|
6
1
En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in
Perzië, een stad was, vermaard van rijkdom, van zilver en van goud;
2
En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen,
en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning
van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had;
3
Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij
kon niet, omdat deze zaak de lieden van die stad bekend werd.
4
En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok
vandaar met grote droefheid, en keerde weder naar Babylon.
5
En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het
land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen;
6
En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun
aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met
wapenen, en krijgsvolk, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die
zij geslagen hadden;
7
En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te
Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, gelijk het eerst was, hadden omringd met
hoge muren, en Bethsura, zijn stad.
8
En het geschiedde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en
ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit droefheid in een krankheid is
vervallen, omdat het hem niet was gegaan gelijk hij gedacht had.
9
En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd,
en hij meende dat hij zou sterven.
10
Waarom hij al zijn vrienden riep, en zeide tot hen: De slaap houdt op van mijn
ogen, en mijn hart vervalt vanwege de bekommernis.
11
En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot
wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en bemind ware
geweest in mijn heerschappij!
12
Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de
gouden en zilveren vaten, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb
om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien.
13
Ik beken dat om dezer dingen wil mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet,
ik verga van grote droefheid in een vreemd land.
14
En hij riep Filippus, een van zijn vrienden, en stelde hem over zijn ganse
koninkrijk;
15
En hij gaf hem zijn koninklijke hoed, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring,
dat hij zou zijn zoon Antiochus halen, en hem opvoeden om koning te zijn.
16
En de koning Antiochus stierf aldaar, in het honderdnegenenveertigste jaar.
17
En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon,
om koning te zijn in zijn plaats, welke hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en
noemde zijn naam Eupator.
18
Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom
besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een sterkte waren voor de
heidenen;
19
Zo nam Judas zich voor deze te verdelgen, en verzamelde al het volk om hen te
belegeren.
20
Die, tezamen vergaderd zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar,
en bij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld.
21
En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël
voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden:
22
Hoe lang zult gij geen recht oefenen, en zult onze broeders niet wreken?
23
Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in hetgeen door hem
geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de lieden van dit volk van
ons vervreemd werden.
24
Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze
erfgoederen werden geroofd;
25
En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun
landpalen.
26
En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van
Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk
gemaakt.
27
En indien gij hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen
dan deze, en gij zult hen niet kunnen tegenhouden.
28
En de koning werd toornig toen hij dit hoorde, en vergaderde al zijn vrienden,
de oversten van zijn krijgsvolk, en die over de ruiterij waren.
29
En van andere koningen en van de eilanden der zee kwam veel krijgsvolk tot hem,
dat gehuurd was.
30
Zodat het getal van zijn krijgsvolk was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend
ruiters, en tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd.
31
En zij kwamen door Idumeä, en legerden zich tegen Bethsura, hetwelk zij vele
dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen
uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk.
32
En Judas brak op van de burcht en legerde zich in Bethzacharia tegenover het
leger des konings.
33
En de koning stond op, des morgens vroeg, en verplaatste het leger; het in grote
haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om
te vechten, zo bliezen zij de trompetten.
34
En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen
tot de strijd te moediger te maken.
35
En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke
olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliën, en
die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden
geordineerd bij elk beest.
36
Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij
mee, en weken van hetzelve niet.
37
En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten,
daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen
en een Indiaan, die het beest regeerde.
38
En het overige krijgsvolk stelden de oversten aan de twee delen van het leger,
ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende.
39
Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken, en
lichtten gelijk lampen van vuur.
40
En een deel van des konings leger werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige
naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde.
41
En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het gedruis
der wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk.
42
En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van des konings
leger zeshonderd mannen.
43
En Eleazar Auäran zag een van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en
het was uitstekende boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was;
44
En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te
verkrijgen.
45
En hij liep zeer stoutmoedig op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg
dood ter rechter hand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden
van hem.
46
En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en
hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf.
47
En als zij zagen de sterkte des konings, en de aanval van het krijgsvolk, weken
zij van hen af.
48
En die van des konings leger waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de
koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion.
49
En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de
stad, dewijl zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te
blijven, en het een sabbats jaar des lands was.
50
En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren.
51
En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar
stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en
schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren.
52
En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten
vele dagen.
53
En zij hadden geen eetwaren in hun vaten, omdat het het zevende jaar was, en
die behouden en van de heidenen in Judea gevloden waren, hadden het overige,
dat weggelegd was, gegeten.
54
En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, overmits de honger hen
had overmocht, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats.
55
Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog
leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou
zijn,
56
Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de krijgsmachten des konings die met
hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken
daarvan,
57
Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkander aangespoord dat zij van de burcht
zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van het
krijgsvolk, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer
weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het
koninkrijk verzorgen.
58
Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen
maken, en met al hun volk.
59
En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, gelijk
tevoren. Want om hunner wetten wil, die wij verbroken hebben, zijn zij toornig
geworden, en hebben al deze dingen gedaan.
60
Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede
aan te bieden, en zij namen hem aan.
61
En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de
sterkte;
62
En de koning ging op de berg Sion, en bezag de sterkte der plaats, en verbrak
de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen.
63
En is haastig vertrokken, en keerde weder naar Antiochië, en hij vond daar
Filippus, die over de stad regeerde, en hij krijgde tegen hem, en nam de stad
in met geweld.
|