Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Want hij heeft degenen, die in
2 1, 13| 13 Want de overste, komende in Perzië,
3 1, 14| 14 Want als Antiochus, en zijn vrienden
4 1, 19| 19 Want toen onze vaders in Perzië
5 2, 9 | 9 Want het is openbaar, hoe dat
6 2, 19| 19 Want hij heeft ons uit grote
7 2, 25| 25 Want wij, ziende de verwarring
8 2, 33| voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn,
9 3, 16| zijn gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur,
10 3, 17| 17 Want vrees en verschrikking van
11 3, 25| 25 Want door hen werd een paard
12 3, 33| hogepriester Onias grotelijks, want om zijnentwil heeft u de
13 3, 39| 39 Want hij, die de hemelse woonstede
14 4, 6 | 6 Want hij zag dat het onmogelijk
15 4, 17| 17 Want goddeloosheid te bedrijven,
16 4, 28| 28 Want hij was gesteld om het geld
17 5, 18| 18 Want ware het niet gebeurd, dat
18 6, 4 | 4 Want de tempel werd vervuld met
19 6, 10| 10 Want twee vrouwen werden voorgebracht,
20 6, 13| 13 Want het is een teken van grote
21 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk
22 6, 24| 24 Want, zeide hij, het betaamt
23 6, 26| 26 Want indien ik voor het tegenwoordige
24 7, 2 | vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid liever te
25 7, 18| Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om
26 7, 18| onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen
27 7, 21| 21 Want zij vermaande een ieder
28 7, 32| 32 Want wij lijden om onzer zonden
29 7, 35| 35 Want gij zijt nog niet ontvloden
30 7, 36| 36 Want onze broeders, een korte
31 8, 26| 26 Want het was de dag voor de Sabbat;
32 9, 2 | 2 Want als hij was ingegaan in
33 9, 4 | hemel hem reeds persende. Want hij sprak in hovaardigheid:
34 9, 5 | ongeneeslijke en onzienlijke plaag; want toen hij deze woorden geëindigd
35 9, 18| pijnen geenszins ophielden, (want het rechtvaardig oordeel
36 9, 27| 27 Want ik ben verzekerd, dat hij,
37 10, 11| 11 Want deze, het koninkrijk ontvangen
38 10, 12| 12 Want Ptolomeüs, die toegenaamd
39 10, 54| hetgeen dat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias
40 10, 55| 16 Want de brieven van Lysias aan
41 10, 75| van hetgeen u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië.~
42 11, 21| plaats genaamd Karnion, want deze plaats was moeilijk
43 11, 44| 44 (Want indien hij niet had verwacht,
44 12, 8 | En dat zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan
45 12, 25| ontevreden over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk
46 13, 8 | burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen,
47 13, 10| 10 Want zo lang als Judas zal leven,
48 13, 26| aan de zaken des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas,
49 13, 38| 38 Want in de voorgaande tijden
50 13, 40| 40 Want hij meende, als hij hem
51 14, 18| 18 Want het gevaar van huisvrouwen,
52 14, 40| 40 Want gelijk het ongezond is wijn
|