Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dapperheid 3
dat 328
david 1
de 1021
deden 6
deed 6
deel 4
Frequency    [«  »]
-----
-----
1027 en
1021 de
409 die
387 van
328 dat

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1021

     Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 De broeders, de Joden, die 2 1, 1 | 1 De broeders, de Joden, die te Jeruzalem, 3 1, 1 | land van Judea zijn, wensen de broeders, de Joden, die 4 1, 1 | zijn, wensen de broeders, de Joden, die in Egypte zijn, 5 1, 5 | verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.~ 6 1, 7 | Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste 7 1, 7 | overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die 8 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en onschuldig 9 1, 8 | vergoten hebben; en wij de Here baden, en verhoord 10 1, 8 | zemelmeel, en ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden 11 1, 8 | ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden voor.~ 12 1, 9 | 9 Houdt dan gij nu de dagen der Loofhutten in 13 1, 9 | dagen der Loofhutten in de maand Chasleu.~ 14 1, 10| Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas, 15 1, 10| Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning 16 1, 10| Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde 17 1, 10| der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte 18 1, 11| grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.~ 19 1, 12| hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden, 20 1, 13| 13 Want de overste, komende in Perzië, 21 1, 13| wezen, zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de 22 1, 13| de tempel van Nanea, door de bedriegelijke woorden, die 23 1, 13| bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten.~ 24 1, 15| 15 Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden, 25 1, 15| weinigen gekomen was in de omgang des tempels, zo sloten 26 1, 15| des tempels, zo sloten zij de tempel toe.~ 27 1, 16| zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en 28 1, 16| een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, 29 1, 17| zij onze God geprezen, die de goddelozen tot straf heeft 30 1, 18| 18 Wij dan op de vijfentwintigste van de 31 1, 18| de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging 32 1, 18| vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel 33 1, 18| Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden, 34 1, 18| het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd 35 1, 19| werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, 36 1, 19| altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een 37 1, 20| heeft Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen 38 1, 20| door de koning van Perzië, de nakomelingen der priesters, 39 1, 21| brengen; en als hetgeen tot de offeranden behoorde geofferd 40 1, 21| geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat 41 1, 22| Hetwelk gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren 42 1, 22| zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken 43 1, 23| 23 En als de offerande verteerd werd, 44 1, 23| offerande verteerd werd, deden de priesters een gebed, en 45 1, 23| Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mede 46 1, 27| verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan 47 1, 27| gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat gij 48 1, 30| 30 En de priesters zongen ondertussen 49 1, 31| 31 En als de offerande verteerd was, 50 1, 33| als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, 51 1, 33| Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde 52 1, 33| dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het 53 1, 33| gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;~ 54 1, 34| 34 En de koning voor goed kennende 55 2, 1 | 1 Daar wordt in de schriften gevonden, dat 56 2, 1 | schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, 57 2, 1 | verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd 58 2, 2 | 2 Hun gevende de wet, dat zij niet zouden 59 2, 2 | zij niet zouden vergeten de geboden des Heren, en dat 60 2, 2 | in hun verstand, ziende de gouden en zilveren beelden, 61 2, 3 | niet zouden afwijken van de wet,~ 62 2, 4 | hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat 63 2, 4 | profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk 64 2, 4 | heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke 65 2, 4 | en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen 66 2, 5 | daar komende, een woning in de spelonk gevonden heeft, 67 2, 5 | gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en 68 2, 5 | dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar 69 2, 5 | reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.~ 70 2, 6 | en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze niet 71 2, 8 | 8 En dat de Here dan deze dingen zou 72 2, 8 | deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren, 73 2, 8 | heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden, 74 2, 9 | inwijding en heiliging van de tempel.~ 75 2, 10| 10 Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan, 76 2, 10| gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande 77 2, 10| vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en dat 78 2, 10| dat het vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.~ 79 2, 11| En hoe Mozes zeide: Opdat de offerandel voor de zonde 80 2, 11| Opdat de offerandel voor de zonde niet zou gegeten worden, 81 2, 13| verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; 82 2, 13| bijeen heeft vergaderd de schriften van de koningen 83 2, 13| vergaderd de schriften van de koningen en profeten, en 84 2, 13| koningen en profeten, en de schriftenl van David, en 85 2, 13| schriftenl van David, en de brieven der koningen aangaande 86 2, 13| brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.