Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Want hij heeft degenen, die in de heilige stad
2 1, 16| hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren.~
3 1, 27| heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn,
4 1, 35| 35 En degenen, wie hij gunstig was, heeft
5 2, 1 | dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden,
6 2, 1 | is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden,
7 2, 22| hemel geschied zijn aan degenen, die voor het Jodendom met
8 2, 25| zwarigheid, die er is voor degenen, die de historische verhalen
9 2, 26| 26 Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig
10 2, 26| enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel
11 3, 12| men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op
12 3, 15| onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd
13 3, 17| weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek.~
14 3, 22| onbeschadigd bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden.~
15 4, 20| 20 En om degenen die ze brachten, heeft hij
16 4, 31| voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld
17 4, 41| geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren.~
18 4, 48| onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het
19 5, 12| te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden
20 5, 27| gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar
21 6, 2 | Garizin te noemen, (gelijk degenen, die in die plaats woonden,
22 6, 9 | 9 En dat al degenen, die niet zouden willen
23 6, 12| 12 Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen,
24 6, 13| grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange
25 6, 20| op zulk een wijze als het degenen betaamt, die zich willen
26 6, 21| 21 En degenen, die gesteld waren om deze
27 8, 13| 13 En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard
28 8, 14| hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor,
29 8, 25| 25 En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen
30 8, 30| hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides
31 8, 35| 35 Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de
32 9, 4 | dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden,
33 10, 15| tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen
34 10, 26| zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden,
35 10, 62| opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn,
36 10, 69| 30 Degenen dan, die tot ons afgekomen
37 11, 19| uittrekkende, vernielden van degenen, die van Timotheüs daar
38 11, 28| gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend.~
39 11, 36| 36 En als degenen, die bij Esdrin waren, lang
40 11, 39| de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, omtrent
41 11, 44| hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weder
42 11, 45| Daarbenevens dat hij aanmerkte dat degenen, die godzalig ontslapen
43 12, 1 | honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter
44 12, 10| nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van
45 12, 14| wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij
46 12, 20| 20 En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren,
47 12, 23| 23 En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving
48 13, 13| Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien,
49 13, 18| horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren,
50 14, 1 | Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich
51 14, 6 | teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op
52 14, 8 | 8 En vermaande degenen die met hem waren, dat zij
53 14, 19| 19 En degenen, die in de stad gelaten
54 14, 21| ze van hem gegeven wordt degenen, die hij oordeelt dit waardig
55 14, 24| arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen
56 14, 25| 25 Degenen nu, die met Nicanor waren,
57 14, 31| altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren.~
|