1-500 | 501-1000 | 1001-1027
Chapter, Verse
501 8, 22| namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder
502 8, 22| duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar.~
503 8, 23| 23 En als hij hun voorgelezen
504 8, 23| voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven
505 8, 24| negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel
506 8, 24| van Nicanors krijgsvolk, en dwongen hen allen te vluchten;~
507 8, 25| 25 En kregen het geld van degenen
508 8, 25| gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd
509 8, 27| 27 En als zij de wapenen verzameld,
510 8, 27| zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken
511 8, 27| hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de
512 8, 27| de Sabbat; en zij dankten en loofden de Here zeer, die
513 8, 28| 28 En na de Sabbat deelden zij
514 8, 28| de kranken, de weduwen, en de wezen van de buit, en
515 8, 28| en de wezen van de buit, en het overige deelden zij
516 8, 28| deelden zij onder zichzelf en onder hun knechten.~
517 8, 29| 29 En als zij deze dingen verricht
518 8, 29| zij een algemene biddag, en baden de barmhartige Here,
519 8, 30| 30 En hun macht te zamen gebracht
520 8, 30| degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de
521 8, 30| over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig
522 8, 30| gelukkig de hoge sterkten, en deelden een grote buit,
523 8, 30| gelijke gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen,
524 8, 30| hen, en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen,
525 8, 30| de kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor
526 8, 30| de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude lieden.~
527 8, 31| 31 En hun wapenen verzameld hebbende,
528 8, 31| zorgvuldig in gelegene plaatsen; en het overige van de buit
529 8, 32| 32 En zij versloegen ook Filarches,
530 8, 33| 33 En als zij in het vaderland
531 8, 33| in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende
532 8, 34| 34 En de overgoddeloze Nicanor,
533 8, 35| zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende,
534 8, 35| die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven
535 8, 36| 36 En hij, die aangenomen had
536 8, 36| een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden
537 9, 2 | stad genaamd Persepolis en gewaagde het heilige te
538 9, 2 | het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo
539 9, 2 | het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht;
540 9, 2 | brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus
541 9, 3 | 3 En als hij te Ecbatana was,
542 9, 3 | gebracht van hetgeen Nicanor en Timotheüs wedervaren was.~
543 9, 4 | op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn
544 9, 4 | ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het
545 9, 5 | hem met een ongeneeslijke en onzienlijke plaag; want
546 9, 5 | ongeneeslijke pijn der ingewanden en bittere inwendige pijnigingen
547 9, 6 | rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de
548 9, 7 | gramschap tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou
549 9, 7 | de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook
550 9, 7 | die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende,
551 9, 8 | gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste
552 9, 9 | levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl
553 9, 9 | terwijl bij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel;
554 9, 9 | leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het ganse
555 9, 11| hoogmoeds terug te komen, en door deze Goddelijke geseling
556 9, 12| 12 En zijn eigen stank ook niet
557 9, 12| men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk
558 9, 13| 13 En deze booswicht bad de Here,
559 9, 14| ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken,
560 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij
561 9, 15| maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de
562 9, 16| 16 En dat hij de heilige tempel,
563 9, 16| geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige vaten
564 9, 16| veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten
565 9, 17| 17 En dat hij daarenboven ook
566 9, 17| daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle
567 9, 19| 19 De koning en veldoverste Antiochus, de
568 9, 19| burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren.~
569 9, 20| Indien gij welvarende zijt, en uw kinderen, en uw eigen
570 9, 20| welvarende zijt, en uw kinderen, en uw eigen zaken naar uw zin
571 9, 21| goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid.~
572 9, 22| de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een krankheid,
573 9, 24| van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.~
574 9, 25| prinsen die hierbij gelegen en naburen van het rijk zijn,
575 9, 25| de gelegen tijden letten en verwachten hetgeen gebeuren
576 9, 25| merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan
577 9, 25| vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven
578 9, 26| 26 Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat gij gedachtig
