1-500 | 501-1000 | 1001-1021
Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 De broeders, de Joden, die
2 1, 1 | 1 De broeders, de Joden, die te Jeruzalem,
3 1, 1 | land van Judea zijn, wensen de broeders, de Joden, die
4 1, 1 | zijn, wensen de broeders, de Joden, die in Egypte zijn,
5 1, 5 | verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd.~
6 1, 7 | Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste
7 1, 7 | overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die
8 1, 8 | 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en onschuldig
9 1, 8 | vergoten hebben; en wij de Here baden, en verhoord
10 1, 8 | zemelmeel, en ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden
11 1, 8 | ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden voor.~
12 1, 9 | 9 Houdt dan gij nu de dagen der Loofhutten in
13 1, 9 | dagen der Loofhutten in de maand Chasleu.~
14 1, 10| Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad der ouden, en Judas,
15 1, 10| Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning
16 1, 10| Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde
17 1, 10| der gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte
18 1, 11| grotelijks alsof wij tegen de koning hadden gestreden.~
19 1, 12| hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden,
20 1, 13| 13 Want de overste, komende in Perzië,
21 1, 13| wezen, zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de
22 1, 13| de tempel van Nanea, door de bedriegelijke woorden, die
23 1, 13| bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten.~
24 1, 15| 15 Hetwelk hem de priesters van Nanea voorstelden,
25 1, 15| weinigen gekomen was in de omgang des tempels, zo sloten
26 1, 15| des tempels, zo sloten zij de tempel toe.~
27 1, 16| zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en
28 1, 16| een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen,
29 1, 17| zij onze God geprezen, die de goddelozen tot straf heeft
30 1, 18| 18 Wij dan op de vijfentwintigste van de
31 1, 18| de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging
32 1, 18| vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel
33 1, 18| Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden,
34 1, 18| het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd
35 1, 19| werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters,
36 1, 19| altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een
37 1, 20| heeft Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen
38 1, 20| door de koning van Perzië, de nakomelingen der priesters,
39 1, 21| brengen; en als hetgeen tot de offeranden behoorde geofferd
40 1, 21| geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat
41 1, 22| Hetwelk gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren
42 1, 22| zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken
43 1, 23| 23 En als de offerande verteerd werd,
44 1, 23| offerande verteerd werd, deden de priesters een gebed, en
45 1, 23| Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mede
46 1, 27| verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan
47 1, 27| gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat gij
48 1, 30| 30 En de priesters zongen ondertussen
49 1, 31| 31 En als de offerande verteerd was,
50 1, 33| als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt,
51 1, 33| Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde
52 1, 33| dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het
53 1, 33| gekomen, waarmee ook Nehemia de offerande had geheiligd;~
54 1, 34| 34 En de koning voor goed kennende
55 2, 1 | 1 Daar wordt in de schriften gevonden, dat
56 2, 1 | schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen,
57 2, 1 | verklaard is, en gelijk de profeet degenen, die weggevoerd
58 2, 2 | 2 Hun gevende de wet, dat zij niet zouden
59 2, 2 | zij niet zouden vergeten de geboden des Heren, en dat
60 2, 2 | in hun verstand, ziende de gouden en zilveren beelden,
61 2, 3 | niet zouden afwijken van de wet,~
62 2, 4 | hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat
63 2, 4 | profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk
64 2, 4 | heeft, dat de tabernakel en de ark, gelijk hij door Goddelijke
65 2, 4 | en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen
66 2, 5 | daar komende, een woning in de spelonk gevonden heeft,
67 2, 5 | gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en
68 2, 5 | dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar
69 2, 5 | reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft.~
70 2, 6 | en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze niet
71 2, 8 | 8 En dat de Here dan deze dingen zou
72 2, 8 | deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid des Heren,
73 2, 8 | heerlijkheid des Heren, en de wolk gezien zou worden,
74 2, 9 | inwijding en heiliging van de tempel.~
75 2, 10| 10 Hoe ook Mozes tot de Here een gebed heeft gedaan,
76 2, 10| gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande
77 2, 10| vuur van de hemel viel, en de offerande verslond; en dat
78 2, 10| dat het vuur nederkomende de brandoffers heeft verteerd.~
79 2, 11| En hoe Mozes zeide: Opdat de offerandel voor de zonde
80 2, 11| Opdat de offerandel voor de zonde niet zou gegeten worden,
81 2, 13| verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia;
82 2, 13| bijeen heeft vergaderd de schriften van de koningen
83 2, 13| vergaderd de schriften van de koningen en profeten, en
84 2, 13| koningen en profeten, en de schriftenl van David, en
85 2, 13| schriftenl van David, en de brieven der koningen aangaande
