Chapter, Verse
1 2, 10| en dat het vuur van de hemel viel, en de offerande verslond;
2 2, 18| alle landen, die onder de hemel zijn, weder zal bijeenbrengen
3 2, 22| verschijningen, die van de hemel geschied zijn aan degenen,
4 3, 15| altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft
5 3, 20| allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende, deden
6 3, 34| 34 En gij, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt
7 7, 11| alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht
8 7, 28| dat gij ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende
9 8, 20| door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat zij groot
10 9, 4 | volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want
11 9, 21| 21 In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk
12 10, 29| zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke
13 10, 49| slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen vechten,
14 13, 34| priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem
15 14, 3 | daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou hebben,
16 14, 4 | die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden
17 14, 8 | die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en nu van
18 14, 19| slag, die onder de blote hemel zou geschieden, hen ontroerende.~
19 14, 21| opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die
20 14, 34| zij allen opziende naar de hemel dankten de doorluchtige
|