Chapter, Verse
1 4, 16| gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen,
2 5, 6 | medeburgers, maar van zijn vijanden.~
3 8, 6 | dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.~
4 8, 16| vermaande hen dat zij om der vijanden wil niet zouden verslagen
5 8, 24| streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden
6 8, 27| wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden,
7 10, 21| hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.~
8 10, 26| zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die
9 10, 27| van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven zij stil
10 10, 29| hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen
11 10, 30| gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor
12 10, 50| 11 En als leeuwen op hun vijanden aanvallende, hieuwen zij
13 11, 22| een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning
14 11, 28| prins, die met kracht der vijanden macht verbreekt, hebben
15 12, 21| de geheime, zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen
16 13, 17| verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen.~
17 13, 22| gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens
18 14, 16| God, met hetwelk gij de vijanden zult verwonden.~
19 14, 17| mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te
20 14, 20| treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun leger
21 14, 26| Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping en gebeden.~
|