1-500 | 501-1000 | 1001-1027
Chapter, Verse
1 1, 1 | Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van Judea
2 1, 1 | in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede.~
3 1, 2 | 2 God doe ulieden goed en gedenke aan zijn verbond
4 1, 2 | heeft met Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienstknechten.~
5 1, 3 | 3 En geve u allen een hart om
6 1, 3 | een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met
7 1, 3 | doen met een goed hart, en gewillige ziel.~
8 1, 4 | 4 En opene uw hart in zijn wet,
9 1, 4 | opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve
10 1, 4 | wet, en in zijn geboden, en geve u vrede.~
11 1, 5 | 5 En verhore uw gebeden, en zij
12 1, 5 | 5 En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate
13 1, 5 | en zij met u verzoend, en verlate u niet in de kwade
14 1, 7 | geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen
15 1, 7 | van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het
16 1, 7 | waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken.~
17 1, 8 | zij de voorpoort verbrand, en onschuldig bloed vergoten
18 1, 8 | onschuldig bloed vergoten hebben; en wij de Here baden, en verhoord
19 1, 8 | hebben; en wij de Here baden, en verhoord zijn, en offerden
20 1, 8 | baden, en verhoord zijn, en offerden slachtofferen,
21 1, 8 | offerden slachtofferen, en zemelmeel, en ontstaken
22 1, 8 | slachtofferen, en zemelmeel, en ontstaken de lampen, en
23 1, 8 | en ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden voor.~
24 1, 10| honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad
25 1, 10| Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas,
26 1, 10| zijn, en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus,
27 1, 10| der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in
28 1, 10| in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid.~
29 1, 13| overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk
30 1, 14| 14 Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in
31 1, 15| priesters van Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen
32 1, 16| 16 En Antiochus ging in, en zij
33 1, 16| 16 En Antiochus ging in, en zij openden een geheime
34 1, 16| geheime deur des gewelfs, en werpende met stenen, doodden
35 1, 16| de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden
36 1, 16| zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende,
37 1, 18| het feest der loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia
38 1, 19| het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte
39 1, 19| die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd,
40 1, 20| 20 En als er vele jaren verlopen
41 1, 20| gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen
42 1, 21| dat zij zouden putten, en brengen; en als hetgeen
43 1, 21| zouden putten, en brengen; en als hetgeen tot de offeranden
44 1, 21| Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag, te besprengen
45 1, 23| 23 En als de offerande verteerd
46 1, 23| de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende,
47 1, 23| volk, Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia,
48 1, 24| 24 En het gebed geschiedde op
49 1, 24| gij die vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig,
50 1, 24| vreselijk zijt, en sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen,
51 1, 24| sterk, en rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen
52 1, 24| die alleen koning zijt, en goedertieren.~
53 1, 25| zijt, alleen rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, gij
54 1, 25| rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, gij die Israël behoudt
55 1, 25| gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd;~
56 1, 26| voor al uw volk Israël, en bewaar uw deel, en heilig
57 1, 26| Israël, en bewaar uw deel, en heilig hen.~
58 1, 27| die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden
59 1, 27| gruwel gehouden worden; en laat de heidenen bekennen
60 1, 28| hen, die ons overheersen, en die ons in hovaardigheid
61 1, 30| 30 En de priesters zongen ondertussen
62 1, 31| 31 En als de offerande verteerd
63 1, 32| daar een vlam ontstoken, en als het licht van het altaar
64 1, 33| 33 En als dit openbaar werd, en
65 1, 33| En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt,
66 1, 34| 34 En de koning voor goed kennende
67 1, 34| heeft die plaats omheind en heilig gemaakt.~
68 1, 35| 35 En degenen, wie hij gunstig
69 1, 35| gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven genomen
70 1, 35| verscheidene gaven genomen en medegedeeld.~
71 1, 36| 36 En Nehemia noemde het Neftar,
72 1, 36| overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog
73 2, 1 | nemen, gelijk verklaard is, en gelijk de profeet degenen,
74 2, 2 | vergeten de geboden des Heren, en dat zij niet zouden dwalen
75 2, 2 | verstand, ziende de gouden en zilveren beelden, en hun
76 2, 2 | gouden en zilveren beelden, en hun versiering.~
77 2, 3 | 3 En andere dergelijke dingen
78 2, 4 | 4 En in hetzelfde schrift was