579 9, 26| weldadigheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder
580 9, 26| goedgunstigheid, die gij hebt tot mij, en tot mijn zoon.~
581 9, 27| navolgende, u alleszins billijk en vriendelijk zal gelieven.~
582 9, 28| heeft dan deze mensenmoorder en godslasteraar, als hij het
583 9, 29| 29 En Filippus, die met hem opgevoed
584 10, 1 | 1 En Makkabeüs, en die met hem
585 10, 1 | 1 En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben,
586 10, 1 | hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~
587 10, 2 | 2 En hebben de altaren, die door
588 10, 2 | de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel
589 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden
590 10, 3 | een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur
591 10, 3 | stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden
592 10, 3 | de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en
593 10, 3 | en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden
594 10, 3 | reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.~
595 10, 4 | mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke
596 10, 4 | niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven
597 10, 5 | 5 En het gebeurde op dezelfde
598 10, 6 | 6 En zij vierden met vreugde
599 10, 6 | loofhutten, op de bergen en in de spelonken, gelijk
600 10, 7 | dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken,
601 10, 7 | wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden
602 10, 8 | 8 En maakten een besluit, door
603 10, 8 | door een algemeen gebod en toestemming voor het ganse
604 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven
605 10, 11| veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.~
606 10, 13| Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen
607 10, 13| toevertrouwd, verlaten. had, en tot Antiochus Epifanes geweken
608 10, 13| Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht
609 10, 14| 14 En Gorgias, veldoverste geworden
610 10, 14| onderhield vreemd krijgsvolk, en voerde gedurig de oorlog
611 10, 15| 15 En tegelijk met hem ook de
612 10, 15| hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende
613 10, 16| 16 En die met Makkabeüs waren,
614 10, 16| waren, een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat
615 10, 17| de plaats vermeesterden, en verdreven allen die op de
616 10, 17| die op de muren vochten, en sloegen dood allen die hen
617 10, 17| allen die hen ontmoetten, en brachten niet minder dan
618 10, 18| 18 En als er niet minder dan negenduizend
619 10, 18| torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat
620 10, 19| Zo liet Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven Zacheüs,
621 10, 19| Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven Zacheüs, en
622 10, 19| en daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering
623 10, 19| deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen,
624 10, 20| waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen
625 10, 21| 21 En als hetgeen daar geschied
626 10, 21| hij de oversten des volks, en beschuldigde hen, dat zij
627 10, 22| 22 En heeft hen, daar zij verraders
628 10, 22| verraders waren, omgebracht, en terstond die twee torens
629 10, 23| 23 En door de wapenen, die hij
630 10, 24| 24 En Timotheüs, die tevoren door
631 10, 24| menigte van vreemd krijgsvolk, en bijeengebracht hebbende
632 10, 25| hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken
633 10, 26| 26 En nedervallende op de rand,
634 10, 26| hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen
635 10, 26| zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen
636 10, 27| waren, namen zij de wapenen, en trokken ver van de stad,
637 10, 27| trokken ver van de stad, en als zij de vijanden naderden,
638 10, 28| 28 En als de zon opgegaan was,
639 10, 28| waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid,
640 10, 28| de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen
641 10, 29| paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden
642 10, 30| beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet
643 10, 30| dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen
644 10, 30| wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door
645 10, 30| gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld
646 10, 31| 31 En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd
647 10, 31| twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters.~
648 10, 32| 32 En Timotheüs zelf vluchtte
649 10, 34| 34 En die daar binnen waren, vertrouwende
650 10, 34| lasterden bovenmate zeer, en wierpen gruwelijke woorden
651 10, 35| 35 En als de vijfentwintigste
652 10, 35| op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een
653 10, 35| aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed
654 10, 36| 36 En de anderen desgelijks opklimmende
655 10, 36| staken de torens in brand, en vuren ontstoken hebbende,
656 10, 37| 37 En de anderen verbraken de
657 10, 37| anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten
658 10, 37| hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen
659 10, 37| verscholen in een kuil, en zijn broeder Chereas en
660 10, 37| en zijn broeder Chereas en Apollofanes.~
661 10, 38| 38 En deze dingen verricht hebbende,
662 10, 38| dankten zij met lofzangen en dankzeggingen de Here, die
663 10, 38| grote weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning
664 10, 40| 1 En een zeer weinig tijds daarna,
665 10, 40| des konings hofmeester en bloedverwant, en die over
666 10, 40| hofmeester en bloedverwant, en die over de zaken des konings
667 10, 41| 2 En vergaderd hebbende omtrent
668 10, 41| tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok
669 10, 42| 3 En de tempel tot geldgewin
670 10, 42| andere tempels der heidenen, en het hogepriesterschap alle
671 10, 43| vele duizenden te voet, en duizenden te paard, en de
672 10, 43| en duizenden te paard, en de tachtig olifanten,~
673 10, 44| 5 Kwam in Judea, en genaakte Bethsura, zijnde
674 10, 44| Jeruzalem omtrent vijf stadiën en hij benauwde het.~
675 10, 45| 6 En als die met Makkabeüs waren
676 10, 45| belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen en
677 10, 45| en de scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij
678 10, 46| 7 En Makkabeüs zelf nam eerst
679 10, 46| nam eerst de wapenen op, en vermaande de anderen, dat
680 10, 47| 8 En zij deden gezamenlijk een
681 10, 47| een kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem
682 10, 47| voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting
683 10, 48| 9 En allen prezen de barmhartige
684 10, 48| barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer
685 10, 48| de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken.~
686 10, 49| 10 En zij trokken in slagorde,
687 10, 50| 11 En als leeuwen op hun vijanden
688 10, 50| elfduizend voetknechten, en duizendenzeshonderd ruiters;~
689 10, 51| 12 En al de anderen dwongen zij
690 10, 51| dwongen zij te vluchten, en velen van hen gewond zijnde
691 10, 51| zijnde ontkwamen naakt, en Lysias, zelf met schande
692 10, 52| 13 En daar hij niet dwaas was,
693 10, 52| nederlaag die hem geschied was, en verstaande dat de Hebreeën
694 10, 53| 14 En verzekerde hun, dat hij
695 10, 53| met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning
696 10, 56| 17 Johannes en Absalom, die door u afgezonden
697 10, 61| 22 En de brief van de koning was
698 10, 63| wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun
699 10, 64| buiten de beroerte zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel
700 10, 64| zal worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen
701 10, 65| goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen dingen
702 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning
703 10, 66| wenst de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.~
704 10, 70| mogen hun eigen spijzen en wetten, gelijk als van tevoren,
705 10, 70| gelijk als van tevoren, en dat niemand hunner op enigerlei
706 10, 73| inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten
707 10, 76| 37 Daarom spoedt u, en zendt enigen, opdat wij
708 11, 1 | 1 En als deze verbonden aldus
709 11, 1 | vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om
710 11, 2 | die plaatsen, Timotheüs en Apollonius, de zoon van
711 11, 2 | Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien ook Hieronymus,
712 11, 2 | bovendien ook Hieronymus, en Demofon, en benevens deze
713 11, 2 | Hieronymus, en Demofon, en benevens deze Nicanor, overste
714 11, 2 | in rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen.~
715 11, 3 | 3 En die van Joppe bedreven aan
716 11, 3 | woonden, dat zij met vrouwen en kinderen met hen zouden
717 11, 4 | 4 En als zij, volgens het algemeen
718 11, 4 | die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden,
719 11, 5 | 5 En Judas, verstaande dat deze
720 11, 5 | de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een
721 11, 6 | moordenaars der broeders, en stak bij nacht de haven
722 11, 6 | nacht de haven in brand, en verbrandde de schuiten,
723 11, 6 | verbrandde de schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht
724 11, 7 | 7 En als de plaats ingesloten
725 11, 7 | als die weder zou komen, en de ganse burgerschap van
726 11, 9 | die van Jamnia des nachts, en verbrandde hun haven en
727 11, 9 | en verbrandde hun haven en vloot, zodat het licht van
728 11, 10| 10 En als zij vandaar vertrokken
729 11, 10| vertrokken waren negen stadiën, en hun reis tegen Timotheüs
730 11, 10| dan vijfduizend te voet, en vijfhonderd ruiters, hem
731 11, 11| 11 En als er een hevig gevecht
732 11, 11| hevig gevecht geschiedde, en die met Judas waren, door
733 11, 11| hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in
734 11, 12| 12 En Judas, achtende dat zij
735 11, 12| vrede met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen
736 11, 13| 13 En hij ondernam ook een brug
737 11, 13| met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen
738 11, 14| vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand.
