74-hierv | hieve-uitge | uitgi-zwoer
Chapter, Verse
1006 3, 45| geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden
1007 2, 34| zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord
1008 2, 33| Het is nog tijd dat gij uitkomt, en doet naar het woord
1009 16, 1 | vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte.~
1010 6, 43| pantsers geharnast, en het was uitstekende boven al de beesten, en
1011 9, 68| zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was.~
1012 1, 1 | die uit het land Chittim uittoog, Darius de koning der Perzen
1013 10, 62| Jonathan zijn klederen zou uittrekken, en hem een purperen kleed
1014 3, 13| die met hem ten strijde uittrokken, en zeide:~
1015 9, 36| kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes,
1016 2, 67| zult de wraak uws volks uitvoeren.~
1017 11, 40| sterkten waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen
1018 4, 19| openbaarde zich een deel uitziende van de berg;~
1019 10, 70| tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaadheid
1020 2, 67| wet doen, en zult de wraak uws volks uitvoeren.~
1021 12, 45| naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinige mannen, die
1022 6, 8 | ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid
1023 13, 29| door allen, die op de zee varen.~
1024 1, 51| afgodshuizen zouden bouwen, en varkens en andere onreine beesten
1025 10, 34| nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor
1026 2, 27| voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij.~
1027 10, 72| voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaderen tweemaal
1028 3, 47| 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken
1029 6, 37| op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die
1030 4, 15| Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote
1031 14, 8 | zijn gewas, en de bomen des velds hun vruchten.~
1032 3, 14| die het woord des konings verachten.~
1033 1, 42| versmaadheid, en haar eer tot verachting.~
1034 1, 52| vergeten, en al de rechten veranderen.~
1035 6, 8 | woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat
1036 3, 7 | Hij heeft vele koningen verbitterd, en hij verheugde Jakob
1037 10, 26| gehoord, en zijn daarover verblijd geweest.~
1038 7, 38| lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben.~
1039 10, 26| 26 Dat gij de verbonden met ons hebt gehouden, en
1040 1, 61| gevonden werd het boek des verbonds, en zo iemand de wet toestond,
1041 16, 15| hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen.~
1042 10, 80| Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters.~
1043 11, 4 | lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand
1044 7, 35| wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote
1045 14, 6 | 6 En hij verbreidde zijn volk hun landpalen,
1046 9, 54| profeten, en hij begon het te verbreken.~
1047 16, 23| 23 Hetgeen nu Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen,
1048 7, 7 | heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan
1049 15, 4 | ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk
1050 14, 26| onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid
1051 11, 62| willende hem uit dat land verdrijven;~
1052 13, 1 | land van Juda, en het te verdrukken;~
1053 12, 13| 13 Wat ons aangaat, vele verdrukkingen en vele oorlogen omringen
1054 11, 27| waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem
1055 6, 13| getroffen hebben; en ziet, ik verga van grote droefheid in een
1056 2, 63| zijn overleggingen zullen vergaan.~
1057 2, 68| Vergeldt de heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden
1058 2, 68| 68 Vergeldt de heidenen de vergelding,
1059 1, 52| zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen.~
1060 11, 34| toebehoren, al deze dingen vergunnen wij hun, van nu af.~
1061 3, 26| koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas.~
1062 12, 12| 12 En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid.~
1063 14, 35| alle manieren zijn volk te verhogen.~
1064 11, 26| hem waren geweest, en hij verhoogde hem in tegenwoordigheid
1065 16, 13| 13 En zijn hart werd verhovaardigd, en hij wilde het land bemachtigen,
1066 10, 32| mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren.~
1067 12, 8 | brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan van gemeenschap
1068 1, 16| bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen.~
1069 15, 32| en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden des konings.~
1070 1, 3 | der aarde, en grote buit verkreeg van menigte der volken,
1071 13, 37| zijn, dat zij u vrijdom verlenen.~
1072 4, 27| horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet
