Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dapperheid 3
dat 328
david 1
de 1021
deden 6
deed 6
deel 4
Frequency    [«  »]
-----
-----
1027 en
1021 de
409 die
387 van
328 dat

Het tweede boek der Makkabeeën

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1021

     Chapter, Verse
501 8, 14| overgelaten was, en baden de Here, dat hij zou willen 502 8, 14| verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, eer zij 503 8, 15| dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun 504 8, 16| verslagen zijn, niet vrezen de grote menigte der heidenen, 505 8, 16| zichzelf voor ogen stellende de smaadheid, die zij onrechtvaardig 506 8, 16| onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;~ 507 8, 17| 17 En de mishandeling tegen de stad, 508 8, 17| En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot 509 8, 17| door hen bespot was; en ook de verbreking der regering, 510 8, 18| waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig 511 8, 18| tegen ons komen, en ook de gehele wereld, met één wenk 512 8, 19| 19 En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders 513 8, 19| geschied was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend 514 8, 20| 20 En de slag, die in Babylonië tegen 515 8, 20| die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe 516 8, 20| vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig 517 8, 20| honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel 518 8, 20| door de hulp die hun van de hemel geschiedde, en dat 519 8, 21| hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland 520 8, 23| een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde 521 8, 23| zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde 522 8, 24| 24 Daar de Almachtige met hen streed, 523 8, 24| streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, 524 8, 24| zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden 525 8, 25| zij weder, daar zij door de tijd belet waren.~ 526 8, 26| 26 Want het was de dag voor de Sabbat; waarom 527 8, 26| Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet 528 8, 27| 27 En als zij de wapenen verzameld, en de 529 8, 27| de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken 530 8, 27| verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, 531 8, 27| uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en 532 8, 27| en zij dankten en loofden de Here zeer, die hen behouden 533 8, 28| 28 En na de Sabbat deelden zij uit aan 534 8, 28| Sabbat deelden zij uit aan de kranken, de weduwen, en 535 8, 28| zij uit aan de kranken, de weduwen, en de wezen van 536 8, 28| kranken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het 537 8, 28| weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden 538 8, 29| algemene biddag, en baden de barmhartige Here, dat hij 539 8, 30| en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden 540 8, 30| veroverden zeer gelukkig de hoge sterkten, en deelden 541 8, 30| gedeelten voor hen, en voor de kranken, en de wezen, en 542 8, 30| en voor de kranken, en de wezen, en de weduwen, en 543 8, 30| kranken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de 544 8, 30| de weduwen, en ook voor de oude lieden.~ 545 8, 31| plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te Jeruzalem.~ 546 8, 32| zeer goddeloos man, die de Joden veel droefheid aangedaan 547 8, 33| een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij 548 8, 33| hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand 549 8, 34| 34 En de overgoddeloze Nicanor, die 550 8, 34| kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,~ 551 8, 35| degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp 552 8, 35| achting de minste waren, door de hulp des Heren, legde zijn 553 8, 35| eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, gelijk 554 8, 36| hij, die aangenomen had de Romeinen de schatting te 555 8, 36| aangenomen had de Romeinen de schatting te betalen uit 556 8, 36| schatting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem 557 8, 36| krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter 558 8, 36| hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond 559 8, 36| worden, omdat zij navolgen de wetten die door hem geordineerd 560 9, 1 | met schande wederkwam uit de plaatsen van omtrent Perzië.~ 561 9, 2 | als hij was ingegaan in de stad genaamd Persepolis 562 9, 2 | het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is 563 9, 2 | gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, 564 9, 2 | gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven 565 9, 2 | Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat 566 9, 4 | hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom 567 9, 4 | ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel 568 9, 4 | volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. 