~ 87 2, 14| Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, 88 2, 14| Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan 89 2, 17| en het priesterschap en de heiliging;~ 90 2, 18| Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, 91 2, 18| van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen 92 2, 20| 20 Voorts, wat aangaat de zaken van Judas Makkabeüs, 93 2, 20| Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging van de grote tempel, 94 2, 20| broeders, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding 95 2, 20| van de grote tempel, en de inwijding des altaars;~ 96 2, 21| 21 En aangaande de oorlogen, die wij gehad 97 2, 22| 22 En de verschijningen, die van 98 2, 22| verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan 99 2, 23| 23 En dat de tempel, die door de gehele 100 2, 23| dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard 101 2, 23| door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; 102 2, 23| vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden 103 2, 23| weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid 104 2, 25| 25 Want wij, ziende de verwarring in de getallen, 105 2, 25| ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, 106 2, 25| verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor 107 2, 25| er is voor degenen, die de historische verhalen te 108 2, 25| male willen doorlezen, om de menigte van de stof,~ 109 2, 25| doorlezen, om de menigte van de stof,~ 110 2, 27| 27 Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om 111 2, 29| 29 Latende dan de schrijver de bredere verhandeling 112 2, 29| Latende dan de schrijver de bredere verhandeling van 113 2, 31| behoort tot het werk van de schrijver der geschiedenis.~ 114 2, 33| in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.~ ~ 115 3, 1 | 1 Als de heilige stad in alle vrede 116 3, 1 | vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden 117 3, 2 | het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden, 118 3, 2 | koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke 119 3, 3 | zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan 120 3, 3 | betaalde die gedaan werden in de dienst der offeranden.~ 121 3, 4 | En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot 122 3, 4 | die tot een overste van de tempel was gesteld, streed 123 3, 4 | was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de 124 3, 4 | de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in 125 3, 4 | ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.~ 126 3, 5 | kwam hij tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in 127 3, 6 | heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol 128 3, 6 | vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen 129 3, 6 | dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden, 130 3, 6 | zouden kunnen vallen in de macht van de koning.~ 131 3, 6 | kunnen vallen in de macht van de koning.~ 132 3, 7 | Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard 133 3, 8 | Heliodorus ving terstond de reis aan, onder de schijn, 134 3, 8 | terstond de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden 135 3, 8 | onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en 136 3, 9 | en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen 137 3, 10| 10 De hogepriester toonde aan, 138 3, 10| geld weggelegd was voor de weduwen en wezen;~ 139 3, 11| toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man 140 3, 11| zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk 141 3, 12| die vertrouwd hebben op de heiligheid der plaats, en 142 3, 12| heiligheid der plaats, en op de eerwaardigheid en vrijdom 143 3, 12| eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door de gehele 144 3, 12| van de tempel, die door de gehele wereld geëerd is, 145 3, 13| 13 Doch Heliodorus, om de bevelen, die hij van de 146 3, 13| de bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat dit 147 3, 14| geen kleine benauwdheid in de gehele stad.~ 148 3, 15| 15 En de priesters in hun priesterlijke 149 3, 15| het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten 150 3, 15| wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd 151 3, 16| want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd waren, 152 3, 16| veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid, die in zijn 153 3, 17| verschrikking van het lichaam had de an bevangen, waaruit klaar 154 3, 17| bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart 155 3, 18| deze liepen met hopen uit de huizen naar het gemeen gebed, 156 3, 19| 19 En de vrouwen, zijnde met zakken 157 3, 19| haar borssten, vervulden de wegen, en van de maagden, 158 3, 19| vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten 159 3, 19| liepen sommigen tezamen naar de poorten, sommigen op de 160 3, 19| de poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen 161 3, 19| sommigen zagen naar beneden uit de vensters,~ 162 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt 163 3, 20| zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende, 164 3, 21| erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkander gemengd 165 3, 21| en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn 166 3, 22| 22 Dezen dan riepen tot de Here Almachtig, dat hij 167 3, 23| en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers 168 3, 23| daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig 169 3, 24| 24 Zo heeft de prins der geesten en van 170 3, 24| daar tezamen te komen, door de kracht Gods verslagen zijnde, 171 3, 28| tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in de voorzeide 172 3, 28| al de hellebaardiers in de voorzeide schatkamer was 173 3, 28| zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon geholpen 174 3, 28| geholpen worden, en openlijk de heerschappij Gods bekende.~ 175 3, 29| 29 En hij lag daar, door de Goddelijke kracht, zonder 176 3, 30| 30 Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn 177 3, 30| plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren 178 3, 30| en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen 179 3, 31| haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen, 180 3, 31| hij hem, die nu gans in de uiterste adem lag, het leven 181 3, 32| 32 En de hogepriester, beducht zijnde 182 3, 32| hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou 183 3, 32| dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven 184 3, 33| 33 En als de hogepriester de verzoening 185 3, 33| 33 En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde 186 3, 33| zeiden daar staande: Dankt de hogepriester Onias grotelijks, 187 3, 33| want om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.~ 188 3, 34| 34 En gij, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt 189 3, 34| zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht Gods. En 190 3, 35| trok het leger weder naar de koning;~ 191 3, 36| En hij getuigde aan allen de werken van de grote God, 192 3, 36| aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met 193 3, 37| 37 En als de koning Heliodorus vraagde, 194 3, 39| 39 Want hij, die de hemelse woonstede heeft, 195 3, 39| hemelse woonstede heeft, is de opziener en helper van die 196 3, 40| aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~ 197 3, 40| Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~ 198 4, 1 | 1 De voorzeide Simon, die een 199 4, 2 | durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, 200 4, 2 | zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met 201 4, 2 | wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.