79 2, 4 | heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door
80 2, 4 | onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de
81 2, 4 | welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag.~
82 2, 5 | 5 En dat Jeremia daar komende,
83 2, 5 | spelonk gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en
84 2, 5 | en dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar
85 2, 5 | de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht
86 2, 5 | reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.~
87 2, 6 | 6 En dat enigen, die hem gevolgd
88 2, 6 | enigen, die hem gevolgd en heengegaan waren, om de
89 2, 7 | 7 En hoe Jeremia, dit verstaande,
90 2, 7 | plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen.~
91 2, 8 | 8 En dat de Here dan deze dingen
92 2, 8 | dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren,
93 2, 8 | heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden,
94 2, 8 | aan Mozes is geopenbaard, en gelijk Salomo gebeden heeft
95 2, 9 | geofferd heeft tot inwijding en heiliging van de tempel.~
96 2, 10| een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel
97 2, 10| vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en
98 2, 10| en de offerande verslond; en dat zo ook Salomo gebeden
99 2, 10| ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur nederkomende
100 2, 11| 11 En hoe Mozes zeide: Opdat de
101 2, 13| 13 En deze zelfde dingen worden
102 2, 13| verhaald in die schriften en in de aantekeningen van
103 2, 13| aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek
104 2, 13| schriften van de koningen en profeten, en de schriftenl
105 2, 13| de koningen en profeten, en de schriftenl van David,
106 2, 13| de schriftenl van David, en de brieven der koningen
107 2, 14| waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.~
108 2, 16| hebben wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat
109 2, 17| 17 En God, die al zijn volk heeft
110 2, 17| zijn volk heeft behouden, en allen heeft gegeven het
111 2, 17| heeft gegeven het erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap
112 2, 17| erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap en de
113 2, 17| koninkrijk, en het priesterschap en de heiliging;~
114 2, 18| over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen,
115 2, 19| uit grote ellenden verlost en heeft deze plaats gereinigd.~
116 2, 20| zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging
117 2, 20| Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging van de grote
118 2, 20| reiniging van de grote tempel, en de inwijding des altaars;~
119 2, 21| 21 En aangaande de oorlogen, die
120 2, 21| tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator,~
121 2, 22| 22 En de verschijningen, die van
122 2, 22| ganse land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben
123 2, 23| 23 En dat de tempel, die door
124 2, 23| weder door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld;
125 2, 23| stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast
126 2, 25| verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is
127 2, 26| enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn
128 2, 26| te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal
129 2, 27| maar een zaak vol zweten en waken.~
130 2, 28| grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt
131 2, 30| zijn over het ganse gebouw, en een, die met inbranden voorneemt
132 2, 31| vele redenen te gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal
133 2, 32| zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring der
134 3, 1 | alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best
135 3, 1 | hogepriesters Onias' godzaligheid en haat der boosheid.~
136 3, 2 | koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke
137 3, 4 | 4 En een zekere Simon, uit de
138 3, 5 | 5 En als hij Onias niet kon overwinnen,
139 3, 5 | overste was van Celo-Syrië en Fenicië.~
140 3, 6 | 6 En heeft hem geboodschapt,
141 3, 6 | kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot
142 3, 6 | rekening der offeranden, en dat het mogelijk was, dat
143 3, 8 | 8 En Heliodorus ving terstond
144 3, 8 | de steden van Celo-Syrië en van Fenicië wilde doorreizen,
145 3, 9 | gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de
146 3, 9 | hetgeen te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak
147 3, 9 | wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen
148 3, 10| weggelegd was voor de weduwen en wezen;~
149 3, 11| 11 En dat een deel daarvan ook
150 3, 11| lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren
151 3, 11| vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud.~
152 3, 12| 12 En dat men ongelijk zou doen
153 3, 12| de heiligheid der plaats, en op de eerwaardigheid en
154 3, 12| en op de eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die
155 3, 12| gehele wereld geëerd is, en dat derhalve zulks gans
156 3, 14| 14 En een dag gesteld hebbende,
157 3, 14| om het geld te overzien, en daarop orde te stellen;