1073 9, 7 | dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem
1074 3, 9 | vergaderde degenen, die verloren gingen.~
1075 5, 17| trek heen om uw broeders te verlossen, die daar in Galilea zijn;
1076 4, 25| dag is Israël een grote verlossing geschied.~
1077 9, 21| machtige gevallen, die Israël verloste?~
1078 11, 47| op die dag grote buit, en verlosten de koning.~
1079 3, 45| woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob,
1080 12, 37| aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha.~
1081 12, 50| en die met hem waren, zo vermaanden zij elkander, en zij trokken
1082 6, 1 | in Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver
1083 11, 36| heilige berg in een bekwame en vermaarde plaats.~
1084 7, 26| zond Nicanor, een van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte
1085 10, 24| hen schrijven woorden van vermaning, en van hoogheid, en van
1086 4, 35| zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weder
1087 2, 30| omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was.~
1088 14, 15| heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde de vaten van het heiligdom.~
1089 1, 25| En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid.~
1090 7, 42| 42 Vermorzel dan alzo dit leger heden
1091 4, 32| bewogen worden door hun vermorzeling.~
1092 12, 15| vijanden, en onze vijanden zijn vernederd.~
1093 6, 9 | over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat
1094 4, 57| gouden kronen en schilden, en vernieuwden de poorten, en de kamers
1095 12, 17| overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broederschap.~
1096 1, 39| rondom het heiligdom, en verontreinigden het heiligdom.~
1097 14, 23| boeken, voor ons volk daartoe verordineerd, opdat het volk der Spartiaten
1098 10, 52| hebbende, onze landen weder heb veroverd;~
1099 1, 5 | sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen;
1100 6, 33| op, des morgens vroeg, en verplaatste het leger; het in grote
1101 4, 32| 32 Geef hun versaagdheid, en doe de stoutheid van
1102 9, 73| goddelozen in Israël niet verschenen.~ ~
1103 11, 70| 70 En Jonathan verscheurde zijn klederen, en legde
1104 13, 45| en kinderen, hun klederen verscheurende, en riepen met een grote
1105 3, 25| en zijn broederen en een verschrikking begon te vallen op de volken,
1106 7, 30| was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht
1107 14, 44| vergaderen zonder hem, of versierd te worden met een purperen
1108 4, 57| 57 En versierden het voorste deel van de
1109 1, 2 | vele koningen der aarde versloeg;~
1110 1, 42| rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting.~
1111 5, 38| Judas zond om het leger te verspieden; en zij boodschapten hem
1112 12, 26| 26 En hij zond verspieders in zijn leger, die, wedergekeerd
1113 2, 43| hen, en werden hun tot een versterking.~
1114 11, 46| allen te zamen bij hem, en verstrooiden zich door de stad.~
1115 8, 14| zich daarin treffelijk te vertonen;~
1116 15, 36| gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn.~
1117 12, 45| en ik zal wederkeren en vertrekken, want om dezer oorzaak wil
1118 10, 78| van ruiterij, en op haar vertrouwde.~
1119 8, 16| 16 En dat zij een man vertrouwden om over hen te regeren voor
1120 6, 8 | droefheid in een krankheid is vervallen, omdat het hem niet was
1121 6, 10| mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de bekommernis.~
1122 5, 60| op de vlucht gedreven, en vervolgd tot de landpalen van Judea;
1123 4, 16| keerden weder van hen te vervolgen;~
1124 3, 49| Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden.~
1125 3, 49| eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen
1126 10, 8 | gegeven had om krijgsvolk te verzamelen.~
1127 6, 40| de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde.~
1128 14, 37| en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad,
1129 11, 28| 28 En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea,
1130 7, 13| kinderen van Israël, en zij verzochten hun vrede.~
1131 2, 52| 52 Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en
1132 8, 31| Waarom hebt gij uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten
1133 7, 48| was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van
1134 10, 11| de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een sterkte,
1135 9, 51| daarin bezetting, om Israël vijandelijk te bestrijden.~
1136 2, 9 | jongelingen door het zwaard des vijands.~
1137 2, 2 | 2 En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd
1138 1, 58| 58 En de vijftiende dag van de maand Chasleu
1139 10, 40| En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkelen zilver van de rekeningen