86 2, 13| brieven der koningen aangaande de heilige geschenken.~
87 2, 14| Desgelijks heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog,
88 2, 14| Judas al de dingen, die door de oorlog, welke ons aangedaan
89 2, 17| en het priesterschap en de heiliging;~
90 2, 18| Gelijk hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem,
91 2, 18| van alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen
92 2, 20| 20 Voorts, wat aangaat de zaken van Judas Makkabeüs,
93 2, 20| Makkabeüs, en zijn broeders, en de reiniging van de grote tempel,
94 2, 20| broeders, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding
95 2, 20| van de grote tempel, en de inwijding des altaars;~
96 2, 21| 21 En aangaande de oorlogen, die wij gehad
97 2, 22| 22 En de verschijningen, die van
98 2, 22| verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan
99 2, 23| 23 En dat de tempel, die door de gehele
100 2, 23| dat de tempel, die door de gehele bewoonde wereld vermaard
101 2, 23| door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld;
102 2, 23| vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden
103 2, 23| weder opgericht zijn; dewijl de Here met alle goedertierenheid
104 2, 25| 25 Want wij, ziende de verwarring in de getallen,
105 2, 25| ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid,
106 2, 25| verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor
107 2, 25| er is voor degenen, die de historische verhalen te
108 2, 25| male willen doorlezen, om de menigte van de stof,~
109 2, 25| doorlezen, om de menigte van de stof,~
110 2, 27| 27 Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om
111 2, 29| 29 Latende dan de schrijver de bredere verhandeling
112 2, 29| Latende dan de schrijver de bredere verhandeling van
113 2, 31| behoort tot het werk van de schrijver der geschiedenis.~
114 2, 33| in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf.~ ~
115 3, 1 | 1 Als de heilige stad in alle vrede
116 3, 1 | vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden
117 3, 2 | het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden,
118 3, 2 | koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke
119 3, 3 | zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan
120 3, 3 | betaalde die gedaan werden in de dienst der offeranden.~
121 3, 4 | En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot
122 3, 4 | die tot een overste van de tempel was gesteld, streed
123 3, 4 | was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de
124 3, 4 | de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in
125 3, 4 | ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd.~
126 3, 5 | kwam hij tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in
127 3, 6 | heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol
128 3, 6 | vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen
129 3, 6 | dat ze niet behoorden tot de rekening der offeranden,
130 3, 6 | zouden kunnen vallen in de macht van de koning.~
131 3, 6 | kunnen vallen in de macht van de koning.~
132 3, 7 | Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard
133 3, 8 | Heliodorus ving terstond de reis aan, onder de schijn,
134 3, 8 | terstond de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden
135 3, 8 | onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en
136 3, 9 | en zeer vriendelijk door de hogepriester der stad ontvangen
137 3, 10| 10 De hogepriester toonde aan,
138 3, 10| geld weggelegd was voor de weduwen en wezen;~
139 3, 11| toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man
140 3, 11| zodat het niet was gelijk de goddeloze Simon lasterlijk
141 3, 12| die vertrouwd hebben op de heiligheid der plaats, en
142 3, 12| heiligheid der plaats, en op de eerwaardigheid en vrijdom
143 3, 12| eerwaardigheid en vrijdom van de tempel, die door de gehele
144 3, 12| van de tempel, die door de gehele wereld geëerd is,
145 3, 13| 13 Doch Heliodorus, om de bevelen, die hij van de
146 3, 13| de bevelen, die hij van de koning had, zeide, dat dit
147 3, 14| geen kleine benauwdheid in de gehele stad.~
148 3, 15| 15 En de priesters in hun priesterlijke
149 3, 15| het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten
150 3, 15| wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd
151 3, 16| want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd waren,
152 3, 16| veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid, die in zijn
153 3, 17| verschrikking van het lichaam had de an bevangen, waaruit klaar
154 3, 17| bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart
155 3, 18| deze liepen met hopen uit de huizen naar het gemeen gebed,
156 3, 19| 19 En de vrouwen, zijnde met zakken
157 3, 19| haar borssten, vervulden de wegen, en van de maagden,
158 3, 19| vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten
159 3, 19| liepen sommigen tezamen naar de poorten, sommigen op de
160 3, 19| de poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen
161 3, 19| sommigen zagen naar beneden uit de vensters,~
162 3, 20| 20 En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt
163 3, 20| zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende,
164 3, 21| erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkander gemengd
165 3, 21| en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn
166 3, 22| 22 Dezen dan riepen tot de Here Almachtig, dat hij
167 3, 23| en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers
168 3, 23| daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig
169 3, 24| 24 Zo heeft de prins der geesten en van
