen.~
979 7, 33| begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor
980 1, 68| 68 En de toom des konings was zeer groot
981 1, 23| gereedschap, en de tafel der toonbroden, en de sprengbekers, en
982 7, 3 | bekend werd, zeide hij: Toont mij hun aangezichten niet.~
983 13, 43| stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in.~
984 5, 13| die in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij
985 8, 14| aantrok, om zich daarin treffelijk te vertonen;~
986 5, 17| broeder: Verkies u mannen, en trek heen om uw broeders te verlossen,
987 16, 3 | mijns broeders plaats, en trekt op en strijdt voor ons volk.
988 9, 41| de bruiloft veranderd in treuren, en het geluid hunner muziek
989 9, 39| uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen.~
990 12, 9 | hebben, als die tot onze troost hebben de heilige boeken,
991 10, 27| nog daarin, dat gij ons trouwe houdt, en wij zullen u alles
992 1, 8 | Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn
993 9, 1 | Bacchides en Alcimus ten tweeden male te zenden naar het
994 3, 29| weinigen waren; overmits de tweespalt, en de plaag die hij in
995 3, 31| is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad,
996 5, 33| 33 En uitgaande achter hen met drie slagorden,
997 6, 40| van des konings leger werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige
998 7, 41| spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend.~
999 11, 37| ieder naar zijn plaats; uitgenomen het vreemde krijgsvolk,
1000 8, 10| sterkten verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij
1001 10, 64| heerlijkheid zagen, gelijk uitgeroepen was, en dat hem een purperen
1002 11, 60| Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde, belegerde hij haar
1003 10, 15| broeders, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden.~
1004 7, 47| rechterhand, die hij hovaardig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten
1005 3, 36| hun land door het lot zou uitgeven.~
|