Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 God doe ulieden goed en gedenke
2 1, 11| 11 Uit grote gevaren door God verlost zijnde, danken wij
3 1, 17| 17 In alles zij onze God geprezen, die de goddelozen
4 1, 20| jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia,
5 1, 24| op deze wijze: Here, Here God, die een schepper zijt aller
6 1, 27| heidenen bekennen dat gij onze God zijt.~
7 2, 4 | was, en het erfdeel van God zag.~
8 2, 17| 17 En God, die al zijn volk heeft
9 3, 35| 35 En Heliodorus, als hij God offerande had geofferd,
10 3, 36| allen de werken van de grote God, die hijzelf met zijn ogen
11 6, 1 | wandelen naar de wetten van God.~
12 6, 23| veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft
13 7, 6 | 6 Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en
14 7, 11| kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen,
15 7, 14| verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van
16 7, 16| niet dat ons geslacht van God verlaten is.~
17 7, 18| wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar
18 7, 19| gij het gewaagd hebt tegen God te strijden.~
19 7, 28| daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt
20 7, 37| der vaderen, aanroepende God, dat Hij haast ons volk
21 7, 37| bekennen dat bij alleen God is;~
22 8, 13| op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en
23 8, 18| vertrouwen op de almachtige God, die machtig is dezen, die
24 8, 36| verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden;
25 9, 5 | Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem met
26 9, 12| Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand,
27 9, 12| mens zijnde, niet denke God gelijk te zijn.~
28 10, 16| een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat hij
29 10, 25| naderde tot het gebed van God, aarde op hun hoofden strooiende,
30 10, 48| allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in
31 10, 49| zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde.~
32 10, 52| overmits de alvermogende God met hen streed, zo zond
33 11, 5 | wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige
34 11, 11| waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten,
35 11, 28| 28 Doch zij, aanroepende God de prins, die met kracht
36 12, 15| leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij
37 14, 14| Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft,
38 14, 16| zwaard, een geschenk van God, met hetwelk gij de vijanden
39 14, 27| maar met hun harten tot God biddende, sloegen niet minder
40 14, 27| over deze verschijning van God.~
|