170 3, 24| daar tezamen te komen, door de kracht Gods verslagen zijnde,
171 3, 28| tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in de voorzeide
172 3, 28| al de hellebaardiers in de voorzeide schatkamer was
173 3, 28| zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon geholpen
174 3, 28| geholpen worden, en openlijk de heerschappij Gods bekende.~
175 3, 29| 29 En hij lag daar, door de Goddelijke kracht, zonder
176 3, 30| 30 Maar dezen prezen de Here, dat hij deze zijn
177 3, 30| plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren
178 3, 30| en beroerte was, doordat de Here Almachtig daar verschenen
179 3, 31| haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen,
180 3, 31| hij hem, die nu gans in de uiterste adem lag, het leven
181 3, 32| 32 En de hogepriester, beducht zijnde
182 3, 32| hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou
183 3, 32| dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven
184 3, 33| 33 En als de hogepriester de verzoening
185 3, 33| 33 En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde
186 3, 33| zeiden daar staande: Dankt de hogepriester Onias grotelijks,
187 3, 33| want om zijnentwil heeft u de Here het leven geschonken.~
188 3, 34| 34 En gij, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt
189 3, 34| zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht Gods. En
190 3, 35| trok het leger weder naar de koning;~
191 3, 36| En hij getuigde aan allen de werken van de grote God,
192 3, 36| aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met
193 3, 37| 37 En als de koning Heliodorus vraagde,
194 3, 39| 39 Want hij, die de hemelse woonstede heeft,
195 3, 39| hemelse woonstede heeft, is de opziener en helper van die
196 3, 40| aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~
197 3, 40| Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer.~ ~
198 4, 1 | 1 De voorzeide Simon, die een
199 4, 2 | durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had,
200 4, 2 | zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met
201 4, 2 | wet was, dat hij zich met de zaken des rijks listig bemoeide.~
202 4, 3 | 3 En als de vijandschap zover toegenomen
203 4, 4 | 4 Onias, bemerkende de hevigheid van de twist,
204 4, 4 | bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius
205 4, 4 | Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde,
206 4, 4 | vermeerderde, is hij getrokken naar de koning.~
207 4, 5 | maar ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen
208 4, 6 | zonder des konings voorzorg de zaken tot vrede zouden kunnen
209 4, 7 | Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en
210 4, 7 | aangenomen, zo heeft Jason, de broeder van Onias, onbehoorlijk
211 4, 8 | verkrijgen beloofde. hij de koning driehonderdenzestig
212 4, 9 | mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië.~
213 4, 10| 10 Hetwelk, als de koning hem had toegestaan,
214 4, 10| terstond zijn volk gebracht tot de wijze der Grieken;~
215 4, 11| 11 En heeft de voorrechten afgeschaft,
216 4, 11| voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren
217 4, 11| die namens de koningen de Joden goedertieren waren
218 4, 11| waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die
219 4, 11| gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van
220 4, 11| wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken,
221 4, 12| had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste
222 4, 12| dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongelingen daartoe
223 4, 12| verordineerd, leidde hij hen onder de hoed.~
224 4, 13| 13 Zo was er onder de Joden een grote lust tot
225 4, 13| Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote
226 4, 13| vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van
227 4, 13| overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen
228 4, 14| 14 Zodat de priesters niet meer volvaardig
229 4, 14| meer volvaardig waren om de dienst te doen bij het altaar,
230 4, 14| doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de
231 4, 14| de tempel verachtende, en de offeranden nalatende, benaarstigden
232 4, 14| zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen,
233 4, 14| onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats geschiedden,
234 4, 14| beroepen hadden, om met de bal te spelen;~
235 4, 15| 15 En de eerlijke wijzen der vaderen
236 4, 15| achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste was.~
237 4, 15| hielden zij dat de Griekse eer de beste was.~
238 4, 17| goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is geen
239 4, 17| is geen lichte zaak, doch de volgende tijd zal het openbaren.~
240 4, 18| Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig
241 4, 19| zilver tot een offerande van de afgod Herkules; waarvan
242 4, 20| heeft hij ze besteed aan de toerusting der galeien.~
243 4, 21| 21 En als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in
244 4, 21| Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de
245 4, 21| de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft
246 4, 22| zeer heerlijk door Jason en de ganse stad ontvangen, en
247 4, 23| 23 En na de tijd van drie jaren zond
248 4, 23| voorgemelden Simons broeder, om de koning het geld te brengen,
249 4, 24| 24 Deze de koning zeer aangenaam geworden
250 4, 27| aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel
251 4, 27| beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het
252 4, 27| Sostrates, de overste van de burcht het eiste.~
253 4, 28| gesteld om het geld van de schatting te ontvangen.
