1-500 | 501-1000 | 1001-1021
Chapter, Verse
501 8, 14| overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen
502 8, 14| verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij
503 8, 15| dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun
504 8, 16| verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen,
505 8, 16| zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig
506 8, 16| onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;~
507 8, 17| 17 En de mishandeling tegen de stad,
508 8, 17| En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot
509 8, 17| door hen bespot was; en ook de verbreking der regering,
510 8, 18| waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig
511 8, 18| tegen ons komen, en ook de gehele wereld, met één wenk
512 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders
513 8, 19| geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend
514 8, 20| 20 En de slag, die in Babylonië tegen
515 8, 20| die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe
516 8, 20| vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig
517 8, 20| honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel
518 8, 20| door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat
519 8, 21| hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland
520 8, 23| een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde
521 8, 23| zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde
522 8, 24| 24 Daar de Almachtige met hen streed,
523 8, 24| streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend,
524 8, 24| zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden
525 8, 25| zij weder, daar zij door de tijd belet waren.~
526 8, 26| 26 Want het was de dag voor de Sabbat; waarom
527 8, 26| Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet
528 8, 27| 27 En als zij de wapenen verzameld, en de
529 8, 27| de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken
530 8, 27| verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden,
531 8, 27| uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en
532 8, 27| en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden
533 8, 28| 28 En na de Sabbat deelden zij uit aan
534 8, 28| Sabbat deelden zij uit aan de kranken, de weduwen, en
535 8, 28| zij uit aan de kranken, de weduwen, en de wezen van
536 8, 28| kranken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het
537 8, 28| weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden
538 8, 29| algemene biddag, en baden de barmhartige Here, dat hij
539 8, 30| en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden
540 8, 30| veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden
541 8, 30| gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en
542 8, 30| en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en
543 8, 30| kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de
544 8, 30| de weduwen, en ook voor de oude lieden.~
545 8, 31| plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te Jeruzalem.~
546 8, 32| zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan
547 8, 33| een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij
548 8, 33| hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand
549 8, 34| 34 En de overgoddeloze Nicanor, die
550 8, 34| kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,~
551 8, 35| degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp
552 8, 35| achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn
553 8, 35| eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk
554 8, 36| hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te
555 8, 36| aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit
556 8, 36| schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem
557 8, 36| krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter
558 8, 36| hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond
559 8, 36| worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd
560 9, 1 | met schande wederkwam uit de plaatsen van omtrent Perzië.~
561 9, 2 | als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis
562 9, 2 | het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is
563 9, 2 | gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde,
564 9, 2 | gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven
565 9, 2 | Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat
566 9, 4 | hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom
567 9, 4 | ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel
568 9, 4 | volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende.
569 9, 5 | 5 Doch de almachtige Here, de God
570 9, 5 | Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem
571 9, 6 | en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd
572 9, 7 | in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men
573 9, 7 | Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en
574 9, 7 | gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel
575 9, 7 | een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid
576 9, 8 | 8 Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te
577 9, 8 | met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te
578 9, 8 | ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal
579 9, 8 | schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar
580 9, 8 | in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich
581 9, 9 | leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.~
582 9, 10| die een weinig tevoren de sterren des hemels scheen
583 9, 10| niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank.~
584 9, 11| zo verwond zijnde, van de grootheid zijns hoogmoeds
585 9, 13| 13 En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid
586 9, 14| 14 Dat hij de heilige stad, tot welke
587 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen
588 9, 15| begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de
589 9, 15| de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine
590 9, 15| en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te
591 9, 16| 16 En dat hij de heilige tempel, die hij
592 9, 16| versieren, en dat hij al de heilige vaten veelvoudig
593 9, 16| uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offeranden
594 9, 16| inkomsten de onkosten, die tot de offeranden behoorden, zou
595 9, 17| alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.~
596 9, 18| 18 Maar als de pijnen geenszins ophielden, (
597 9, 18| wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven
598 9, 19| 19 De koning en veldoverste Antiochus,
599 9, 19| en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers,
600 9, 21| 21 In de hemel mijn hoop hebbende,
601 9, 22| 22 Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en
602 9, 22| geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van
