Chapter, Verse
1 1, 11| hem grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.~
2 2, 21| oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus Epifanes, en zijn
3 3, 4 | tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege
4 3, 32| eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden
5 4, 17| goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is
6 4, 36| haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was.~
7 4, 39| zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat weder
8 4, 43| zaken werd recht gehouden tegen Menelaüs.~
9 5, 3 | geschiedde, en aanlopen tegen elkander, en beweging der
10 5, 6 | denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten
11 5, 23| de anderen zich verhief tegen de burgers.~
12 5, 24| 24 En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig
13 6, 15| heeft hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet,
14 6, 20| willen blijven verdedigen tegen die dingen, welke niet geoorloofd
15 7, 6 | in zijn lied, hetwelk hij tegen hen in het aangezicht heeft
16 7, 18| ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben;
17 7, 19| dewijl gij het gewaagd hebt tegen God te strijden.~
18 7, 31| vinder zijt van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen
19 7, 34| om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.~
20 8, 4 | hij om de lasteringen, die tegen zijn naam geschied waren,
21 8, 4 | zijn haat wilde betonen tegen de boosheid.~
22 8, 16| heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, maar dat zij
23 8, 16| onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;~
24 8, 17| 17 En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot
25 8, 18| die machtig is dezen, die tegen ons komen, en ook de gehele
26 8, 20| de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe
27 9, 7 | blazende in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat
28 10, 14| voerde gedurig de oorlog tegen de Joden.~
29 10, 26| vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen
30 10, 41| ganse ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende
31 11, 3 | alsof daar geen vijandschap tegen hen ontstaan ware.~
32 11, 5 | verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan
33 11, 6 | 6 Trok heen tegen de moordenaars der broeders,
34 11, 10| negen stadiën, en hun reis tegen Timotheüs maakten, zo zijn
35 11, 13| ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met
36 11, 32| voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste
37 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden, geschiedde
38 12, 1 | met grote menigte aankwam tegen Judea.~
39 12, 4 | het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias
40 12, 8 | hij had vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig
41 12, 19| 19 En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting
42 13, 11| vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren,
43 13, 26| goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden
44 13, 29| niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een
45 13, 39| vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd
46 14, 24| godslastering gekomen zijn tegen uw heilig volk. En met deze
47 14, 32| welke hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de
|