Chapter, Verse
1 1, 1 | broeders, de Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van
2 1, 10| honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de
3 3, 6 | geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat
4 3, 9 | Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door
5 3, 37| zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zeide
6 4, 9 | oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder
7 4, 19| goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië
8 4, 21| voorts gereisd is naar Jeruzalem.~
9 4, 25| ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat
10 5, 22| te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër
11 5, 25| als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam
12 6, 2 | 2 En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze
13 8, 31| de buit brachten zij te Jeruzalem.~
14 8, 36| de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde
15 9, 4 | in hovaardigheid: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats
16 10, 15| hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten
17 10, 44| vaste plaats, gelegen van Jeruzalem omtrent vijf stadiën en
18 10, 47| aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard
19 11, 9 | de vlam gezien werd tot Jeruzalem toe, zijnde tweehonderdenveertig
20 11, 29| Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën.~
21 11, 31| aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen.~
22 11, 43| drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offerande te doen voor
23 13, 23| En Nicanor verkeerde te Jeruzalem, en hij deed niets ongerijmds,
24 13, 37| Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en
25 14, 30| schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen.~
|