Chapter, Verse
1 2, 20| aangaat de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broeders, en de
2 8, 5 | 5 En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had,
3 8, 16| 16 En Judas Makkabeüs, vergaderd hebbende die
4 10, 1 | 1 En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben,
5 10, 16| 16 En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden
6 10, 19| 19 Zo liet Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven
7 10, 25| 25 Die met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde
8 10, 30| 30 Dezen nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden
9 10, 33| 33 Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde,
10 10, 35| enige jongelingen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken
11 10, 45| 6 En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij
12 10, 46| 7 En Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen
13 10, 54| 15 Makkabeüs nu, zorgdragende voor hetgeen
14 10, 54| Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift
15 11, 19| oversten dergenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden
16 11, 20| 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden
17 12, 24| 24 En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een
18 13, 6 | Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren
19 13, 27| kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs terstond gevangen zou zenden
20 13, 30| 30 Doch Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor
21 14, 7 | 7 Maar Makkabeüs vertrouwde zonder ophouden
22 14, 21| 21 Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte,
|