739 11, 14| scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende,
740 11, 14| daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke
741 11, 15| die zonder stormrammen en andere instrumenten van
742 11, 16| 16 En de stad door Gods wil ingenomen
743 11, 16| bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn.~
744 11, 17| 17 En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig
745 11, 18| 18 En zij vonden Timotheüs niet
746 11, 18| Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder
747 11, 19| 19 Dositheüs en Sosipater, zijnde van de
748 11, 20| 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger
749 11, 20| stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs aan, die
750 11, 20| honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te
751 11, 21| tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage
752 11, 21| de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats
753 11, 21| was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte
754 11, 22| van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de
755 11, 22| vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende,
756 11, 22| hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden
757 11, 23| 23 En Judas vervolgde hen heftig,
758 11, 23| Judas vervolgde hen heftig, en doorstak deze booswichten,
759 11, 23| doorstak deze booswichten, en vernielde van hen dertigduizend
760 11, 24| 24 En Timotheüs zelf, als hij
761 11, 24| de handen van Dositheüs en Sosipater, bad met grote
762 11, 24| het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen
763 11, 24| hij velen hunner ouders en hunner broeders had, en
764 11, 24| en hunner broeders had, en het geschieden zou dat men
765 11, 25| 25 En als hij met vele woorden
766 11, 26| 26 En Judas vandaar trekkende
767 11, 26| vandaar trekkende naar Karnion en Atergation, heeft daar vijfentwintigduizend
768 11, 27| 27 En na de vlucht en nederlaag
769 11, 27| 27 En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft
770 11, 27| muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad
771 11, 27| voorraad van instrumenten en pijlen.~
772 11, 28| hebben de stad ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen
773 11, 28| ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die
774 11, 29| 29 En vandaar optrekkende, begaven
775 11, 30| hun toegedragen hadden, en boe beleefd zij hen hadden
776 11, 31| 31 Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij
777 11, 31| goedgunstig zouden zijn, en als het feest der weken
778 11, 32| 32 En als het feest, genoemd Pinksteren,
779 11, 33| 33 En trokken uit met drieduizend
780 11, 33| met drieduizend te voet, en vierhonderd ruiters.~
781 11, 34| 34 En als zij tegen hem streden,
782 11, 35| 35 En een zekere Dositheüs, een
783 11, 35| kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende,
784 11, 35| leidde hem kloek henen; en als hij deze levend wilde
785 11, 35| ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende,
786 11, 36| 36 En als degenen, die bij Esdrin
787 11, 36| Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep
788 11, 36| hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd
789 11, 37| 37 En beginnende in zijn vaderlijke
790 11, 37| de soldaten van Gorgias, en dreef hen op de vlucht.~
791 11, 38| 38 En Judas, zijn krijgsvolk bijeen
792 11, 38| kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun
793 11, 39| 39 En de volgende dag, kwamen
794 11, 39| gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te
795 11, 40| 40 En zij vonden onder de rokken
796 11, 40| de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar,
797 11, 42| 42 En tot het gebed gekeerd zijnde,
798 11, 42| mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande
799 11, 43| 43 En enige voorraad gemaakt hebbende
800 11, 43| voor de zonde; gans wel en edel doende, daar hij dacht
801 11, 44| opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor
802 11, 46| 46 Een heilige en godzalige gedachte! Waarom
803 12, 2 | 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester
804 12, 2 | Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld
805 12, 2 | honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd
806 12, 2 | vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten,
807 12, 2 | tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen
808 12, 3 | 3 En bij dezen voegde zich ook
809 12, 4 | Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat
810 12, 7 | goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.~
811 12, 8 | 8 En dat zeer rechtvaardig, want
812 12, 8 | waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft bij
813 12, 8 | heilig vuur was, en de as, en daarom heeft bij zijn dood
814 12, 9 | 9 En de koning door deze gedachten
815 12, 10| gebood het volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen,
816 12, 10| gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van
817 12, 10| wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te
818 12, 11| 11 En dat hij het volk, dat nu
819 12, 12| allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Here baden,
820 12, 12| barmhartige Here baden, met klagen en vasten, voor hem zonder
821 12, 12| heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden
822 12, 13| 13 En hij, met de ouderlingen
823 12, 13| koning in Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen,
824 12, 13| hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden
825 12, 14| aan de schepper der wereld en vermaand hebbende degenen
826 12, 14| tempel, stad, vaderland en regering sloeg omtrent Modin