569 9, 5 | 5 Doch de almachtige Here, de God 570 9, 5 | Doch de almachtige Here, de God van Israël, sloeg hem 571 9, 6 | en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd 572 9, 7 | in zijn gramschap tegen de Joden, en gebood dat men 573 9, 7 | Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en 574 9, 7 | gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel 575 9, 7 | een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid 576 9, 8 | 8 Hij, die kort tevoren de baren der zee scheen te 577 9, 8 | met een vermetelheid, die de menselijke gedachten te 578 9, 8 | ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal 579 9, 8 | schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar 580 9, 8 | in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich 581 9, 9 | leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.~ 582 9, 10| die een weinig tevoren de sterren des hemels scheen 583 9, 10| niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank.~ 584 9, 11| zo verwond zijnde, van de grootheid zijns hoogmoeds 585 9, 13| 13 En deze booswicht bad de Here, die hem nu geen barmhartigheid 586 9, 14| 14 Dat hij de heilige stad, tot welke 587 9, 15| 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen 588 9, 15| begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de 589 9, 15| de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine 590 9, 15| en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te 591 9, 16| 16 En dat hij de heilige tempel, die hij 592 9, 16| versieren, en dat hij al de heilige vaten veelvoudig 593 9, 16| uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offeranden 594 9, 16| inkomsten de onkosten, die tot de offeranden behoorden, zou 595 9, 17| alle bewoonde plaatsen, om de kracht Gods te verkondigen.~ 596 9, 18| 18 Maar als de pijnen geenszins ophielden, ( 597 9, 18| wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven 598 9, 19| 19 De koning en veldoverste Antiochus, 599 9, 19| en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, 600 9, 21| 21 In de hemel mijn hoop hebbende, 601 9, 22| 22 Wederkomende uit de plaatsen van Perzië, en 602 9, 22| geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van 603 9, 24| mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten 604 9, 24| land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten 605 9, 25| Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen 606 9, 25| naburen van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en 607 9, 25| Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, 608 9, 26| een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die gij 609 9, 29| genomen; welke ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken 610 10, 1 | hem waren, hebben, daar de Here hen geleidde, de tempel 611 10, 1 | daar de Here hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~ 612 10, 1 | hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.~ 613 10, 2 | 2 En hebben de altaren, die door de vreemde 614 10, 2 | hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt 615 10, 2 | door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en 616 10, 2 | waren, en bovendien ook de tempel der afgoden weggenomen.~ 617 10, 3 | 3 En als zij de tempel hadden gereinigd, 618 10, 3 | zij offerande geofferd, na de tijd van twee jaren; en 619 10, 3 | hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden 620 10, 3 | reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.~ 621 10, 4 | gedaan hebbende, baden zij de Here, op hun buik nedervallende, 622 10, 4 | worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse 623 10, 5 | gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen 624 10, 5 | dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd 625 10, 5 | heidenen ontheiligd is geweest de reiniging van de tempel 626 10, 5 | geweest de reiniging van de tempel geschiedde, namelijk 627 10, 5 | geschiedde, namelijk op de vijfentwintigste der maand, 628 10, 6 | vreugde acht dagen, naar de wijze der loofhutten, gedachtenis 629 10, 6 | feest der loofhutten, op de bergen en in de spelonken, 630 10, 6 | loofhutten, op de bergen en in de spelonken, gelijk de wilde 631 10, 6 | in de spelonken, gelijk de wilde beesten, in eenzaamheid 632 10, 9 | 9 En de uitgang van het leven van 633 10, 10| onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, 634 10, 10| kortelijk saamvattende de gedurige ellende der oorlogen.~ 635 10, 11| zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was 636 10, 12| Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, 637 10, 13| 13 Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd 638 10, 14| krijgsvolk, en voerde gedurig de oorlog tegen de Joden.~ 639 10, 14| gedurig de oorlog tegen de Joden.~ 640 10, 15| En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen sterkten 641 10, 15| macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen 642 10, 15| gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.~ 643 10, 16| strijden, deden een aanval op de sterkten der Idumeeën.