~ 202 4, 3 | 3 En als de vijandschap zover toegenomen 203 4, 4 | 4 Onias, bemerkende de hevigheid van de twist, 204 4, 4 | bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius 205 4, 4 | Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde, 206 4, 4 | vermeerderde, is hij getrokken naar de koning.~ 207 4, 5 | maar ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen 208 4, 6 | zonder des konings voorzorg de zaken tot vrede zouden kunnen 209 4, 7 | Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en 210 4, 7 | aangenomen, zo heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk 211 4, 8 | verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig 212 4, 9 | mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.~ 213 4, 10| 10 Hetwelk, als de koning hem had toegestaan, 214 4, 10| terstond zijn volk gebracht tot de wijze der Grieken;~ 215 4, 11| 11 En heeft de voorrechten afgeschaft, 216 4, 11| voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren 217 4, 11| die namens de koningen de Joden goedertieren waren 218 4, 11| waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die 219 4, 11| gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van 220 4, 11| wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, 221 4, 12| had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste 222 4, 12| dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe 223 4, 12| verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.~ 224 4, 13| 13 Zo was er onder de Joden een grote lust tot 225 4, 13| Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote 226 4, 13| vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van 227 4, 13| overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen 228 4, 14| 14 Zodat de priesters niet meer volvaardig 229 4, 14| meer volvaardig waren om de dienst te doen bij het altaar, 230 4, 14| doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de 231 4, 14| de tempel verachtende, en de offeranden nalatende, benaarstigden 232 4, 14| zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen, 233 4, 14| onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden, 234 4, 14| beroepen hadden, om met de bal te spelen;~ 235 4, 15| 15 En de eerlijke wijzen der vaderen 236 4, 15| achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste was.~ 237 4, 15| hielden zij dat de Griekse eer de beste was.~ 238 4, 17| goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is geen 239 4, 17| is geen lichte zaak, doch de volgende tijd zal het openbaren.~ 240 4, 18| Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig 241 4, 19| zilver tot een offerande van de afgod Herkules; waarvan 242 4, 20| heeft hij ze besteed aan de toerusting der galeien.~ 243 4, 21| 21 En als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in 244 4, 21| Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de 245 4, 21| de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft 246 4, 22| zeer heerlijk door Jason en de ganse stad ontvangen, en 247 4, 23| 23 En na de tijd van drie jaren zond 248 4, 23| voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen, 249 4, 24| 24 Deze de koning zeer aangenaam geworden 250 4, 27| aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel 251 4, 27| beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het 252 4, 27| Sostrates, de overste van de burcht het eiste.~ 253 4, 28| gesteld om het geld van de schatting te ontvangen. 254 4, 28| nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,~ 255 4, 29| liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus.~ 256 4, 31| 31 Zo is dan de koning in grote haast daar 257 4, 31| grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende 258 4, 32| heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken 259 4, 32| verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.~ 260 4, 34| verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel 261 4, 34| hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad 262 4, 34| bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij 263 4, 34| besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.~ 264 4, 35| welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van 265 4, 36| 36 En als de koning wedergekomen was 266 4, 36| koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben 267 4, 36| van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, 268 4, 36| hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, 269 4, 36| aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk 270 4, 38| rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende 271 4, 38| stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid 272 4, 38| tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias 273 4, 38| Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven 274 4, 38| leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf 275 4, 38| en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.~ 276 4, 39| Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad 277 4, 39| verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, 278 4, 40| 40 En als de scharen op de been geraakt 279 4, 40| 40 En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap 280 4, 41| 41 En dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen 281 4, 42| en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover 282 4, 42| op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij 283 4, 42| kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.~ 284 4, 44| 44 En als de koning gekomen was te Tyrus, 285 4, 44| stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun 286 4, 45| veel geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs, opdat 287 4, 45| van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden.~ 288 4, 46| ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij 289 4, 47| boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft 290 4, 47| ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, 291 4, 47| vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~ 292 4, 48| geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor 293 4, 48| stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging 294 4, 49| 49 Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, 295 4, 50| 50 En Menelaüs bleef door de gierigheid dergenen die 296 4, 50| gierigheid dergenen die de macht hadden, in het opperste 297 5, 2 | En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig 298 5, 2 | bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters 299 5, 3 | van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei 300 5, 5 | Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason 301 5, 5 | terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren 302 5, 5 | in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en 303 5, 5 | gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood 304 5, 5 | was, zo vlood Menelaüs op de burcht.