158 3, 14| daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid
159 3, 15| 15 En de priesters in hun priesterlijke
160 3, 15| zich neder voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot
161 3, 16| 16 En wie des hogepriesters aangezicht
162 3, 16| verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd
163 3, 17| 17 Want vrees en verschrikking van het lichaam
164 3, 18| 18 En deze liepen met hopen uit
165 3, 19| 19 En de vrouwen, zijnde met zakken
166 3, 19| borssten, vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten
167 3, 19| poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen naar beneden
168 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar
169 3, 21| elkander gemengd nederviel, en in welke verwachting de
170 3, 23| volbrengen hetgeen besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist
171 3, 24| heeft de prins der geesten en van alle macht een grote
172 3, 24| verslagen zijnde, bezweken en in vrees nedervielen.~ groot~
173 3, 25| Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een
174 3, 26| 26 En daar verschenen voor hem
175 3, 26| uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid,
176 3, 26| schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die
177 3, 27| 27 En als hij snel ter aarde viel,
178 3, 27| hij snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen
179 3, 27| namen zij hem tezamen op, en zetten hem in een draagstoel;~
180 3, 28| 28 En hem, die tevoren met veel
181 3, 28| tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in
182 3, 28| niet kon geholpen worden, en openlijk de heerschappij
183 3, 29| 29 En hij lag daar, door de Goddelijke
184 3, 29| Goddelijke kracht, zonder spraak, en verstoken van alle hoop
185 3, 29| verstoken van alle hoop en behoudenis.~
186 3, 30| plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig
187 3, 30| weinig tevoren vol vreze, en beroerte was, doordat de
188 3, 30| werd vervuld met blijdschap en vreugde.~
189 3, 31| 31 En sommigen van Heliodorus'
190 3, 32| 32 En de hogepriester, beducht
191 3, 33| 33 En als de hogepriester de verzoening
192 3, 33| zijnde met dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dankt
193 3, 34| 34 En gij, uit de hemel gegeseld
194 3, 34| de overgrote kracht Gods. En als zij deze dingen gezegd
195 3, 35| 35 En Heliodorus, als hij God
196 3, 35| offerande had geofferd, en zeer grote beloften had
197 3, 35| leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had,
198 3, 36| 36 En hij getuigde aan allen de
199 3, 37| 37 En als de koning Heliodorus
200 3, 38| lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld
201 3, 39| woonstede heeft, is de opziener en helper van die plaats, en
202 3, 39| en helper van die plaats, en hij slaat en verderft die
203 3, 39| die plaats, en hij slaat en verderft die daar komen
204 3, 40| 40 En dit is hetgeen gebeurd is
205 3, 40| is aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~
206 4, 1 | was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak
207 4, 1 | Heliodorus geslagen had, en aanstichter ware geweest
208 4, 2 | 2 En hij durfde zeggen van hem,
209 4, 2 | stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote
210 4, 2 | zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat
211 4, 3 | 3 En als de vijandschap zover
212 4, 4 | hevigheid van de twist, en hoe Apollonius raasde, als
213 4, 4 | zijnde overste van Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid
214 4, 4 | van Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon
215 4, 6 | kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden
216 4, 7 | de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes,
217 4, 8 | 8 En om dat te verkrijgen beloofde.
218 4, 8 | driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit
219 4, 9 | 9 En daarenboven beloofde hij
220 4, 9 | macht zichzelf een school en een oefenperk der jeugd
221 4, 9 | jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem
222 4, 10| koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen
223 4, 11| 11 En heeft de voorrechten afgeschaft,
224 4, 11| verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen
225 4, 11| gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering
226 4, 11| wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze
227 4, 12| 12 En als hij willekeurig een
228 4, 12| dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen
229 4, 13| lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang der
230 4, 14| maar de tempel verachtende, en de offeranden nalatende,
231 4, 15| 15 En de eerlijke wijzen der vaderen
232 4, 16| dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen,
233 4, 16| leidingen zij naijverden, en wie zij in alles zich gelijk
234 4, 18| te Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig
235 4, 20| 20 En om degenen die ze brachten,
236 4, 21| 21 En als Apollonius, de zoon
237 4, 22| 22 En zeer heerlijk door Jason
238 4, 22| zeer heerlijk door Jason en de ganse stad ontvangen,
239 4, 22| de ganse stad ontvangen, en met toortsen en gejuich
