Chapter, Verse
1 2, 22| land afgelopen hebben, en menigte der barbaren hebben vervolgd;~
2 2, 25| willen doorlezen, om de menigte van de stof,~
3 3, 6 | vol was van geld, zodat de menigte der kostelijke dingen ontelbaar
4 3, 21| erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkander gemengd nederviel,
5 4, 5 | ziende op hetgeen al de menigte, zo in het gemeen als in
6 4, 39| verbreid was, zo vergaderde de menigte tegen Lysimachus, nadat
7 5, 3 | der schilden, een grote menigte van spiesen, en schieten
8 5, 10| 10 En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen,
9 5, 26| lopende, heeft een grote menigte vermoord.~
10 8, 16| zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, die onrechtvaardig
11 10, 24| hebbende een zeer grote menigte van vreemd krijgsvolk, en
12 11, 16| zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij
13 11, 27| sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde;
14 11, 42| kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren,
15 12, 1 | Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.~
16 12, 15| voornaamste olifant, met de menigte dergenen, die daar in het
17 13, 1 | ingevaren, met een sterke menigte en vloot;~
18 13, 20| werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld,
19 13, 41| 41 Maar als de menigte de toren zou innemen, en
20 14, 21| Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting
|