Chapter, Verse
1 3, 11| de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid
2 4, 35| niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood.~
3 4, 40| Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige
4 5, 24| van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen,
5 6, 1 | daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden
6 6, 18| voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen
7 6, 21| de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad,
8 8, 1 | vergaderden zesduizend man;~
9 8, 8 | Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote voortgang
10 8, 9 | minder dan twintigduizend man uit allerlei natiën, om
11 8, 9 | toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede
12 8, 22| hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar.~
13 8, 32| was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid
14 10, 17| minder dan twintigduizend man om.~
15 10, 31| twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters.~
16 10, 41| hebbende omtrent tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij,
17 11, 19| sterkte, meer dan tienduizend man.~
18 11, 23| vernielde van hen dertigduizend man.~
19 11, 26| daar vijfentwintigduizend man doodgeslagen.~
20 11, 35| die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem
21 12, 15| heeft omtrent tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij
22 13, 24| waarde, van harte tot de man geneigd zijnde.~
23 13, 28| moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan had.~
24 13, 31| merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist
25 13, 31| gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~
26 13, 37| ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad,
27 14, 12| bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van
28 14, 13| zo ook verschenen was een man met grauwe haren en heerlijk
29 14, 22| honderdvijfentachtigduizend man.~
30 14, 27| dan vijfendertigduizend man, grotelijks verheugd zijnde
|