254 4, 28| nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren,~
255 4, 29| liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus.~
256 4, 31| 31 Zo is dan de koning in grote haast daar
257 4, 31| grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende
258 4, 32| heeft enige gouden vaten van de tempel genomen, en die geschonken
259 4, 32| verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom.~
260 4, 34| verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel
261 4, 34| hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad
262 4, 34| bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij
263 4, 34| besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag.~
264 4, 35| welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van
265 4, 36| 36 En als de koning wedergekomen was
266 4, 36| koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben
267 4, 36| van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren,
268 4, 36| hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken,
269 4, 36| aangesproken, gelijk ook de Grieken, die dit kwaad stuk
270 4, 38| rokken verscheurd en hem door de ganse stad omgevoerd hebbende
271 4, 38| stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid
272 4, 38| tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias
273 4, 38| Onias begaan had, heeft daar de doodslager van het leven
274 4, 38| leven beroofd, en zo heeft de Here hem de verdiende straf
275 4, 38| en zo heeft de Here hem de verdiende straf vergolden.~
276 4, 39| Lysimachus vele kerkroverijen in de stad geschiedden, met raad
277 4, 39| verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus,
278 4, 40| 40 En als de scharen op de been geraakt
279 4, 40| 40 En als de scharen op de been geraakt en vol gramschap
280 4, 41| 41 En dezen, ziende de aanval van Lysimachus, grepen
281 4, 42| en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover
282 4, 42| op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij
283 4, 42| kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist.~
284 4, 44| 44 En als de koning gekomen was te Tyrus,
285 4, 44| stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun
286 4, 45| veel geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs, opdat
287 4, 45| van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden.~
288 4, 46| ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij
289 4, 47| boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft
290 4, 47| ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden,
291 4, 47| vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen.~
292 4, 48| geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor
293 4, 48| stad, en het volk, en voor de heilige vaten deze beschuldiging
294 4, 49| 49 Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende,
295 4, 50| 50 En Menelaüs bleef door de gierigheid dergenen die
296 4, 50| gierigheid dergenen die de macht hadden, in het opperste
297 5, 2 | En het gebeurde dat door de gehele stad, bijna veertig
298 5, 2 | bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters
299 5, 3 | van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei
300 5, 5 | Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason
301 5, 5 | terstond een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren
302 5, 5 | in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en
303 5, 5 | gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vlood
304 5, 5 | was, zo vlood Menelaüs op de burcht.~
305 5, 6 | sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen
306 5, 6 | zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenspoed was;
307 5, 8 | hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd
308 5, 8 | zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door
309 5, 8 | vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd
310 5, 8 | gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt
311 5, 9 | ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken
312 5, 11| 11 De koning, als hij verstaan
313 5, 11| in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.~
314 5, 12| 12 En gebood de krijgslieden, dat zij allen
315 5, 12| dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden
316 5, 13| kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen
317 5, 14| veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden
318 5, 15| zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van
319 5, 15| allerheiligste tempel van de ganse aardbodem, hebbende
320 5, 15| verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.~
321 5, 16| met zijn onreine handen de heilige vaten nemende, en
322 5, 17| zonden wil dergenen, die in de stad woonden, de Here een
323 5, 17| die in de stad woonden, de Here een kleine tijd vertoornd
324 5, 17| geweest, en dat hij daarom de plaats niet aanzag.~
325 5, 18| Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer
326 5, 18| van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen,
327 5, 19| 19 Maar de Here heeft het volk niet
328 5, 19| Here heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats om
329 5, 19| niet om de plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren.~
330 5, 20| deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit
331 5, 20| ook deelachtig geworden de weldadigheden, en het volk
332 5, 20| weldadigheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten
333 5, 20| verlaten geweest, is weder door de verzoening met de grote
334 5, 20| weder door de verzoening met de grote Here, in alle heerlijkheid
