Chapter, Verse
1 8, 9 | 9 Deze verkoos terstond Nicanor, de zoon van Patroclus,
2 8, 10| 10 Nicanor nu had de koning beloofd
3 8, 12| verwittigd van de aantocht van Nicanor.~
4 8, 14| degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij bijeenkwamen, verkocht
5 8, 23| eerste slagorde, leverde met Nicanor slag.~
6 8, 34| 34 En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden
7 9, 3 | tijding gebracht van hetgeen Nicanor en Timotheüs wedervaren
8 11, 2 | Demofon, en benevens deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten
9 13, 12| 12 En hij riep terstond Nicanor, die over de olifanten gesteld
10 13, 14| vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat der Joden
11 13, 15| hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich
12 13, 17| broeder van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd
13 13, 18| 18 Desgelijks Nicanor, horende wat dapperheid
14 13, 23| 23 En Nicanor verkeerde te Jeruzalem,
15 13, 26| Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad die vijandig
16 13, 27| opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze
17 13, 28| 28 Als nu Nicanor deze dingen ter ore gekomen
18 13, 30| Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde,
19 13, 30| zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen.~
20 13, 37| genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor.~
21 13, 39| 39 Nicanor nu willende openbaar maken
22 14, 1 | 1 Nicanor, nu verstaande dat degenen
23 14, 6 | 6 En deze Nicanor, met alle hovaardigheid
24 14, 25| 25 Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten
25 14, 28| aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen was met
26 14, 30| geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder
27 14, 32| hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar,
28 14, 33| de tong van de goddeloze Nicanor afgesneden hebbende, zeide
29 14, 35| En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om voor allen
30 14, 38| Dewijl dan de zaken van Nicanor aldus afgelopen zijn, en
|