Chapter, Verse
1 1, 9 | 9 Houdt dan gij nu de dagen der Loofhutten
2 1, 18| dit bekend te maken, opdat gij het ook houdt als het feest
3 1, 24| schepper zijt aller dingen, gij die vreselijk zijt, en sterk,
4 1, 24| rechtvaardig, en een ontfermen, gij die alleen koning zijt,
5 1, 25| 25 Gij die alleen milddadig zijt,
6 1, 25| en almachtig, en eeuwig, gij die Israël behoudt van alle
7 1, 25| behoudt van alle kwaad, gij die onze vaderen hebt gemaakt
8 1, 27| de heidenen bekennen dat gij onze God zijt.~
9 2, 15| 15 Indien gij ze nodig hebt, zendt lieden
10 2, 16| wij u dat geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij
11 2, 16| gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.~
12 3, 34| 34 En gij, uit de hemel gegeseld zijnde,
13 3, 38| 38 Indien gij een vijand hebt, of een
14 3, 38| legt, zendt die daar, en gij zult hem wel gegeseld weder
15 7, 2 | sprak, zeide aldus: Wat wilt gij ons vragen, en van ons weten?
16 7, 7 | vraagden zij hem: Zult gij nog geen zwijnenvlees eten,
17 7, 9 | uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons
18 7, 9 | zeide hij: Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige
19 7, 16| 16 Gij hebt macht onder de mensen,
20 7, 16| onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk zijt, zo doet
21 7, 16| vergankelijk zijt, zo doet gij nochtans wat gij wilt, maar
22 7, 16| zo doet gij nochtans wat gij wilt, maar denkt niet dat
23 7, 17| 17 Maar gij, verwacht en aanschouw Gods
24 7, 19| 19 En gij, meen niet dat gij onschuldig
25 7, 19| 19 En gij, meen niet dat gij onschuldig zult zijn, dewijl
26 7, 19| onschuldig zult zijn, dewijl gij het gewaagd hebt tegen God
27 7, 22| tot hen: Ik weet niet hoe gij in mijn lichaam zijt voortgebracht,
28 7, 23| met barmhartigheid, gelijk gij uzelf niet acht om zijner
29 7, 28| Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende naar de hemel, en
30 7, 29| maar wil u zo gedragen dat gij uwer broederen waardig zijt,
31 7, 30| jongeling: Wat verwacht gij nog? Ik zal des konings
32 7, 31| 31 Maar gij, koning die een vinder zijt
33 7, 34| 34 Maar gij goddeloze en onreinste van
34 7, 35| 35 Want gij zijt nog niet ontvloden
35 7, 36| van het eeuwig leven, maar gij zult door het oordeel Gods
36 7, 37| wil genadig zijn, en dat gij door pijnigingen en geselen
37 9, 20| 20 Indien gij welvarende zijt, en uw kinderen,
38 9, 26| ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig zijnde der weldadigheden
39 9, 26| de goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn
40 10, 58| 19 Daarom, indien gij behouden zult de goedgunstigheid
41 10, 65| 26 Gij zult dan weldoen, dat gij
42 10, 65| Gij zult dan weldoen, dat gij tot ben zendt, hun gevende
43 10, 67| 28 Zo gij welvarende zijt, dat zal
44 10, 68| heeft ons verklaard, dat gij begeert, wedergekomen zijnde,
45 10, 76| wij ook mogen weten hoe gij gezind zijt.~
46 13, 9 | 9 Daarom gij, o koning, dit alles verstaan
47 13, 9 | bekende goedertierenheid, die gij allen bewijst.~
48 13, 33| 33 Indien gij mij Judas niet gevangen
49 13, 35| 35 Gij, o Here van allen, die geen
50 13, 35| geen ding van node hebt, gij hebt gewild dat de tempel
51 13, 36| 36 Nu dan, o gij heilige Here aller heiligmaking,
52 14, 16| geschenk van God, met hetwelk gij de vijanden zult verwonden.~
53 14, 22| sprak hij deze woorden: Gij, o Here, hebt uw engel gezonden
54 14, 23| 23 En nu, gij prins der hemelen, wil uw
|