240 4, 22| ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde,
241 4, 23| 23 En na de tijd van drie jaren
242 4, 23| koning het geld te brengen, en om hen in gedachtenis te
243 4, 25| 25 En des konings bevelen ontvangen
244 4, 25| gemoed van een wrede tiran en een verbolgenheid van een
245 4, 26| 26 En Jason, die zijn eigen broeder
246 4, 27| 27 En Menelaüs heeft wel het opperste
247 4, 29| zijn broeder, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats
248 4, 30| 30 En als deze dingen zo gesteld
249 4, 30| gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten,
250 4, 32| 32 En Menelaüs, achtende, dat
251 4, 32| vaten van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus,
252 4, 32| geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht
253 4, 32| andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.~
254 4, 34| die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd,
255 4, 34| hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven
256 4, 34| uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem terstond rondom
257 4, 35| het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen,
258 4, 36| 36 En als de koning wedergekomen
259 4, 36| dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen
260 4, 37| van harte bedroefd zijnde, en tot barmhartigheid geneigd,
261 4, 37| des overledenen matigheid en grote geschiktheid.~
262 4, 38| 38 En in zijn gemoed met gramschap
263 4, 38| purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en
264 4, 38| en zijn rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd
265 4, 38| doodslager van het leven beroofd, en zo heeft de Here hem de
266 4, 39| 39 En als door Lysimachus vele
267 4, 39| met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan
268 4, 40| 40 En als de scharen op de been
269 4, 40| scharen op de been geraakt en vol gramschap waren, wapende
270 4, 40| Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige
271 4, 40| een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook
272 4, 40| tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand.~
273 4, 41| 41 En dezen, ziende de aanval
274 4, 41| Lysimachus, grepen stenen en anderen dikke stokken, en
275 4, 41| en anderen dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk
276 4, 41| handen tezamen geperst, en wierpen het op degenen,
277 4, 42| sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht
278 4, 42| allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden
279 4, 43| 43 En over deze zaken werd recht
280 4, 44| 44 En als de koning gekomen was
281 4, 45| 45 En Menelaüs, nu verlaten zijnde,
282 4, 47| 47 En heeft Menelaüs, die oorzaak
283 4, 47| van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die,
284 4, 48| degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige
285 4, 48| voor de stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze
286 4, 50| 50 En Menelaüs bleef door de gierigheid
287 4, 50| toenemende in boosheid, en is geworden een groot verrader
288 5, 2 | 2 En het gebeurde dat door de
289 5, 2 | troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;~
290 5, 3 | 3 En hopen paarden in slagorde
291 5, 3 | paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkander
292 5, 3 | op elkander geschiedde, en aanlopen tegen elkander,
293 5, 3 | aanlopen tegen elkander, en beweging der schilden, een
294 5, 3 | grote menigte van spiesen, en schieten van pijlen, en
295 5, 3 | en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen
296 5, 3 | van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen.~
297 5, 5 | 5 En als er een vals gerucht
298 5, 5 | inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven
299 5, 5 | de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen
300 5, 6 | 6 En Jason sloeg zijn eigen burgers
301 5, 6 | grootste tegenspoed was; en hij dacht dat hij tekenen
302 5, 7 | behalende, vluchtte hij, en trok weder in het land Ammonitis.~
303 5, 8 | door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van
304 5, 8 | van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van
305 5, 8 | beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar
306 5, 9 | 9 En hij, die velen uit hun vaderland
307 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven
308 5, 10| heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch
309 5, 11| vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen
310 5, 12| 12 En gebood de krijgslieden,
311 5, 12| zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die
312 5, 13| 13 En er geschiedde een grote
313 5, 13| een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en
314 5, 13| van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen
315 5, 13| en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden
316 5, 13| en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht,
317 5, 13| kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen
318 5, 13| omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood.~
319 5, 14| werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht
320 5, 15| 15 En daarmee niet tevreden zijnde,
321 5, 16| 16 En met zijn onreine handen
322 5, 16| de heilige vaten nemende, en wat door andere koningen
323 5, 16| vermeerdering, heerlijkheid en eer der plaats geschonken
324 5, 17| tijd vertoornd was geweest, en dat hij daarom de plaats
325 5, 20| 20 En daarom is dezelfde plaats,
326 5, 20| geworden de weldadigheden, en het volk dat door de almachtige
327 5, 21| kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou
328 5, 22| 22 En hij heeft ook enige oversten
329 5, 22| afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene,
330 5, 23| 23 En in Garizin Andronicus, en
331 5, 23| En in Garizin Andronicus, en benevens deze Menelaüs,
332 5, 24| 24 En hij had tegen de Joodse
333 5, 24| burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste,
334 5, 24| gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen
335 5, 24| zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.~
336 5, 26| 26 En heeft allen, die uitgegaan
337 5, 26| zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen
338 5, 27| 27 En Judas, de Makkabeeër, is
339 5, 27| vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij
340 5, 27| wijze der wilde dieren, en zij aten als voedsel gras,
341 5, 27| zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel
342 6, 1 | 1 En niet lang daarna zond de
343 6, 1 | de wetten hunner vaderen, en niet zouden wandelen naar
344 6, 2 | 2 En ook om de tempel te Jeruzalem
345 6, 2 | Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel
346 6, 2 | tempel van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te
347 6, 3 | was het volk bezwaarlijk en moeilijk.~
348 6, 4 | vervuld met overdadigheid, en brasserijen der heidenen,
349 6, 4 | daar in luiheid leefden, en in de heilige galerijen
350 6, 4 | vermengden met de vrouwen; en daarenboven dingen daarin
351 6, 5 | 5 En het altaar werd ook met
352 6, 6 | 6 En men mocht geen sabbatten
353 6, 7 | 7 En zij werden door een bittere
354 6, 7 | de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus
355 6, 8 | 8 En in de naburige Griekse steden,
356 6, 9 | 9 En dat al degenen, die niet
357 6, 10| stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.~
358 6, 11| 11 En enige anderen, te zamen
359 6, 16| barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk met tegenspoed
360 6, 17| ons gezegd tot vermaning, en wij zullen met weinige woorden
361 6, 18| zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht,
362 6, 18| zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten.~
363 6, 21| 21 En degenen, die gesteld waren
364 6, 21| hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen,
365 6, 22| zou vrijgelaten worden, en opdat hij, om de oude vriendschap
366 6, 23| besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid des ouderdoms
367 6, 23| des ouderdoms betaamde, en zijn grauwe haren, die hij
368 6, 23| hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding,
369 6, 23| ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving,
370 6, 25| Zij ook door mijn veinzen, en door deze kleine en snel
371 6, 25| veinzen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd,
372 6, 25| mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek
373 6, 25| worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom
374 6, 28| 28 En zal de jongelieden een heerlijk
375 6, 28| om voor de eerwaardige en heilige wetten gewillig
376 6, 28| heilige wetten gewillig en kloek een eerlijke dood
377 6, 28| eerlijke dood te sterven. En als hij dit gezegd had,
378 6, 29| 29 En die hem leidden, veranderden
379 6, 30| 30 En als hij nu door de slagen
380 6, 30| verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit
381 6, 31| 31 En op deze wijze is hij gestorven,
382 6, 31| voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot een gedachtenis der
383 7, 1 | ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen
384 7, 1 | proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.~
385 7, 2 | 2 En een hunner, die voor de
386 7, 2 | Wat wilt gij ons vragen, en van ons weten? want wij
387 7, 3 | 3 En de koning zeer gram wordende,
388 7, 3 | wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou maken; en
389 7, 3 | en ketels heet zou maken; en als die terstond heet gemaakt
390 7, 4 | de tong zou afsnijden, en hem het vel rondom aftrekken,
391 7, 4 | het vel rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen,
392 7, 4 | uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en
393 7, 4 | en dat de andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.~
394 7, 5 | aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als
395 7, 5 | brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich
396 7, 6 | God de Here ziet het aan, en zal in de waarheid over
397 7, 6 | betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienstknechten
398 7, 7 | 7 En als de eerste op deze wijze
399 7, 7 | tweede tot de bespotting; en het vel van het hoofd met
400 7, 8 | in zijn vaderlijke taal, en zeide tot hen: Geenszins.