603 9, 24| mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten
604 9, 24| land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten
605 9, 25| Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen
606 9, 25| naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en
607 9, 25| Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende,
608 9, 26| een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij
609 9, 29| genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken
610 10, 1 | hem waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de tempel
611 10, 1 | daar de Here hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~
612 10, 1 | hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~
613 10, 2 | 2 En hebben de altaren, die door de vreemde
614 10, 2 | hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt
615 10, 2 | door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en
616 10, 2 | waren, en bovendien ook de tempel der afgoden weggenomen.~
617 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden gereinigd,
618 10, 3 | zij offerande geofferd, na de tijd van twee jaren; en
619 10, 3 | hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden
620 10, 3 | reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.~
621 10, 4 | gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende,
622 10, 4 | worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse
623 10, 5 | gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen
624 10, 5 | dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd
625 10, 5 | heidenen ontheiligd is geweest de reiniging van de tempel
626 10, 5 | geweest de reiniging van de tempel geschiedde, namelijk
627 10, 5 | geschiedde, namelijk op de vijfentwintigste der maand,
628 10, 6 | vreugde acht dagen, naar de wijze der loofhutten, gedachtenis
629 10, 6 | feest der loofhutten, op de bergen en in de spelonken,
630 10, 6 | loofhutten, op de bergen en in de spelonken, gelijk de wilde
631 10, 6 | in de spelonken, gelijk de wilde beesten, in eenzaamheid
632 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven van
633 10, 10| onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze,
634 10, 10| kortelijk saamvattende de gedurige ellende der oorlogen.~
635 10, 11| zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was
636 10, 12| Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren,
637 10, 13| 13 Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd
638 10, 14| krijgsvolk, en voerde gedurig de oorlog tegen de Joden.~
639 10, 14| gedurig de oorlog tegen de Joden.~
640 10, 15| En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen sterkten
641 10, 15| macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen
642 10, 15| gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.~
643 10, 16| strijden, deden een aanval op de sterkten der Idumeeën.~
644 10, 17| met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en
645 10, 17| en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen
646 10, 19| doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood
647 10, 20| zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen,
648 10, 21| hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër geboodschapt
649 10, 21| geboodschapt was, vergaderde hij de oversten des volks, en beschuldigde
650 10, 21| hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel
651 10, 23| 23 En door de wapenen, die hij in handen
652 10, 24| Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd
653 10, 24| bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren,
654 10, 24| aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.~
655 10, 26| 26 En nedervallende op de rand, die tegenover het
656 10, 26| hen tegenstonden, gelijk de wet verklaart.~
657 10, 27| gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver
658 10, 27| wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden
659 10, 27| van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven
660 10, 28| 28 En als de zon opgegaan was, leverden
661 10, 28| hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning
662 10, 28| voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht
663 10, 28| met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en
664 10, 28| kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen
665 10, 28| moed tot een overste van de strijd.~
666 10, 29| hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen
667 10, 29| was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke
668 10, 30| gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen,
669 10, 32| genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.~
670 10, 33| kloekmoedig zijnde, belegerden de sterkte vierentwintig dagen.~
671 10, 34| binnen waren, vertrouwende op de vastigheid der plaats, lasterden
672 10, 35| 35 En als de vijfentwintigste dag begon
673 10, 35| gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren
674 10, 35| door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer
675 10, 36| 36 En de anderen desgelijks opklimmende
676 10, 36| desgelijks opklimmende in de omgang tot hen, die binnen
677 10, 36| die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren
678 10, 37| 37 En de anderen verbraken de poorten;
679 10, 37| En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen,
680 10, 37| ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen
681 10, 38| lofzangen en dankzeggingen de Here, die Israël zo grote
682 10, 40| bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld
683 10, 41| tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok op
684 10, 41| ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende
685 10, 41| Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats
686 10, 42| 3 En de tempel tot geldgewin te
687 10, 42| geldgewin te gebruiken, gelijk de andere tempels der heidenen,
688 10, 43| 4 Geenszins overleggende de macht Gods, maar hoogmoedig
689 10, 43| en duizenden te paard, en de tachtig olifanten,~
690 10, 45| belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen en tranen
691 10, 45| scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij een goede
692 10, 46| Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande
693 10, 46| wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem
694 10, 48| 9 En allen prezen de barmhartige God eendrachtig,
695 10, 48| bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste
696 10, 48| alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en
697 10, 49| slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen
698 10, 51| 12 En al de anderen dwongen zij te vluchten,
699 10, 52| bij zichzelf overleggende de nederlaag die hem geschied
700 10, 52| geschied was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk
701 10, 52| onoverwinnelijk waren, overmits de alvermogende God met hen