~ 644 10, 17| met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en 645 10, 17| en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen 646 10, 19| doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood 647 10, 20| zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, 648 10, 21| hetgeen daar geschied was, de Makkabeeër geboodschapt 649 10, 21| geboodschapt was, vergaderde hij de oversten des volks, en beschuldigde 650 10, 21| hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel 651 10, 23| 23 En door de wapenen, die hij in handen 652 10, 24| Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, vergaderd 653 10, 24| bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, 654 10, 24| aanrukken, alsof bij Judea met de wapenen zou innemen.~ 655 10, 26| 26 En nedervallende op de rand, die tegenover het 656 10, 26| hen tegenstonden, gelijk de wet verklaart.~ 657 10, 27| gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver 658 10, 27| wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden 659 10, 27| van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven 660 10, 28| 28 En als de zon opgegaan was, leverden 661 10, 28| hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning 662 10, 28| voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht 663 10, 28| met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en 664 10, 28| kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Here, en genen stelden daartegen 665 10, 28| moed tot een overste van de strijd.~ 666 10, 29| hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen 667 10, 29| was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf treffelijke 668 10, 30| gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, 669 10, 32| genaamd Gazara, waar Cherea de overste was.~ 670 10, 33| kloekmoedig zijnde, belegerden de sterkte vierentwintig dagen.~ 671 10, 34| binnen waren, vertrouwende op de vastigheid der plaats, lasterden 672 10, 35| 35 En als de vijfentwintigste dag begon 673 10, 35| gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren 674 10, 35| door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer 675 10, 36| 36 En de anderen desgelijks opklimmende 676 10, 36| desgelijks opklimmende in de omgang tot hen, die binnen 677 10, 36| die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren 678 10, 37| 37 En de anderen verbraken de poorten; 679 10, 37| En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, 680 10, 37| ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen 681 10, 38| lofzangen en dankzeggingen de Here, die Israël zo grote 682 10, 40| bloedverwant, en die over de zaken des konings gesteld 683 10, 41| tachtigduizend man voetvolk, en de ganse ruiterij, trok op 684 10, 41| ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende 685 10, 41| Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats 686 10, 42| 3 En de tempel tot geldgewin te 687 10, 42| geldgewin te gebruiken, gelijk de andere tempels der heidenen, 688 10, 43| 4 Geenszins overleggende de macht Gods, maar hoogmoedig 689 10, 43| en duizenden te paard, en de tachtig olifanten,~ 690 10, 45| belegerd had, zo baden zij en de scharen, met kermen en tranen 691 10, 45| scharen, met kermen en tranen de Here, dat hij een goede 692 10, 46| Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande 693 10, 46| wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem 694 10, 48| 9 En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, 695 10, 48| bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste 696 10, 48| alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en 697 10, 49| slagorde, hebbende een uit de hemel, die hen zou helpen 698 10, 51| 12 En al de anderen dwongen zij te vluchten, 699 10, 52| bij zichzelf overleggende de nederlaag die hem geschied 700 10, 52| geschied was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk 701 10, 52| onoverwinnelijk waren, overmits de alvermogende God met hen 702 10, 53| handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken 703 10, 54| geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning 704 10, 54| voor de Joden, dat stond de koning toe.~ 705 10, 55| 16 Want de brieven van Lysias aan de 706 10, 55| de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren 707 10, 56| afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden 708 10, 57| dan al hetgeen, dat aan de koning moest gebracht worden, 709 10, 58| indien gij behouden zult de goedgunstigheid tot onze 710 10, 60| honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag der 711 10, 61| 22 En de brief van de koning was 712 10, 61| 22 En de brief van de koning was van deze inhoud: 713 10, 61| koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn 714 10, 62| 23 Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij 715 10, 63| 24 Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn 716 10, 63| Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, 717 10, 63| bij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, 718 10, 64| dat dit volk ook buiten de beroerte zal zijn, en bevelen, 719 10, 64| zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven, 720 10, 64| voortaan wandelen mogen naar de gebruiken hunner voorouders.