401 7, 9 | 9 En als hij nu in de uiterste
402 7, 10| werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten,
403 7, 10| stak hij die terstond uit, en hij strekte zijn handen
404 7, 11| 11 En sprak kloekmoedig: Dit alles
405 7, 11| uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten,
406 7, 11| veracht ik om zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van hem
407 7, 12| 12 Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich
408 7, 13| 13 En als ook deze overleden was,
409 7, 13| desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.~
410 7, 14| 14 En als hij sterven zou, sprak
411 7, 14| mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te
412 7, 15| brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de
413 7, 15| vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende,
414 7, 16| hebt macht onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk
415 7, 17| 17 Maar gij, verwacht en aanschouw Gods grote kracht,
416 7, 17| grote kracht, hoe hij u en uw zaad zal pijnigen.~
417 7, 18| brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zeide
418 7, 19| 19 En gij, meen niet dat gij onschuldig
419 7, 20| bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede gedachtenis
420 7, 22| noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch
421 7, 23| geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt,
422 7, 23| uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met
423 7, 24| menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat
424 7, 24| dat hij hem terstond rijk en gelukzalig zou maken, zo
425 7, 24| van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend
426 7, 24| voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.~
427 7, 25| 25 En daar de jongeling geenszins
428 7, 25| luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, dat
429 7, 26| 26 En als hij met vele woorden
430 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende,
431 7, 27| moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende,
432 7, 27| in mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb,
433 7, 27| drie jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot
434 7, 27| heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht,
435 7, 27| deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding
436 7, 28| gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende
437 7, 28| hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin
438 7, 28| uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht
439 7, 29| broederen waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik
440 7, 30| 30 En als zij nog sprak, zo zeide
441 7, 33| leeft, om der tuchtiging en kastijding wil, een korte
442 7, 34| 34 Maar gij goddeloze en onreinste van alle mensen,
443 7, 37| 37 En ik, gelijk als mijn broeders,
444 7, 37| broeders, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten
445 7, 37| ons volk wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen
446 7, 37| dat gij door pijnigingen en geselen moogt bekennen dat
447 7, 38| 38 En dat in mij en mijn broeders
448 7, 38| 38 En dat in mij en mijn broeders ophoude de
449 7, 39| 39 En de koning zeer gram geworden
450 7, 39| zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat
451 7, 40| 40 En deze is dan zo rein gestorven,
452 7, 41| 41 En de moeder is ook ten laatste
453 7, 42| 42 En dit zij dan dusverre verklaard
454 7, 42| de geofferde ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen.~ ~
455 8, 1 | 1 En Judas de Makkabeeër, en
456 8, 1 | En Judas de Makkabeeër, en die met hem waren, heimelijk
457 8, 1 | bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst
458 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat
459 8, 2 | overlast werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen
460 8, 3 | 3 En dat hij zich erbarmen wilde
461 8, 3 | stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht
462 8, 3 | toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat
463 8, 4 | 4 En dat bij zou willen gedenken
464 8, 4 | onschuldige kleine kinderen, en dat hij om de lasteringen,
465 8, 5 | 5 En als Judas Makkabeüs een
466 8, 6 | 6 De steden en vlekken, onverwachts overkomende,
467 8, 6 | overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen
468 8, 6 | welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van
469 8, 7 | 7 En hij nam vooral de nachten
470 8, 7 | waar tot zodanige lagen; en het gerucht van zijn dapperheid
471 8, 8 | tot grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam,
472 8, 8 | de overste van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak
473 8, 9 | de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder
474 8, 9 | Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias,
475 8, 11| 11 En hij zond terstond naar de
476 8, 12| 12 En Judas was verwittigd van
477 8, 13| 13 En als hij aan degenen, die
478 8, 13| gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid
479 8, 13| God, maar zijn herwaarts en derwaarts gevloden, en verlieten
480 8, 13| herwaarts en derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.~
481 8, 14| 14 En anderen verkochten alles
482 8, 14| alles wat overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou
483 8, 15| 15 En zo hij het niet deed om
484 8, 15| hun vaderen gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige
485 8, 15| zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke naam genoemd
486 8, 16| 16 En Judas Makkabeüs, vergaderd
487 8, 17| 17 En de mishandeling tegen de
488 8, 17| die door hen bespot was; en ook de verbreking der regering,
489 8, 18| 18 En hij zeide: Dezen vertrouwen
490 8, 18| vertrouwen op hun wapenen en stoutheid, waar wij vertrouwen
491 8, 18| dezen, die tegen ons komen, en ook de gehele wereld, met
492 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp,
493 8, 19| voorouders geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend
494 8, 20| 20 En de slag, die in Babylonië
495 8, 20| vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen
496 8, 20| van de hemel geschiedde, en dat zij groot voordeel verkregen.~
497 8, 21| stoutmoedig gemaakt hebbende, en bereid om voor de wetten
498 8, 21| bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven,~
499 8, 22| krijgsvolk in vier hopen gesteld, en zijn broeders aangesteld
500 8, 22| slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende
1-500 | 501-1000 | 1001-1027 |