Chapter, Verse
1 1, 11| 11 Uit grote gevaren door God verlost
2 1, 31| overgebleven was, te gieten op grote stenen.~
3 2, 19| 19 Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost en heeft
4 2, 20| en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding
5 2, 28| Gelijkerwijs het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en
6 3, 11| Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat
7 3, 21| in welke verwachting de grote hogepriester in zijn benauwdheid
8 3, 24| geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat
9 3, 27| snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen was,
10 3, 35| offerande had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan
11 3, 36| aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met zijn
12 4, 2 | had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in
13 4, 13| was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden,
14 4, 13| de Griekse zeden, en een grote voortgang der vreemde wijzen
15 4, 31| 31 Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de
16 4, 37| overledenen matigheid en grote geschiktheid.~
17 5, 3 | beweging der schilden, een grote menigte van spiesen, en
18 5, 13| 13 En er geschiedde een grote moord van jongen en van
19 5, 20| door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid
20 5, 26| wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.~
21 6, 13| Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat degenen,
22 7, 17| verwacht en aanschouw Gods grote kracht, hoe hij u en uw
23 8, 8 | dat deze man gaandeweg tot grote voortgang kwam, en dat hij
24 8, 16| verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die
25 8, 30| sterkten, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten
26 9, 22| wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze
27 10, 24| vergaderd hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk,
28 10, 38| dankzeggingen de Here, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en
29 11, 15| Judas waren, aanroepende de grote prins der wereld, die zonder
30 11, 24| Dositheüs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men
31 11, 27| sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk
32 11, 27| zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten
33 12, 1 | dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.~
34 12, 23| en betoonde aan de plaats grote eer.~
35 13, 27| door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde,
36 13, 43| 43 En als hij, door al te grote haast van de strijd, de
37 14, 21| heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei
|