Chapter, Verse
1 1, 3 | dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige
2 2, 16| geschreven, en gij zult dan wel doen, dat gij deze dagen viert.~
3 2, 30| acht ik dat wij ook moeten doen.~
4 3, 12| En dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd
5 3, 39| die daar komen om kwaad te doen.~
6 4, 13| voortgang der vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid
7 4, 14| volvaardig waren om de dienst te doen bij het altaar, maar de
8 6, 18| genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten.~
9 8, 15| hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij
10 10, 19| hem om deze belegering te doen, en hij week zelf naar de
11 10, 75| opdat wij mogen verklaring doen van hetgeen u dienstig is.
12 11, 2 | en hun dingen in stilte doen.~
13 11, 39| als het nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen
14 11, 43| Jeruzalem om offerande te doen voor de zonde; gans wel
15 12, 9 | Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in zijns vaders
16 12, 23| gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij
17 13, 8 | eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid
18 13, 28| de verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht
19 13, 40| daarmede groot leed zou doen.~
20 14, 39| hetgeen dat ik heb kunnen doen.~
|