827 12, 15| 15 En zijn volk tot leus gegeven
828 12, 15| hij met enige van de beste en uitgelezen jongelingen bij
829 12, 15| aangevallen op het leger, en heeft omtrent tweeduizend
830 12, 15| tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij geveld de
831 12, 16| 16 En eindelijk het leger met
832 12, 16| eindelijk het leger met vrees en verwarring vervuld hebbende,
833 12, 17| 17 En dit was geschied als de
834 12, 19| 19 En als hij kwam tegen Bethsura,
835 12, 19| vlucht gebracht, gestuit en verminderd.~
836 12, 20| 20 En Judas zond aan degenen,
837 12, 21| 21 En Rodocus, een van het Joodse
838 12, 21| waarom hij gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten
839 12, 22| overleg met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en
840 12, 22| en de rechterhand gegeven en ontvangen hebbende, vertrok.~
841 12, 23| 23 En slag leverende met degenen
842 12, 23| ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat
843 12, 23| hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende,
844 12, 23| onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle billijke
845 12, 23| alle billijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde,
846 12, 23| offerde hij offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde
847 12, 23| en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote
848 12, 24| 24 En omhelsde Makkabeüs, en benoemde
849 12, 24| 24 En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste
850 12, 25| 25 En als hij te Ptolomaïs gekomen
851 12, 26| verantwoordde dat bekwamelijk, en stelde hen tevreden, en
852 12, 26| en stelde hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen
853 12, 26| tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig,
854 12, 26| vertrekken kon naar Antiochië. En zo is het gegaan met des
855 12, 26| met des konings aankomst en vertrek.~ ~
856 13, 1 | met een sterke menigte en vloot;~
857 13, 2 | 2 En dat hij dat land bemachtigde,
858 13, 2 | bemachtigde, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had
859 13, 3 | 3 En een zekere Alcimus, die
860 13, 3 | hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet
861 13, 3 | generlei wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer
862 13, 4 | brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien
863 13, 4 | gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken,
864 13, 4 | meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag.~
865 13, 5 | 5 En gelegen tijd verkregen hebbende
866 13, 5 | door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de
867 13, 5 | zijnde naar de toestand en het voornemen der Joden,~
868 13, 6 | voeren gedurig oorlogen en verwekken oproeren, en laten
869 13, 6 | oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk
870 13, 8 | die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn
871 13, 11| 11 En als deze dingen door hem
872 13, 12| 12 En hij riep terstond Nicanor,
873 13, 12| de olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot
874 13, 13| hij Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren
875 13, 13| met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen
876 13, 14| 14 En de heidenen, die voor Judas
877 13, 14| dat der Joden tegenspoed en ellenden hun eigen voorspoed
878 13, 15| 15 En de Joden verstaan hebbende
879 13, 15| de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij
880 13, 15| strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid
881 13, 15| zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel
882 13, 16| 16 En als de overste bevel gegeven
883 13, 16| leger terstond van daar, en leverde slag bij het vlek
884 13, 17| 17 En Simon, de broeder van Judas,
885 13, 17| van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd
886 13, 18| hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden
887 13, 19| Daarom zond hij Posidonius, en Theodotus, en Mattathias,
888 13, 19| Posidonius, en Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand
889 13, 19| de rechterhand te geven en te ontvangen.~
890 13, 20| 20 En als hierover vele raadplegingen
891 13, 20| raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte
892 13, 20| de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen
893 13, 21| 21 En zij stelden een dag, waarop
894 13, 21| zouden komen op een plaats, en van beide zijden werd er
895 13, 21| werd er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.~
896 13, 22| 22 En Judas stelde enigen, die
897 13, 22| schelmstuk zou geschieden; en zo hebben zij een gevoegelijke
898 13, 23| 23 En Nicanor verkeerde te Jeruzalem,
899 13, 23| verkeerde te Jeruzalem, en hij deed niets ongerijmds,
900 13, 23| hij deed niets ongerijmds, en hij dankte de scharen af,
901 13, 24| 24 En hij hield Judas zeer in
902 13, 25| 25 En hij vermaande hem, dat hij
903 13, 25| een huisvrouw zou trouwen en kinderen gewinnen; en hij
904 13, 25| trouwen en kinderen gewinnen; en hij trouwde, en leefde in
905 13, 25| gewinnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde
906 13, 25| trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven.~
907 13, 26| des enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt
908 13, 26| hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius,
909 13, 26| vertrok naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen
910 13, 27| koning zeer toornig geworden en door de laster van deze
911 13, 27| verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs
912 13, 28| zeer verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat
913 13, 29| 29 En daar het niet doenlijk was