702 10, 53| handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken
703 10, 54| geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning
704 10, 54| voor de Joden, dat stond de koning toe.~
705 10, 55| 16 Want de brieven van Lysias aan de
706 10, 55| de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren
707 10, 56| afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden
708 10, 57| dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden,
709 10, 58| indien gij behouden zult de goedgunstigheid tot onze
710 10, 60| honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der
711 10, 61| 22 En de brief van de koning was
712 10, 61| 22 En de brief van de koning was van deze inhoud:
713 10, 61| koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn
714 10, 62| 23 Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij
715 10, 63| 24 Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn
716 10, 63| Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader,
717 10, 63| bij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst,
718 10, 64| dat dit volk ook buiten de beroerte zal zijn, en bevelen,
719 10, 64| zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven,
720 10, 64| voortaan wandelen mogen naar de gebruiken hunner voorouders.~
721 10, 65| tot ben zendt, hun gevende de rechterhand, opdat zij ons
722 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning
723 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk
724 10, 66| Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de
725 10, 66| De koning Antiochus wenst de raad der Joden, en al de
726 10, 66| de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.~
727 10, 69| tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der maand
728 10, 69| maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden
729 10, 70| 31 Dat de Joden gebruiken mogen hun
730 10, 72| 33 Vaartwel. De vijftiende dag der maand
731 10, 73| 34 De Romeinen hebben ook een
732 10, 74| 35 Hetgeen Lysias, de bloedvriend des konings,
733 10, 75| hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt
734 10, 77| 38 Vaart wel. De vijftiende dag der maand
735 11, 1 | zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven
736 11, 1 | Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het
737 11, 2 | 2 Doch de oversten van die plaatsen,
738 11, 2 | Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien
739 11, 3 | die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij
740 11, 3 | dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden,
741 11, 4 | hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet
742 11, 5 | landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren,
743 11, 5 | mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en
744 11, 6 | 6 Trok heen tegen de moordenaars der broeders,
745 11, 6 | broeders, en stak bij nacht de haven in brand, en verbrandde
746 11, 6 | in brand, en verbrandde de schuiten, en doorstak hen,
747 11, 7 | 7 En als de plaats ingesloten was, zo
748 11, 7 | die weder zou komen, en de ganse burgerschap van Joppe
749 11, 8 | wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,~
750 11, 9 | vloot, zodat het licht van de vlam gezien werd tot Jeruzalem
751 11, 10| Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde
752 11, 11| die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam,
753 11, 11| voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen
754 11, 11| zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende
755 11, 12| hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen hadden,
756 11, 14| van binnen vertrouwende op de vastigheid van haar muren,
757 11, 14| vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen
758 11, 15| Judas waren, aanroepende de grote prins der wereld,
759 11, 15| instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen
760 11, 15| van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen.~
761 11, 16| 16 En de stad door Gods wil ingenomen
762 11, 16| het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee
763 11, 17| kwamen zij in Charax tot de Joden, genaamd Tubianen.~
764 11, 19| en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die met
765 11, 19| Timotheüs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan tienduizend
766 11, 21| Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren
767 11, 21| Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en
768 11, 21| vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd
769 11, 21| belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen.~
770 11, 22| 22 Als nu de eerste hoop van Judas zich
771 11, 22| en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning
772 11, 22| over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die
773 11, 22| zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts,
774 11, 22| een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere
775 11, 22| vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende,
776 11, 22| eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken
777 11, 24| als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en
778 11, 25| hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis der broederen.~
779 11, 27| 27 En na de vlucht en nederlaag van
780 11, 27| van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande
781 11, 27| jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek,
782 11, 28| Doch zij, aanroepende God de prins, die met kracht der
783 11, 28| macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig
784 11, 29| optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen
785 11, 30| 30 Maar als de Joden, die daar woonden,
786 11, 30| daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die de
787 11, 30| de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis
788 11, 32| trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste van Idumea.~
789 11, 34| het dat er weinigen van de Joden vielen.~
790 11, 35| daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem
791 11, 36| vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een
792 11, 36| medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;~
793 11, 37| viel hij onverwachts op de soldaten van Gorgias, en
794 11, 37| Gorgias, en dreef hen op de vlucht.~
795 11, 38| vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de
796 11, 38| de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam,
797 11, 38| gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.~
798 11, 39| 39 En de volgende dag, kwamen degenen
799 11, 39| met Judas waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks
800 11, 39| nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen die gevallen
801 11, 39| bloedvrienden te stellen in de graven hunner vaderen.~
802 11, 40| 40 En zij vonden onder de rokken van een ieder der
