Chapter, Verse
1 1, 7 | verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren,
2 1, 12| die in de heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven.~
3 1, 12| stad ons bestreden, van ons uitgedreven.~
4 1, 20| naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven
5 1, 28| 28 Pijnig hen, die ons overheersen, en die ons
6 1, 28| ons overheersen, en die ons in hovaardigheid smaadheid
7 2, 14| die door de oorlog, welke ons aangedaan was, vervallen
8 2, 14| bijeenvergaderd; en die zijn bij ons.~
9 2, 15| nodig hebt, zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.~
10 2, 18| op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij
11 2, 18| zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder
12 2, 19| 19 Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost
13 2, 27| 27 Het is voor ons, die de moeite hebben genomen
14 2, 33| 33 Laat ons dan van hier ons verhaal
15 2, 33| 33 Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel
16 6, 12| maar tot kastijding van ons geslacht.~
17 6, 15| hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer
18 6, 15| hij ten laatste wraak over ons doe.~
19 6, 16| barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk
20 6, 17| 17 Doch dit zij door ons gezegd tot vermaning, en
21 6, 17| weinige woorden wederkomen tot ons verhaal.~
22 7, 2 | zeide aldus: Wat wilt gij ons vragen, en van ons weten?
23 7, 2 | wilt gij ons vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid
24 7, 6 | zal in de waarheid over ons vertroost worden; gelijk
25 7, 9 | Gij booswicht, gij beneemt ons wel het tegenwoordige leven,
26 7, 9 | de koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven,
27 7, 16| wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten
28 7, 18| wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen
29 7, 18| hebben; want daar zijn aan ons dingen geschied die verwondering
30 7, 37| aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en
31 7, 38| des Almachtigen, die op al ons geslacht rechtvaardig gebracht
32 8, 18| machtig is dezen, die tegen ons komen, en ook de gehele
33 9, 20| naar uw zin gaan, dat is ons aangenaam.~
34 10, 62| willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten
35 10, 65| de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende, goedsmoeds
36 10, 68| 29 Menelaüs heeft ons verklaard, dat gij begeert,
37 10, 69| 30 Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste
38 13, 8 | tevoren gesproken is, lijdt ons ganse geslacht geen kleine
39 13, 9 | zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet
40 13, 34| was een voorvechter van ons volk, dit zeggende:~
41 13, 35| de tempel uwer woning bij ons zou zijn.~
42 14, 23| wil uw goede engel voor ons heenzenden, tot vrees en
|