335 5, 21| Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd
336 5, 21| menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men
337 5, 21| kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou
338 5, 21| daarop zou kunnen gaan, door de hovaardigheid van zijn hart.~
339 5, 23| Menelaüs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen
340 5, 23| anderen zich verhief tegen de burgers.~
341 5, 24| 24 En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig
342 5, 24| gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongelingen verkopen.~
343 5, 25| heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat;
344 5, 25| stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij
345 5, 25| Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende,
346 5, 25| dat zij zich zouden in de wapenen begeven.~
347 5, 26| die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten
348 5, 26| laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende,
349 5, 27| 27 En Judas, de Makkabeeër, is met negen
350 5, 27| die bij hem waren, naar de wijze der wilde dieren,
351 5, 27| geen deel te hebben aan de ontreiniging.~ ~
352 6, 1 | En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene,
353 6, 1 | een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij
354 6, 1 | zij zouden afwijken van de wetten hunner vaderen, en
355 6, 1 | niet zouden wandelen naar de wetten van God.~
356 6, 2 | 2 En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen,
357 6, 2 | ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius,
358 6, 2 | van Jupiter Olympius, en de tempel) te Garizin te noemen, (
359 6, 2 | plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius.~
360 6, 3 | 3 De invoering van deze boosheid
361 6, 4 | 4 Want de tempel werd vervuld met
362 6, 4 | brasserijen der heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden,
363 6, 4 | in luiheid leefden, en in de heilige galerijen zich vermengden
364 6, 4 | galerijen zich vermengden met de vrouwen; en daarenboven
365 6, 5 | onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld.~
366 6, 6 | geen sabbatten vieren, noch de feestdagen der vaderen onderhouden,
367 6, 7 | houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en
368 6, 7 | geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen
369 6, 8 | 8 En in de naburige Griekse steden,
370 6, 8 | plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van
371 6, 8 | Joden ook zouden eten van de ingewanden der beesten,
372 6, 8 | ingewanden der beesten, de afgoden opgeofferd.~
373 6, 9 | worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende.~
374 6, 10| gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden,
375 6, 10| openlijk omvoerden, en van de muren afstieten.~
376 6, 11| anderen, te zamen lopende in de naaste spelonken, opdat
377 6, 11| opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden,
378 6, 11| te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige
379 6, 14| 14 Want de Here doet hun niet gelijk
380 6, 14| Here doet hun niet gelijk de andere volken, dat hij lankmoedig
381 6, 18| zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden,
382 6, 19| met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats,~
383 6, 20| geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te
384 6, 21| onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man
385 6, 21| om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden
386 6, 21| alsof hij at hetgeen door de koning was verordineerd,
387 6, 22| Opdat hij, zulks doende, van de dood zou vrijgelaten worden,
388 6, 22| worden, en opdat hij, om de oude vriendschap met hen,
389 6, 23| gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde
390 6, 26| tegenwoordige zou verlost worden van de straf der mensen, zo zou
391 6, 26| levende noch stervende, de handen van de Almachtige.~
392 6, 26| stervende, de handen van de Almachtige.~
393 6, 27| moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen
394 6, 28| 28 En zal de jongelieden een heerlijk
395 6, 28| voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten
396 6, 28| hij terstond gegaan naar de pijnigingsplaats.~
397 6, 29| in kwaadwilligheid, om de voorzegde woorden, die zij
398 6, 30| 30 En als hij nu door de slagen sterven zou, zeide
399 6, 30| zeide hij al zuchtende: Aan de Here, die een heilige wetenschap
400 6, 30| bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware
401 6, 30| gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde,
402 6, 31| gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het
403 7, 1 | dat zeven broeders, met de moeder gegrepen zijnde,
404 7, 1 | moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden
405 7, 2 | En een hunner, die voor de anderen sprak, zeide aldus:
406 7, 2 | bereid liever te sterven, dan de wetten onzer vaderen te
407 7, 3 | 3 En de koning zeer gram wordende,
408 7, 4 | hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de
409 7, 4 | de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem
410 7, 4 | uiterste leden afhouwen, en dat de andere broeders en de moeder
411 7, 4 | dat de andere broeders en de moeder dit zouden aanzien.~
412 7, 5 | waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die
413 7, 5 | vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp
414 7, 5 | in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer
415 7, 5 | braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde,
416 7, 5 | vermaanden zij elkander met de moeder kloekmoedig te sterven;~