~ 305 5, 6 | sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen 306 5, 6 | zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenspoed was; 307 5, 8 | hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd 308 5, 8 | zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door 309 5, 8 | vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd 310 5, 8 | gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt 311 5, 9 | ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken 312 5, 11| 11 De koning, als hij verstaan 313 5, 11| in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.~ 314 5, 12| 12 En gebood de krijgslieden, dat zij allen 315 5, 12| dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden 316 5, 13| kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen 317 5, 14| veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden 318 5, 15| zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van 319 5, 15| allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende 320 5, 15| verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.~ 321 5, 16| met zijn onreine handen de heilige vaten nemende, en 322 5, 17| zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een 323 5, 17| die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd 324 5, 17| geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.~ 325 5, 18| Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer 326 5, 18| van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, 327 5, 19| 19 Maar de Here heeft het volk niet 328 5, 19| Here heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats om 329 5, 19| niet om de plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren.~ 330 5, 20| deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit 331 5, 20| ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk 332 5, 20| weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten 333 5, 20| verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote 334 5, 20| weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid 335 5, 21| Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd 336 5, 21| menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men 337 5, 21| kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou 338 5, 21| daarop zou kunnen gaan, door de hovaardigheid van zijn hart.~ 339 5, 23| Menelaüs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen 340 5, 23| anderen zich verhief tegen de burgers.~ 341 5, 24| 24 En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig 342 5, 24| gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.~ 343 5, 25| heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; 344 5, 25| stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij 345 5, 25| Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, 346 5, 25| dat zij zich zouden in de wapenen begeven.~ 347 5, 26| die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten 348 5, 26| laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, 349 5, 27| 27 En Judas, de Makkabeeër, is met negen 350 5, 27| die bij hem waren, naar de wijze der wilde dieren, 351 5, 27| geen deel te hebben aan de ontreiniging.~ ~ 352 6, 1 | En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, 353 6, 1 | een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij 354 6, 1 | zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen, en 355 6, 1 | niet zouden wandelen naar de wetten van God.~ 356 6, 2 | 2 En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, 357 6, 2 | ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, 358 6, 2 | van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te noemen, ( 359 6, 2 | plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.~ 360 6, 3 | 3 De invoering van deze boosheid 361 6, 4 | 4 Want de tempel werd vervuld met 362 6, 4 | brasserijen der heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden, 363 6, 4 | in luiheid leefden, en in de heilige galerijen zich vermengden 364 6, 4 | galerijen zich vermengden met de vrouwen; en daarenboven 365 6, 5 | onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.~ 366 6, 6 | geen sabbatten vieren, noch de feestdagen der vaderen onderhouden, 367 6, 7 | houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en 368 6, 7 | geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen 369 6, 8 | 8 En in de naburige Griekse steden, 370 6, 8 | plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van 371 6, 8 | Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten, 372 6, 8 | ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.~ 373 6, 9 | worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende.~ 374 6, 10| gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, 375 6, 10| openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.~ 376 6, 11| anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat 377 6, 11| opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, 378 6, 11| te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige 379 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk 380 6, 14| Here doet hun niet gelijk de andere volken, dat hij lankmoedig 381 6, 18| zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, 382 6, 19| met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats,~ 383 6, 20| geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te 384 6, 21| onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man 385 6, 21| om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden 386 6, 21| alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd, 387 6, 22| Opdat hij, zulks doende, van de dood zou vrijgelaten worden, 388 6, 22| worden, en opdat hij, om de oude vriendschap met hen, 389 6, 23| gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde 390 6, 26| tegenwoordige zou verlost worden van de straf der mensen, zo zou 391 6, 26| levende noch stervende, de handen van de Almachtige.~ 392 6, 26| stervende, de handen van de Almachtige.~ 393 6, 27| moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen 394 6, 28| 28 En zal de jongelieden een heerlijk 395 6, 28| voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten 396 6, 28| hij terstond gegaan naar de pijnigingsplaats.