Chapter, Verse
1 1, 22| vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden.~
2 2, 18| hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen,
3 2, 22| Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben,
4 3, 15| priesterlijke klederen, wierpen zich neder voor het altaar, en
5 3, 24| gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar tezamen
6 4, 2 | ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig
7 4, 14| nalatende, benaarstigden zich, om deel te nemen aan de
8 4, 16| naijverden, en wie zij in alles zich gelijk wilden maken.~
9 4, 34| heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf,
10 4, 46| een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald,~
11 5, 15| tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de
12 5, 23| veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers.~
13 5, 25| hij vreedzaam ware, heeft zich stilgehouden tot de heilige
14 5, 25| onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.~
15 6, 4 | in de heilige galerijen zich vermengden met de vrouwen;
16 6, 20| 20 Voor zich uitspuwende, op zulk een
17 6, 20| het degenen betaamt, die zich willen blijven verdedigen
18 7, 5 | en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden
19 7, 12| zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de
20 8, 1 | riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst
21 8, 1 | godsdienst gebleven waren tot zich nemende, vergaderden zesduizend
22 8, 2 | werd aangedaan, en dat hij zich wilde ontfermen over de
23 8, 3 | 3 En dat hij zich erbarmen wilde over de stad
24 8, 7 | zijn dapperheid verspreidde zich alleszins.~
25 9, 8 | de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,~
26 9, 12| woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand,
27 9, 29| was, heeft het lichaam met zich genomen; welke ook, vrezende
28 10, 15| oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen,
29 10, 20| geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de
30 10, 40| des konings gesteld was, zich zeer ontevreden houdende
31 10, 46| anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven,
32 10, 49| helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.~
33 11, 1 | koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen.~
34 11, 14| van proviand. gedroegen zich onachtzaam, scheldende die
35 11, 20| op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend
36 11, 22| de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid
37 11, 22| dingen ziet, zo begaven zij zich met een gedruis op de vlucht,
38 11, 29| optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis,
39 11, 42| vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij
40 12, 3 | 3 En bij dezen voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus
41 12, 23| hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op
42 13, 4 | tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.~
43 13, 14| waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor,
44 13, 15| Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden
45 13, 30| weinigen van de zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen.~
46 14, 1 | degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen
47 14, 12| en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen,
|