1140 14, 12| onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen
1141 10, 16| wij ook een zodanige man vinden? Laat ons dan nu hem tot
1142 9, 47| 47 En de strijd ving aan, en Jonathan strekte
1143 2, 32| tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de krijg aan op
1144 2, 59| geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden.~
1145 7, 17| 17 Zij hebben het vlees uwer heiligen, en hun bloed
1146 6, 11| gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och,
1147 1, 18| ruiters, en met een grote vloot.~
1148 10, 43| tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al de landpalen
1149 15, 11| vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de
1150 15, 14| hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee te zamen,
1151 1, 2 | Dat hij vele veldslagen voerde, en sterkten bemachtigde,
1152 3, 2 | vader aangehangen hadden, en voerden de krijg van Israël met
1153 5, 11| gevloden zijn, en Timotheüs voert hun leger aan.~
1154 10, 72| zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen
1155 6, 30| krijgsvolk was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters,
1156 16, 7 | ruiters in het midden van het voetvolk, doch de ruiterij van de
1157 2, 55| als hij het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël
1158 4, 51| hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij
1159 4, 19| 19 Als Judas dit nog voleindde te zeggen, zo openbaarde
1160 1, 14| sommigen van het volk waren volvaardig en trokken naar de koning,
1161 5, 46| hand noch ter linkerhand voorbij trekken, maar men moest
1162 12, 16| gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap
1163 10, 23| gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken
1164 8, 1 | toestonden al hetgeen hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap
1165 1, 23| gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden
1166 4, 51| op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze
1167 9, 54| de muur van de binnenste voorhof des heiligdoms zou afgebroken
1168 1, 16| En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig
1169 10, 4 | hij zeide: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken,
1170 6, 27| indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere
1171 1, 66| versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine
1172 9, 52| stelde daarin krijgslieden en voorraad van spijs.~
1173 4, 57| 57 En versierden het voorste deel van de tempel, met
1174 6, 6 | een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun
1175 11, 23| men met de belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van
1176 10, 82| En Simon, zijn krijgsvolk voortgebracht hebbende, viel aan op de
1177 1, 11| 11 En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk
1178 9, 11| bogen vochten hadden de voortocht voor het krijgsvolk, en
1179 9, 22| hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven,
1180 10, 88| dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken.~
1181 16, 21| 21 En een, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes
1182 6, 35| duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren
1183 3, 30| gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had
1184 10, 72| 72 Vraag daarnaar, en leer wie ik
1185 8, 22| zijn een gedenkteken des vredes en der gemeenschap van wapenen:~
1186 3, 56| wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder dezer
1187 15, 5 | dan ik bevestig u al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben
1188 15, 5 | al de vrijdommen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die
1189 14, 26| verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij schreven
1190 4, 18| plundert hen daarna met vrijmoedigheid.~
1191 14, 8 | en de bomen des velds hun vruchten.~
1192 10, 54| geschenken geven, die uwer waardig zijn.~
1193 6, 23| na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van
1194 7, 18| zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want
1195 3, 48| breidden de boeken der wet uit, waarnaar de heidenen naarstig zochten,
1196 14, 36| een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitvallende alles rondom
1197 8, 6 | olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel krijgsvolk,
1198 12, 27| die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn,
1199 11, 41| verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal
1200 4, 30| zoon van Saul, en van zijn wapendrager.~
1201 1, 18| met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters,
1202 9, 58| laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen tezamen
1203 7, 35| geschieden, indien ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden.
