Chapter, Verse
1 2, 32| te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die
2 3, 12| 12 En dat men ongelijk zou doen aan degenen,
3 5, 21| hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen
4 5, 21| schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan,
5 6, 6 | 6 En men mocht geen sabbatten vieren,
6 6, 9 | gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige
7 7, 3 | gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou
8 7, 4 | 4 Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen
9 7, 5 | zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde,
10 9, 7 | de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten;
11 9, 12| woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en
12 11, 12| zijn, heeft toegestaan dat men vrede met hen zou maken;
13 11, 24| grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde
14 11, 24| en het geschieden zou dat men anderszins op die geen acht
15 12, 4 | kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea,
16 12, 5 | rond instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in
17 13, 4 | bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te
18 13, 21| er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.~
19 13, 27| kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs terstond gevangen
20 14, 3 | geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou
21 14, 4 | prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.~
22 14, 30| bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en
|