Chapter, Verse
1 1, 18| hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat gij
2 1, 33| 33 En als dit openbaar werd, en de koning
3 2, 7 | 7 En hoe Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende
4 2, 26| enige hulp, en allen, wie dit boek zal voorkomen, enig
5 2, 27| moeite hebben genomen om dit kort begrip te maken, niet
6 2, 29| wij slechts voortgaan met dit kort begrip in het kort
7 2, 31| alle bijzondere stukken, dit behoort tot het werk van
8 3, 10| hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd was voor
9 3, 13| de koning had, zeide, dat dit geld immers in des konings
10 3, 22| Here Almachtig, dat hij dit geld, hetwelk toevertrouwd
11 3, 40| 40 En dit is hetgeen gebeurd is aangaande
12 4, 1 | aanstichter ware geweest van al dit kwaad.~
13 4, 36| gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en
14 4, 49| 49 Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer
15 5, 4 | Waarom zij allen baden dat dit gezicht ten goede mocht
16 5, 20| de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna
17 6, 12| Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij
18 6, 17| 17 Doch dit zij door ons gezegd tot
19 6, 28| dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij terstond
20 6, 30| en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, om zijner
21 7, 4 | andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.~
22 7, 11| 11 En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit
23 7, 11| uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om zijn wetten,
24 7, 11| wetten, en ik hoop dat ik dit van hem zal wederkrijgen.~
25 7, 42| 42 En dit zij dan dusverre verklaard
26 10, 4 | 4 Dit gedaan hebbende, baden zij
27 10, 64| goedgevonden hebben dat dit volk ook buiten de beroerte
28 11, 3 | Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij baden de
29 11, 4 | algemeen besluit der stad, dit aannamen, als die in vrede
30 12, 4 | dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat
31 12, 10| 10 Doch Judas, dit vernemende, gebood het volk,
32 12, 12| 12 Als zij dit allen gezamenlijk deden,
33 12, 17| 17 En dit was geschied als de dag
34 13, 9 | 9 Daarom gij, o koning, dit alles verstaan hebbende,
35 13, 32| uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen:~
36 13, 34| voorvechter van ons volk, dit zeggende:~
37 13, 36| bewaar in eeuwigheid onbesmet dit huis, dat onlangs gereinigd
38 14, 14| antwoordende, zou gezegd hebben: Dit is Jeremia, de profeet van
39 14, 15| een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zeide:~
40 14, 16| 16 Neem dit heilige zwaard, een geschenk
41 14, 21| degenen, die hij oordeelt dit waardig te zijn.~
42 14, 39| 39 En indien ik dit wel, en gelijk het in een
43 14, 40| voor de oren der lezers. En dit zij dan het einde.~ ~
|