914 13, 30| met hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang
915 13, 30| omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid
916 13, 31| was, ging naar de grootste en heiligste tempel, als de
917 13, 31| behoorlijke offeranden opofferden, en gebood hun, dat zij hem
918 13, 32| 32 En als zij met ede verklaarden,
919 13, 33| tot een vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven,
920 13, 33| het altaar ondergraven, en zal daar weder bouwen een
921 13, 34| 34 En als hij zulke dingen gezegd
922 13, 37| 37 En een zekere Razis, van de
923 13, 37| Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die
924 13, 37| stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam
925 13, 37| een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid
926 13, 38| hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en
927 13, 38| en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom,
928 13, 41| menigte de toren zou innemen, en geweld deden op de deur
929 13, 41| de deur van het voorhof, en als hun geboden werd dat
930 13, 41| zij vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken,
931 13, 42| handen van deze schelmen, en smaadheid lijden, die zijn
932 13, 43| 43 En als hij, door al te grote
933 13, 43| niet recht gegeven had, en de scharen door de deuren
934 13, 43| kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf mannelijk
935 13, 44| terstond achterwaarts wijkende en plaats makende, kwam hij
936 13, 45| 45 En als hij nog ademhaalde,
937 13, 45| als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken
938 13, 45| als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde,
939 13, 46| 46 En staande op een steile steenrots,
940 13, 46| op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder
941 13, 46| hij zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemen,
942 13, 46| wierp het onder de scharen; en aanroepende de Here van
943 13, 46| aanroepende de Here van leven en geest, dat hij hem die wilde
944 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit
945 14, 2 | Wil hen geenszins zo wreed en barbaars ombrengen, maar
946 14, 4 | 4 En als dezen antwoordden: Daar
947 14, 5 | 5 En de ander zeide: Ik ben ook
948 14, 5 | gebied de wapenen te nemen, en des konings diensten te
949 14, 5 | diensten te volbrengen. En nochtans kon hij zijn ellendigen
950 14, 6 | 6 En deze Nicanor, met alle hovaardigheid
951 14, 8 | 8 En vermaande degenen die met
952 14, 8 | de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de
953 14, 9 | 9 En hen getroost hebbende uit
954 14, 9 | getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook
955 14, 9 | uit de wet en de profeten, en hun ook in gedachtenis brengende
956 14, 10| 10 En hen in hun gemoederen opgewekt
957 14, 10| hebbende, heeft hen vermaand, en meteen getoond de ontrouw
958 14, 10| de ontrouw der heidenen, en de overtreding der eden.~
959 14, 11| 11 En wapende zo een ieder van
960 14, 11| met zekerheid van schilden en spiesen, als met vermaning
961 14, 11| vermaning van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende
962 14, 12| 12 En aldus was zijn gezicht:
963 14, 12| had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang,
964 14, 12| van manieren zachtzinnig, en betamelijk zijn rede voortbrengende,
965 14, 12| zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich
966 14, 12| deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering
967 14, 13| 13 En dat zo ook verschenen was
968 14, 13| een man met grauwe haren en heerlijk uitblinkende, en
969 14, 13| en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid,
970 14, 13| zeer was te bewonderen, en gans voortreffelijk;~
971 14, 14| 14 En dat Onias, antwoordende,
972 14, 14| zijn broeders liefheeft, en die veel bidt voor het volk
973 14, 14| veel bidt voor het volk en voor de heilige stad;~
974 14, 15| 15 En dat Jeremia de rechterhand
975 14, 15| Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zeide:~
976 14, 17| Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid
977 14, 17| kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen
978 14, 17| kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid
979 14, 17| te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel
980 14, 17| stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.~
981 14, 18| gevaar van huisvrouwen, en kinderen en ook van broeders,
982 14, 18| huisvrouwen, en kinderen en ook van broeders, en bloedverwanten,
983 14, 18| kinderen en ook van broeders, en bloedverwanten, was bij
984 14, 18| achting, maar de grootste en eerste vrees was voor de
985 14, 19| 19 En degenen, die in de stad
986 14, 20| 20 En als zij nu allen verwachtten
987 14, 20| het treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en
988 14, 20| en de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld
989 14, 20| in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte
990 14, 20| geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugelen
991 14, 21| ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting
992 14, 21| toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten,
993 14, 22| 22 En als hij bad, sprak hij deze
994 14, 23| 23 En nu, gij prins der hemelen,
995 14, 23| ons heenzenden, tot vrees en beving.~
996 14, 24| zijn tegen uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij
997 14, 25| kwamen aan met trompetten en triomfliederen.~
998 14, 26| vijanden met aanroeping en gebeden.~
999 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen,
1000 14, 28| 28 En als zij uit deze nood gered
1-500 | 501-1000 | 1001-1027 |