~ 397 6, 29| in kwaadwilligheid, om de voorzegde woorden, die zij 398 6, 30| 30 En als hij nu door de slagen sterven zou, zeide 399 6, 30| zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap 400 6, 30| bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware 401 6, 30| gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, 402 6, 31| gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het 403 7, 1 | dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde, 404 7, 1 | moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden 405 7, 2 | En een hunner, die voor de anderen sprak, zeide aldus: 406 7, 2 | bereid liever te sterven, dan de wetten onzer vaderen te 407 7, 3 | 3 En de koning zeer gram wordende, 408 7, 4 | hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de 409 7, 4 | de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem 410 7, 4 | uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en de moeder 411 7, 4 | dat de andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.~ 412 7, 5 | waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die 413 7, 5 | vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp 414 7, 5 | in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer 415 7, 5 | braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, 416 7, 5 | vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig te sterven;~ 417 7, 6 | 6 Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en zal 418 7, 6 | ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost 419 7, 7 | 7 En als de eerste op deze wijze gestorven 420 7, 7 | gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; 421 7, 7 | leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van 422 7, 8 | pijniging is aangedaan, gelijk de eerste.~ 423 7, 9 | 9 En als hij nu in de uiterste adem was, zeide 424 7, 9 | tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons, 425 7, 10| 10 Na deze werd ook de derde bespot, en als zij 426 7, 11| alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit 427 7, 12| 12 Zodat de koning zelf, en die bij 428 7, 12| zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze 429 7, 13| was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.~ 430 7, 14| hij aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is, 431 7, 14| mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, 432 7, 15| 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen 433 7, 15| en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zeide 434 7, 16| 16 Gij hebt macht onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk 435 7, 18| 18 Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven 436 7, 20| 20 Maar de moeder is bovenmate zeer 437 7, 20| dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de 438 7, 20| de hoop die zij hadden op de Here;~ 439 7, 22| voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, 440 7, 22| leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit 441 7, 23| 23 Daarom de Schepper der wereld, die 442 7, 23| Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, 443 7, 23| geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven 444 7, 24| hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was, 445 7, 24| zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat 446 7, 25| 25 En daar de jongeling geenszins daarnaar 447 7, 25| daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, 448 7, 25| riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling 449 7, 25| vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot 450 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende, 451 7, 27| naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, 452 7, 27| deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding 453 7, 28| kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, 454 7, 28| ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat 455 7, 29| waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid 456 7, 30| zij nog sprak, zo zeide de jongeling: Wat verwacht 457 7, 31| zijt van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen 458 7, 31| tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvlieden.~ 459 7, 34| hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.~ 460 7, 37| lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende 461 7, 38| en mijn broeders ophoude de toom des Almachtigen, die 462 7, 39| 39 En de koning zeer gram geworden 463 7, 39| veel kwalijker bejegend dan de anderen.~ 464 7, 40| rein gestorven, geheel op de Here vertrouwende.~ 465 7, 41| 41 En de moeder is ook ten laatste 466 7, 41| moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven.~ 467 7, 42| verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden, en 468 7, 42| ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen.~ ~ 469 8, 1 | 1 En Judas de Makkabeeër, en die met hem 470 8, 1 | hem waren, heimelijk in de vlekken inkomende, riepen 471 8, 1 | bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven 472 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat hij zou willen 473 8, 2 | zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze 474 8, 2 | over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd 475 8, 3 | zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, 476 8, 3 | nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, 477 8, 4 | onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen, 478 8, 4 | kinderen, en dat hij om de lasteringen, die tegen zijn 479 8, 4 | haat wilde betonen tegen de boosheid.~ 480 8, 5 | hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn 481 8, 5 | onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid 482 8, 6 | 6 De steden en vlekken, onverwachts 483 8, 6 | stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, 484 8, 6 | dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.~ 485 8, 6 | weinigen van de vijanden op de vlucht.~ 486 8, 7 | 7 En hij nam vooral de nachten waar tot zodanige 487 8, 8 | schreef aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en 488 8, 8 | Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak des konings zou te 489 8, 9 | verkoos terstond Nicanor, de zoon van Patroclus, een 490 8, 9 | zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en 491 8, 10| 10 Nicanor nu had de koning beloofd de schatting, 492 8, 10| nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen 493 8, 10| beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde 494 8, 10| tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.~ 495 8, 11| En hij zond terstond naar de zeesteden, hen nodende om 496 8, 11| talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen 497 8, 11| die hem zou overkomen van de Almachtige.~ 498 8, 12| Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.~ 499 8, 13| en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar 500 8, 13| derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.~


1-500 | 501-1000 | 1001-1021

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License