Chapter, Verse
1 1, 22| zijnde, weder scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken,
2 1, 32| Hetwelk gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als
3 2, 1 | 1 Daar wordt in de schriften gevonden,
4 2, 5 | 5 En dat Jeremia daar komende, een woning in de
5 2, 5 | de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten
6 3, 9 | verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze
7 3, 14| daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid
8 3, 15| bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden,~
9 3, 23| besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist met de
10 3, 24| die zich verstout hadden daar tezamen te komen, door de
11 3, 26| 26 En daar verschenen voor hem nog
12 3, 29| 29 En hij lag daar, door de Goddelijke kracht,
13 3, 30| doordat de Here Almachtig daar verschenen was, werd vervuld
14 3, 33| dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dankt de hogepriester
15 3, 38| zaken lagen legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld
16 3, 39| hij slaat en verderft die daar komen om kwaad te doen.~
17 4, 18| gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was.~
18 4, 31| de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te
19 4, 32| te Tyrus, en in de steden daar rondom.~
20 4, 38| Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven
21 4, 41| sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen tezamen
22 5, 22| heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te
23 5, 25| van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag
24 5, 27| voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben
25 6, 4 | heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden, en in
26 6, 11| naaste spelonken, opdat zij daar verborgen de zevende dag
27 7, 18| God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied
28 7, 25| 25 En daar de jongeling geenszins daarnaar
29 7, 33| 33 Indien onze Here, die daar leeft, om der tuchtiging
30 8, 5 | onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid
31 8, 13| verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden
32 8, 24| 24 Daar de Almachtige met hen streed,
33 8, 25| hebbende kwamen zij weder, daar zij door de tijd belet waren.~
34 9, 4 | begraafplaats der Joden, als ik daar zal gekomen zijn.~
35 9, 24| 24 Opdat zo daar iets, buiten verwachting
36 10, 1 | die met hem waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de
37 10, 21| 21 En als hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër
38 10, 21| voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun
39 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht,
40 10, 34| 34 En die daar binnen waren, vertrouwende
41 10, 49| hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.~
42 10, 52| 13 En daar hij niet dwaas was, bij
43 11, 3 | door hen besteld, alsof daar geen vijandschap tegen hen
44 11, 6 | schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht waren.~
45 11, 19| degenen, die van Timotheüs daar gelaten waren in de sterkte,
46 11, 26| Karnion en Atergation, heeft daar vijfentwintigduizend man
47 11, 27| vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van
48 11, 30| 30 Maar als de Joden, die daar woonden, getuigden van de
49 11, 35| levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de
50 11, 38| kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam,
51 11, 38| gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.~
52 11, 42| baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht
53 11, 43| gans wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding.~
54 12, 4 | zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, gelijk
55 12, 5 | 5 Daar was in die plaats een toren,
56 12, 15| de menigte dergenen, die daar in het huis waren.~
57 12, 20| Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, hetgeen zij
58 13, 16| trok het leger terstond van daar, en leverde slag bij het
59 13, 28| verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan
60 13, 29| 29 En daar het niet doenlijk was de
61 13, 33| altaar ondergraven, en zal daar weder bouwen een doorluchtige
62 14, 3 | schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel
63 14, 4 | En als dezen antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze
64 14, 17| het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom,
65 14, 29| een groot geroep en getier daar gemaakt zijnde, prezen zij
66 14, 31| 31 En als hij daar gekomen was, en tezamen
|