Chapter, Verse
1 1, 8 | vergoten hebben; en wij de Here baden, en verhoord zijn,
2 1, 24| geschiedde op deze wijze: Here, Here God, die een schepper
3 1, 24| geschiedde op deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt
4 2, 8 | 8 En dat de Here dan deze dingen zou tonen,
5 2, 10| 10 Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan,
6 2, 23| opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid
7 3, 22| Dezen dan riepen tot de Here Almachtig, dat hij dit geld,
8 3, 30| 30 Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn plaats
9 3, 30| beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen
10 3, 33| om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.~
11 4, 38| beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.~
12 5, 17| die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd
13 5, 19| 19 Maar de Here heeft het volk niet om de
14 5, 20| verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid opgericht.~
15 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk de
16 6, 30| hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap
17 7, 6 | Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en zal in
18 7, 20| hoop die zij hadden op de Here;~
19 7, 33| 33 Indien onze Here, die daar leeft, om der
20 7, 40| gestorven, geheel op de Here vertrouwende.~
21 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat hij zou willen
22 8, 14| overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen verlossen
23 8, 27| zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden had
24 8, 29| en baden de barmhartige Here, dat hij tot het einde toe
25 9, 5 | 5 Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg
26 9, 13| En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid
27 10, 1 | hem waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de tempel
28 10, 4 | gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende,
29 10, 28| kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen
30 10, 38| lofzangen en dankzeggingen de Here, die Israël zo grote weldaad
31 10, 45| met kermen en tranen de Here, dat hij een goede engel
32 11, 36| waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een medestrijder
33 11, 41| hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige rechter,
34 12, 10| dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat hij,
35 12, 12| deden, en de barmhartige Here baden, met klagen en vasten,
36 13, 35| 35 Gij, o Here van allen, die geen ding
37 13, 36| 36 Nu dan, o gij heilige Here aller heiligmaking, bewaar
38 13, 46| scharen; en aanroepende de Here van leven en geest, dat
39 14, 3 | schelmachtigste mens, of daar ook een Here in de hemel was, die geboden
40 14, 4 | antwoordden: Daar is een Here die leeft, deze is in de
41 14, 7 | hulp zou krijgen van de Here.~
42 14, 21| handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke
43 14, 22| hij deze woorden: Gij, o Here, hebt uw engel gezonden
44 14, 29| gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke taal.~
45 14, 34| dankten de doorluchtige Here, zeggende: Gezegend moet
|