Chapter, Verse
1 2, 11| 11 En hoe Mozes zeide: Opdat de offerandel voor
2 3, 13| die hij van de koning had, zeide, dat dit geld immers in
3 3, 37| Jeruzalem gezonden te worden, zeide hij:~
4 6, 24| 24 Want, zeide hij, het betaamt onze ouderdom
5 6, 30| door de slagen sterven zou, zeide hij al zuchtende: Aan de
6 7, 2 | die voor de anderen sprak, zeide aldus: Wat wilt gij ons
7 7, 8 | zijn vaderlijke taal, en zeide tot hen: Geenszins. Waarom
8 7, 9 | in de uiterste adem was, zeide hij: Gij booswicht, gij
9 7, 15| deze de koning aanziende, zeide tot hem:~
10 7, 18| en als hij sterven zou, zeide hij: Dwaal niet tevergeefs,
11 7, 27| wrede tiran bespottende, zeide aldus in haar vaderlijke
12 7, 30| En als zij nog sprak, zo zeide de jongeling: Wat verwacht
13 8, 18| 18 En hij zeide: Dezen vertrouwen op hun
14 9, 12| niet kunnende verdragen, zeide hij deze woorden: Het is
15 13, 6 | 6 Zeide daarop: Die onder de Joden
16 13, 26| vertrok naar Demetrius, en zeide dat Nicanor dingen voorhad
17 13, 26| zaken des konings; want, zeide hij, hij heeft Judas, die
18 14, 5 | 5 En de ander zeide: Ik ben ook een machtig
19 14, 15| en dit gevende daarbij zeide:~
20 14, 33| Nicanor afgesneden hebbende, zeide hij, dat hij die bij stukken
|