Chapter, Verse
1 1, 11| alsof wij tegen de koning hadden gestreden.~
2 1, 20| priesters, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur;
3 1, 20| dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij
4 1, 20| gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water,~
5 1, 33| priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn
6 3, 15| die zij daar vertrouwd hadden,~
7 3, 22| degenen, die het toevertrouwd hadden.~
8 3, 24| allen, die zich verstout hadden daar tezamen te komen, door
9 3, 34| als zij deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen.~
10 4, 14| nadat zij anderen beroepen hadden, om met de bal te spelen;~
11 4, 47| ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden
12 4, 48| beschuldiging aangebracht hadden.~
13 4, 50| gierigheid dergenen die de macht hadden, in het opperste gezag,
14 6, 10| voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, welke zij, haar
15 6, 21| met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende,
16 6, 29| weinig tevoren tot hem gehad hadden, in kwaadwilligheid, om
17 7, 20| omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Here;~
18 8, 16| onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;~
19 8, 27| vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat;
20 8, 29| zij deze dingen verricht hadden, hielden zij een algemene
21 8, 36| God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de
22 9, 4 | kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd
23 9, 4 | degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen;
24 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een
25 10, 3 | als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit
26 10, 3 | geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offerande
27 10, 19| plaatsen, die meer nood hadden.~
28 10, 21| zij hun broeders voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden
29 10, 21| vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.~
30 10, 28| met elkander slag; dezen hadden tot een waarborg van de
31 10, 56| ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij
32 11, 4 | en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren
33 11, 12| de rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in
34 11, 30| Scythopolis hun toegedragen hadden, en boe beleefd zij hen
35 11, 30| en boe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden van tegenspoed.~
36 11, 42| zijn, als die voor hun ogen hadden gezien hetgeen geschied
37 12, 20| waren, hetgeen zij van node hadden.~
38 13, 18| horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en
39 13, 18| waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun
40 13, 26| verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok
41 14, 9 | de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij
42 14, 19| in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid;
|