803 11, 40| doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd
804 11, 40| geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en
805 11, 40| geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd
806 11, 41| Zo hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige rechter,
807 11, 41| hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige rechter, die
808 11, 42| gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was,
809 11, 42| mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande
810 11, 42| kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden
811 11, 43| om offerande te doen voor de zonde; gans wel en edel
812 11, 43| doende, daar hij dacht aan de opstanding.~
813 11, 44| dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)~
814 11, 46| gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening
815 11, 46| hij voor de gestorvenen de verzoening deed, opdat zij
816 11, 46| verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen
817 12, 4 | 4 Maar de Koning der koningen verwekte
818 12, 5 | aan alle kanten afviel in de as.~
819 12, 7 | goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.~
820 12, 8 | het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft bij
821 12, 8 | daarom heeft bij zijn dood in de as gevonden.~
822 12, 9 | 9 En de koning door deze gedachten
823 12, 9 | gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te
824 12, 10| volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat
825 12, 10| die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland,
826 12, 10| van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;~
827 12, 11| niet wilde laten vallen in de handen der schandelijke
828 12, 12| allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Here baden,
829 12, 13| 13 En hij, met de ouderlingen alleen zijnde,
830 12, 13| eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen,
831 12, 13| Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen,
832 12, 13| tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende
833 12, 13| zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.~
834 12, 14| 14 Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan
835 12, 14| zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en vermaand
836 12, 14| dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden
837 12, 14| toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland
838 12, 15| gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met
839 12, 15| OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongelingen
840 12, 15| en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met
841 12, 15| voornaamste olifant, met de menigte dergenen, die daar
842 12, 17| En dit was geschied als de dag aanlichtte, door de
843 12, 17| de dag aanlichtte, door de bescherming des Heren, die
844 12, 18| 18 De koning nu, een proef gekregen
845 12, 18| proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden,
846 12, 18| stoutmoedigheid der Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.~
847 12, 19| bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit
848 12, 21| krijgsvolk, boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden,
849 12, 21| boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht,
850 12, 21| gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is.~
851 12, 22| 22 De koning hield ten tweeden
852 12, 22| met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen
853 12, 23| Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen
854 12, 23| hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende,
855 12, 23| offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan
856 12, 23| tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.~
857 12, 24| veldoverste, van Ptolomaïs of tot de Gerzenen.~
858 12, 25| Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen
859 12, 25| het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.~
860 12, 26| Doch Lysias, klimmende op de rechterstoel, verantwoordde
861 13, 1 | 1 Na de tijd van drie jaren gebeurde
862 13, 1 | gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de
863 13, 1 | de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren,
864 13, 3 | vrijwillig besmet had in de tijden der vermenging, overleggende
865 13, 4 | 4 Kwam tot de koning Demetrius, in het
866 13, 4 | takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield
867 13, 5 | zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde
868 13, 5 | en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen
869 13, 6 | Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden de
870 13, 6 | de Joden genoemd worden de Asideeën, van wie Judas
871 13, 6 | van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren gedurig
872 13, 7 | Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid mijner voorouders,
873 13, 8 | ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan,
874 13, 8 | oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede
875 13, 8 | dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen,
876 13, 10| leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht
877 13, 11| hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning,
878 13, 11| hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas
879 13, 12| terstond Nicanor, die over de olifanten gesteld was, en
880 13, 13| stellen tot hogepriester van de grootste tempel.~
881 13, 14| 14 En de heidenen, die voor Judas
882 13, 15| 15 En de Joden verstaan hebbende
883 13, 15| Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en
884 13, 15| aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden,
885 13, 16| 16 En als de overste bevel gegeven had,
886 13, 17| 17 En Simon, de broeder van Judas, sloeg
887 13, 17| weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren
888 13, 19| Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand te geven en
889 13, 20| raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de
890 13, 20| werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld,
891 13, 20| de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en
892 13, 20| medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren,
893 13, 20| eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.~
894 13, 21| stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.~
895 13, 22| Judas stelde enigen, die in de wapenen waren, in bekwame
896 13, 22| gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger
897 13, 23| ongerijmds, en hij dankte de scharen af, die bij menigten
898 13, 24| in waarde, van harte tot de man geneigd zijnde.~
899 13, 26| 26 Alcimus nu, ziende de goedwilligheid des enen
900 13, 26| goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden die
901 13, 26| enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt
902 13, 26| voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want,
903 13, 27| 27 De koning zeer toornig geworden
904 13, 27| toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht
905 13, 28| het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen;
906 13, 28| moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan
907 13, 29| daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo
908 13, 30| handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker
909 13, 30| deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam,
910 13, 30| hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor
911 13, 31| 31 De andere nu, merkende dat
912 13, 31| nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist
913 13, 31| bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel,
914 13, 31| en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke
915 13, 31| tempel, als de priesters de behoorlijke offeranden opofferden,
916 13, 31| gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~
917 13, 32| hand uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen:~
918 13, 34| is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar
919 13, 34| priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen
920 13, 35| hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij ons
921 13, 37| En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem,
922 13, 37| te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad,
923 13, 38| 38 Want in de voorgaande tijden werd bij
924 13, 39| willende openbaar maken de vijandschap, die hij had
925 13, 39| vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd
926 13, 39| tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten omhem
927 13, 40| gevangen hebben, dat hij de Joden daarmede groot leed
928 13, 41| 41 Maar als de menigte de toren zou innemen,
929 13, 41| 41 Maar als de menigte de toren zou innemen, en geweld
930 13, 41| innemen, en geweld deden op de deur van het voorhof, en
931 13, 41| vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken,
932 13, 42| kloekmoedig sterven, dan vallen in de handen van deze schelmen,
933 13, 43| door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht
934 13, 43| grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven
935 13, 43| niet recht gegeven had, en de scharen door de deuren binnenvielen,
936 13, 43| had, en de scharen door de deuren binnenvielen, zo
937 13, 43| liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf
938 13, 43| wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,~
939 13, 43| mannelijk van de steilte af op de scharen,~
940 13, 45| kwam met een loop door de scharen henen.~
941 13, 46| handen nemen, wierp het onder de scharen; en aanroepende
942 13, 46| scharen; en aanroepende de Here van leven en geest,
943 14, 1 | waren, zich onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft
944 14, 1 | genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid
945 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang
946 14, 3 | of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou
947 14, 3 | geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.~
948 14, 3 | hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.~
949 14, 4 | Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins,
950 14, 4 | die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.~
951 14, 5 | 5 En de ander zeide: Ik ben ook
952 14, 5 | ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen
953 14, 5 | op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des
954 14, 7 | hij hulp zou krijgen van de Here.~
955 14, 8 | die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen niet
956 14, 8 | gedachtenis zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls
957 14, 8 | die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en
958 14, 8 | toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning
959 14, 8 | en nu van de Almachtige de overwinning verwachten,
960 14, 9 | hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun
961 14, 9 | getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in
962 14, 9 | in gedachtenis brengende de gevaren, die zij reeds hadden
963 14, 10| vermaand, en meteen getoond de ontrouw der heidenen, en
964 14, 10| ontrouw der heidenen, en de overtreding der eden.~
965 14, 12| in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze
966 14, 12| deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor
967 14, 12| handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.~
968 14, 14| hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn
969 14, 14| bidt voor het volk en voor de heilige stad;~
970 14, 15| 15 En dat Jeremia de rechterhand uitstekende,
971 14, 16| van God, met hetwelk gij de vijanden zult verwonden.~
972 14, 17| kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen manhaftig
973 14, 17| mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste
974 14, 17| uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom,
975 14, 17| stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.~
976 14, 18| in minder achting, maar de grootste en eerste vrees
977 14, 18| en eerste vrees was voor de geheiligde tempel.~
978 14, 19| 19 En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden
979 14, 19| geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote
980 14, 19| benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou geschieden,
981 14, 20| treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun
982 14, 20| slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte
983 14, 20| plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugelen
984 14, 20| besteld, en de ruiterij bij de vleugelen gesteld,~
985 14, 21| heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei
986 14, 21| ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der
987 14, 21| toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende
988 14, 21| opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen,
989 14, 21| zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke
990 14, 21| dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen
991 14, 21| niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van
992 14, 22| gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in
993 14, 24| 24 Dat door de grootte van uw arm mogen
994 14, 26| Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping
995 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen, maar met hun harten
996 14, 29| gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke
997 14, 30| 30 En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest
998 14, 30| ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid jegens zijn
999 14, 30| Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en
1000 14, 31| geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor
1-500 | 501-1000 | 1001-1021 |