Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 En geve u allen een hart om hem te
2 1, 4 | in zijn geboden, en geve u vrede.~
3 1, 5 | verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate u niet
4 1, 5 | met u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.~
5 1, 6 | Nu zijn wij ook hier voor u biddende.~
6 1, 7 | jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking
7 1, 18| hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat
8 2, 15| zendt lieden aan ons, die ze u mogen brengen.~
9 2, 16| reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en gij zult
10 3, 33| want om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.~
11 7, 14| opgewekt te worden, doch voor u zal geen opstanding ten
12 7, 17| Gods grote kracht, hoe hij u en uw zaad zal pijnigen.~
13 7, 22| voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven,
14 7, 22| beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;~
15 7, 23| aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven
16 7, 27| taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden
17 7, 27| ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam
18 7, 27| mijn lichaam gedragen, en u drie jaren gezoogd heb,
19 7, 27| jaren gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze
20 7, 27| heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht,
21 7, 28| 28 Ik bid u, mijn kind, dat gij ziende
22 7, 29| deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat gij uwer
23 7, 29| opdat ik in barmhartigheid u weder mag verkrijgen met
24 7, 34| onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen,
25 9, 25| reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb,
26 9, 26| 26 Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij
27 9, 26| zijnde der weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder
28 9, 26| bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid,
29 9, 27| mijn voornemen navolgende, u alleszins billijk en vriendelijk
30 10, 56| Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij
31 10, 71| Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te vertroosten.~
32 10, 71| Menelaüs aan u gezonden, om u te vertroosten.~
33 10, 74| bloedvriend des konings, u toegestaan heeft, dat vinden
34 10, 75| verklaring doen van hetgeen u dienstig is. Want wij trekken
35 10, 76| 37 Daarom spoedt u, en zendt enigen, opdat
36 14, 5 | machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen,
|