417 7, 6 | 6 Sprekende aldus: God de Here ziet het aan, en zal
418 7, 6 | ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost
419 7, 7 | 7 En als de eerste op deze wijze gestorven
420 7, 7 | gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting;
421 7, 7 | leidden zij de tweede tot de bespotting; en het vel van
422 7, 8 | pijniging is aangedaan, gelijk de eerste.~
423 7, 9 | 9 En als hij nu in de uiterste adem was, zeide
424 7, 9 | tegenwoordige leven, maar de koning der wereld zal ons,
425 7, 10| 10 Na deze werd ook de derde bespot, en als zij
426 7, 11| alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit
427 7, 12| 12 Zodat de koning zelf, en die bij
428 7, 12| zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze
429 7, 13| was, hebben zij desgelijks de vierde gepijnigd en geslagen.~
430 7, 14| hij aldus: Het is beter de hoop, die van mensen is,
431 7, 14| mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten,
432 7, 15| 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen
433 7, 15| en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zeide
434 7, 16| 16 Gij hebt macht onder de mensen, en hoewel gij vergankelijk
435 7, 18| 18 Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven
436 7, 20| 20 Maar de moeder is bovenmate zeer
437 7, 20| dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de
438 7, 20| de hoop die zij hadden op de Here;~
439 7, 22| voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven,
440 7, 22| leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit
441 7, 23| 23 Daarom de Schepper der wereld, die
442 7, 23| Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt,
443 7, 23| geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven
444 7, 24| hem smaadheid aandeed, als de jongste nog overig was,
445 7, 24| zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat
446 7, 25| 25 En daar de jongeling geenszins daarnaar
447 7, 25| daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder,
448 7, 25| riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling
449 7, 25| vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot
450 7, 27| 27 En de moeder naar hem toebukkende,
451 7, 27| naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende,
452 7, 27| deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding
453 7, 28| kind, dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde,
454 7, 28| ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat
455 7, 29| waardig zijt, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid
456 7, 30| zij nog sprak, zo zeide de jongeling: Wat verwacht
457 7, 31| zijt van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen
458 7, 31| tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvlieden.~
459 7, 34| hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.~
460 7, 37| lichaam en ziel over voor de wetten der vaderen, aanroepende
461 7, 38| en mijn broeders ophoude de toom des Almachtigen, die
462 7, 39| 39 En de koning zeer gram geworden
463 7, 39| veel kwalijker bejegend dan de anderen.~
464 7, 40| rein gestorven, geheel op de Here vertrouwende.~
465 7, 41| 41 En de moeder is ook ten laatste
466 7, 41| moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven.~
467 7, 42| verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden, en
468 7, 42| ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen.~ ~
469 8, 1 | 1 En Judas de Makkabeeër, en die met hem
470 8, 1 | hem waren, heimelijk in de vlekken inkomende, riepen
471 8, 1 | bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven
472 8, 2 | 2 En riepen de Here aan, dat hij zou willen
473 8, 2 | zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze
474 8, 2 | over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd
475 8, 3 | zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was,
476 8, 3 | nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden,
477 8, 4 | onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen,
478 8, 4 | kinderen, en dat hij om de lasteringen, die tegen zijn
479 8, 4 | haat wilde betonen tegen de boosheid.~
480 8, 5 | hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn
481 8, 5 | onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn Gods in barmhartigheid
482 8, 6 | 6 De steden en vlekken, onverwachts
483 8, 6 | stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in,
484 8, 6 | dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.~
485 8, 6 | weinigen van de vijanden op de vlucht.~
486 8, 7 | 7 En hij nam vooral de nachten waar tot zodanige
487 8, 8 | schreef aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en
488 8, 8 | Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak des konings zou te
489 8, 9 | verkoos terstond Nicanor, de zoon van Patroclus, een
490 8, 9 | zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en
491 8, 10| 10 Nicanor nu had de koning beloofd de schatting,
492 8, 10| nu had de koning beloofd de schatting, die hij de Romeinen
493 8, 10| beloofd de schatting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde
494 8, 10| tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.~
495 8, 11| En hij zond terstond naar de zeesteden, hen nodende om
496 8, 11| talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen
497 8, 11| die hem zou overkomen van de Almachtige.~
498 8, 12| Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.~
499 8, 13| en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar
500 8, 13| derwaarts gevloden, en verlieten de plaats.~
1-500 | 501-1000 | 1001-1021 |