Chapter, Verse
1 1, 10| en de raad der ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de
2 2, 14| 14 Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de
3 2, 20| wat aangaat de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broeders,
4 5, 27| 27 En Judas, de Makkabeeër, is met negen
5 8, 1 | 1 En Judas de Makkabeeër, en die met
6 8, 5 | 5 En als Judas Makkabeüs een leger verzameld
7 8, 12| 12 En Judas was verwittigd van de aantocht
8 8, 16| 16 En Judas Makkabeüs, vergaderd hebbende
9 11, 5 | 5 En Judas, verstaande dat deze wreedheid
10 11, 11| gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door de hulp, die
11 11, 11| overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand
12 11, 12| 12 En Judas, achtende dat zij hem waarlijk
13 11, 14| onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen
14 11, 15| 15 Doch die met Judas waren, aanroepende de grote
15 11, 20| 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger in
16 11, 21| vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de
17 11, 22| Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid
18 11, 23| 23 En Judas vervolgde hen heftig, en
19 11, 26| 26 En Judas vandaar trekkende naar Karnion
20 11, 36| vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als
21 11, 38| 38 En Judas, zijn krijgsvolk bijeen
22 11, 39| kwamen degenen die met Judas waren, omtrent de tijd als
23 11, 42| worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat
24 12, 1 | kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus
25 12, 10| 10 Doch Judas, dit vernemende, gebood
26 12, 12| nedergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden,
27 12, 20| 20 En Judas zond aan degenen, die daar
28 12, 23| leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag.
29 13, 6 | worden de Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste is,
30 13, 10| 10 Want zo lang als Judas zal leven, is het onmogelijk
31 13, 11| van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk
32 13, 13| brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en degenen
33 13, 14| En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht,
34 13, 17| En Simon, de broeder van Judas, sloeg Nicanor, en werd
35 13, 18| dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed
36 13, 22| 22 En Judas stelde enigen, die in de
37 13, 24| 24 En hij hield Judas zeer in waarde, van harte
38 13, 26| want, zeide hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk lagen
39 13, 33| 33 Indien gij mij Judas niet gevangen overlevert,
40 14, 1 | verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in
41 14, 6 | overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.~
42 14, 15| rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en
43 14, 17| zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en
44 14, 26| 26 Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden
|