Chapter, Verse
1 1, 7 | 7 Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste
2 1, 10| Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde uit het
3 1, 11| grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.~
4 1, 20| Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen
5 1, 24| ontfermen, gij die alleen koning zijt, en goedertieren.~
6 1, 33| dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt,
7 1, 34| 34 En de koning voor goed kennende deze
8 3, 3 | 3 Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen
9 3, 6 | vallen in de macht van de koning.~
10 3, 7 | Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard hetgeen
11 3, 13| bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat dit geld
12 3, 32| hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken,
13 3, 35| het leger weder naar de koning;~
14 3, 37| 37 En als de koning Heliodorus vraagde, wie
15 4, 4 | is hij getrokken naar de koning.~
16 4, 8 | verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig talenten
17 4, 10| 10 Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, en hij
18 4, 18| Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was.~
19 4, 21| eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus,
20 4, 23| voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen, en
21 4, 24| 24 Deze de koning zeer aangenaam geworden
22 4, 27| aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates,
23 4, 28| om deze oorzaak door de koning ontboden waren,~
24 4, 31| 31 Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen,
25 4, 36| 36 En als de koning wedergekomen was van de
26 4, 44| 44 En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden
27 4, 45| van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden.~
28 4, 46| ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was
29 5, 8 | zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd
30 5, 11| 11 De koning, als hij verstaan had dat
31 5, 18| die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer
32 6, 1 | niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene,
33 6, 21| alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, namelijk
34 7, 1 | gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees,
35 7, 3 | 3 En de koning zeer gram wordende, gebood
36 7, 5 | waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn
37 7, 9 | tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, die
38 7, 12| 12 Zodat de koning zelf, en die bij hem waren,
39 7, 15| sloegen hem, en deze de koning aanziende, zeide tot hem:~
40 7, 25| daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder,
41 7, 31| 31 Maar gij, koning die een vinder zijt van
42 7, 39| 39 En de koning zeer gram geworden zijnde,
43 8, 10| 10 Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, die
44 9, 19| 19 De koning en veldoverste Antiochus,
45 9, 25| gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus,
46 10, 53| en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken
47 10, 54| voor de Joden, dat stond de koning toe.~
48 10, 57| dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden, hem
49 10, 61| 22 En de brief van de koning was van deze inhoud: De
50 10, 61| was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broeder
51 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was
52 10, 66| Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad
53 10, 75| goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt terstond
54 11, 1 | zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich
55 12, 4 | 4 Maar de Koning der koningen verwekte het
56 12, 9 | 9 En de koning door deze gedachten een
57 12, 13| eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen, en
58 12, 18| 18 De koning nu, een proef gekregen hebbende
59 12, 22| 22 De koning hield ten tweeden male overleg
60 13, 4 | 4 Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste
61 13, 8 | meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat
62 13, 9 | 9 Daarom gij, o koning, dit alles verstaan hebbende,
63 13, 11| de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk
64 13, 27| 27 De koning zeer toornig geworden en
65 13, 29| het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij
66 14, 22| ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger
|