Chapter, Verse
1 3, 9 | zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester
2 3, 11| van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was,
3 3, 25| een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop
4 3, 26| uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid,
5 3, 35| offerande had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd
6 4, 22| 22 En zeer heerlijk door Jason en de
7 4, 24| 24 Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde,
8 4, 24| zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor
9 4, 35| vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden
10 4, 49| dit boze stuk hatende, zeer treffelijk besteld hebben
11 5, 17| Antiochus in zijn gemoed zeer hovaardig, niet aanmerkende,
12 6, 18| zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht,
13 7, 3 | 3 En de koning zeer gram wordende, gebood dat
14 7, 5 | de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden
15 7, 10| hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;~
16 7, 12| die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid
17 7, 20| Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller
18 7, 39| 39 En de koning zeer gram geworden zijnde, en
19 7, 39| gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij
20 8, 27| dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had tot
21 8, 30| twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten,
22 8, 32| die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden
23 9, 6 | 6 Zeer rechtvaardig, als die met
24 9, 7 | ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij
25 9, 16| tevoren beroofd had, met zeer schone geschenken zou versieren,
26 9, 28| in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven
27 10, 18| waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien
28 10, 24| vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd
29 10, 29| 29 Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn
30 10, 32| Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette sterkte, genaamd
31 10, 34| plaats, lasterden bovenmate zeer, en wierpen gruwelijke woorden
32 10, 35| de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken
33 10, 40| 1 En een zeer weinig tijds daarna, Lysias,
34 10, 40| konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over
35 10, 48| en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde
36 11, 18| gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was.~
37 11, 27| staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote
38 11, 45| godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd
39 12, 8 | 8 En dat zeer rechtvaardig, want hij had
40 12, 25| waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden,
41 12, 25| verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden
42 13, 24| 24 En hij hield Judas zeer in waarde, van harte tot
43 13, 27| 27 De koning zeer toornig geworden en door
44 13, 27| dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat
45 13, 28| ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden, en nam
46 13, 28| verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden
47 13, 37| liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege
48 13, 45| ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij
49 13, 45| een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam
50 14, 11| maakte hij hen allen tezamen zeer verheugd.~
51 14, 13| uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en gans
52 14, 17| deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig
53 14, 17| die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid
|