1204 12, 24| oversten des konings Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer
1205 14, 34| wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin.~
1206 15, 33| die door onze vijanden wederrechtelijk bij zekere gelegenheid bemachtigd
1207 7, 36| altaar en de tempel, en weenden en zeiden:~
1208 9, 36| en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken.~
1209 6, 56| 56 Weergekeerd was van Perzië en Medië,
1210 16, 3 | werk der barmhartigheid. Wees gij dan in mijn en mijns
1211 14, 36| de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad
1212 6, 53| hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten.~
1213 9, 9 | want onze broeders zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen
1214 2, 9 | heerlijke vaten zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn
1215 11, 4 | verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen,
1216 6, 62| dat men de muur rondom zou wegnemen.~
1217 4, 2 | van de burcht waren zijn wegwijzers.~
1218 12, 45| en verkies uzelf enige weinige mannen, die met u zullen
1219 13, 7 | 7 En hij wekte de geest des volks op, doordat
1220 4, 7 | en deze waren in de krijg wèl ervaren),~
1221 11, 9 | koning Demetrius, zeggende: Welaan, laat ons met elkander een
1222 11, 52| vergold hem niet naar de weldaden, die bij hem bewezen had,
1223 8, 23| het volk der Joden moet welgaan, te water en te land, in
1224 16, 2 | huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze
1225 1, 46| velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en
1226 4, 7 | heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die
1227 3, 6 | beroerd werden, en dat het welging met de behoudenis door zijn
1228 5, 62| zaad van die mannen, door welker hand Israël behoudenis is
1229 12, 22| gij ons schrijft van uw welstand.~
1230 14, 4 | Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht
1231 5, 64| gezamenlijk vergaderden bij ben, wensende hun veel geluk.~
1232 1, 48| drankoffer uit het heiligdom weren zouden.~
1233 3, 6 | zich introkken, en dat alle werkers der ongerechtigheid tezamen
1234 10, 11| 11 En hij gebood de werklieden, dat zij de muren zouden
1235 9, 23| allen die ongerechtigheid werkten, opstonden.~
1236 4, 33| 33 Werp hen terneder door het zwaard
1237 2, 17| Gij zijt een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze
1238 1, 23| de fiolen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en
1239 4, 36| reinigen, en het opnieuw in te wijden.~
1240 11, 33| wat daaraan behoort, geven wijl aan allen die te Jeruzalem
1241 6, 34| de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen
1242 3, 56| huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig
1243 14, 12| een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er
1244 11, 62| waren, met veel krijgsvolk, willende hem uit dat land verdrijven;~
1245 3, 22| onze aangezichten; gij dan wilt hen niet vrezen.~
1246 13, 17| 17 En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken,
1247 5, 4 | 4 En indachtig wordende de boosheid van de kinderen
1248 13, 40| worden, dat zij opgeschreven wordene, en laat tussen ons vrede
1249 2, 62| heerlijkheid zal tot drek en wormen worden.~
1250 6, 22| zult onze broeders niet wreken?~
1251 12, 31| naar de Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg
1252 11, 17| 17 En Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander
1253 2, 26| eertijds Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom.~
1254 11, 1 | krijgsvolk, gelijk daar is het zand aan de oever der zee en
1255 14, 9 | 9 De ouden zaten op de straten, en spraken
1256 15, 38| Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem krijgsvolk,
1257 4, 23| klederen van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom.~
1258 11, 8 | verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan
1259 2, 69| 69 En hij zegende hen, en werd bij zijn vaderen
1260 3, 7 | en zijn gedachtenis is in zegening tot in der eeuwigheid.~
1261 9, 58| zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides
1262 13, 25| 25 En Simon, enigen zendende, nam de beenderen van zijn
1263 11, 42| doen, dat gij mij mannen zendt, die mij helpen strijden,
1264 6, 42| vielen van des konings leger zeshonderd mannen.~
1265 7, 16| doch zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen
1266 4, 28| vergaderde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend
1267 13, 28| 28 En hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht
1268 3, 39| veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in
1269 3, 52| 52 En zie, de heidenen zijn tegen
1270 6, 12| en dat ik al de gouden en zilveren vaten, die daarin waren,
1271 15, 32| met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en
1272 2, 48| overwinning niet aan die zondaar.~
1273 2, 44| te zamen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en de boze
1274 1, 36| 36 En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet
1275 1, 11| hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus
1276 2, 62| niet voor de woorden des zondigen mans, want zijn heerlijkheid
1277 4, 24| En wedergekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging
1278 14, 42| veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door hem
1279 10, 29| en van de impost van het zout, en van de kroongelden,
1280 11, 34| die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons
1281 1, 27| oversten en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongelingen
1282 13, 47| hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden
1283 12, 40| vrezende, dat Jonathan hem zulks mogelijk niet zou toelaten,
1284 4, 6 | hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij gaarne wilden.~
1285 11, 5 | veracht te maken; en de koning zweeg,~
1286 9, 48| sprongen in de Jordaan, en zwemmen over, en zij gingen niet
1287 6, 61| de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij
|