~ 721 10, 65| tot ben zendt, hun gevende de rechterhand, opdat zij ons 722 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning 723 10, 66| 27 En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk 724 10, 66| Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de 725 10, 66| De koning Antiochus wenst de raad der Joden, en al de 726 10, 66| de raad der Joden, en al de andere Joden, voorspoed.~ 727 10, 69| tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag der maand 728 10, 69| maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden 729 10, 70| 31 Dat de Joden gebruiken mogen hun 730 10, 72| 33 Vaartwel. De vijftiende dag der maand 731 10, 73| 34 De Romeinen hebben ook een 732 10, 74| 35 Hetgeen Lysias, de bloedvriend des konings, 733 10, 75| hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt 734 10, 77| 38 Vaart wel. De vijftiende dag der maand 735 11, 1 | zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven 736 11, 1 | Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het 737 11, 2 | 2 Doch de oversten van die plaatsen, 738 11, 2 | Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien 739 11, 3 | die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij 740 11, 3 | dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, 741 11, 4 | hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet 742 11, 5 | landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, 743 11, 5 | mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en 744 11, 6 | 6 Trok heen tegen de moordenaars der broeders, 745 11, 6 | broeders, en stak bij nacht de haven in brand, en verbrandde 746 11, 6 | in brand, en verbrandde de schuiten, en doorstak hen, 747 11, 7 | 7 En als de plaats ingesloten was, zo 748 11, 7 | die weder zou komen, en de ganse burgerschap van Joppe 749 11, 8 | wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden,~ 750 11, 9 | vloot, zodat het licht van de vlam gezien werd tot Jeruzalem 751 11, 10| Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde 752 11, 11| die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, 753 11, 11| voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen 754 11, 11| zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende 755 11, 12| hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen hadden, 756 11, 14| van binnen vertrouwende op de vastigheid van haar muren, 757 11, 14| vastigheid van haar muren, en de vooraad van proviand. gedroegen 758 11, 15| Judas waren, aanroepende de grote prins der wereld, 759 11, 15| instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen 760 11, 15| van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen.~ 761 11, 16| 16 En de stad door Gods wil ingenomen 762 11, 16| het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee 763 11, 17| kwamen zij in Charax tot de Joden, genaamd Tubianen.~ 764 11, 19| en Sosipater, zijnde van de oversten dergenen die met 765 11, 19| Timotheüs daar gelaten waren in de sterkte, meer dan tienduizend 766 11, 21| Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren 767 11, 21| Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en 768 11, 21| vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genaamd 769 11, 21| belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen.~ 770 11, 22| 22 Als nu de eerste hoop van Judas zich 771 11, 22| en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning 772 11, 22| over de vijanden kwam door de verschijning desgenen, die 773 11, 22| zich met een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, 774 11, 22| een gedruis op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere 775 11, 22| vlucht, de ene herwaarts, en de andere derwaarts vliedende, 776 11, 22| eigen volk gekwetst, en door de scherpte der zwaarden doorstoken 777 11, 24| als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en 778 11, 25| hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis der broederen.~ 779 11, 27| 27 En na de vlucht en nederlaag van 780 11, 27| van allerlei volk woonde; de dappere jongelingen, staande 781 11, 27| jongelingen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, 782 11, 28| Doch zij, aanroepende God de prins, die met kracht der 783 11, 28| macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig 784 11, 29| optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen 785 11, 30| 30 Maar als de Joden, die daar woonden, 786 11, 30| daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die de 787 11, 30| de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis 788 11, 32| trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste van Idumea.~ 789 11, 34| het dat er weinigen van de Joden vielen.~ 790 11, 35| daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem 791 11, 36| vermoeid waren, zo riep Judas de Here aan, dat hij als een 792 11, 36| medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen;~ 793 11, 37| viel hij onverwachts op de soldaten van Gorgias, en 794 11, 37| Gorgias, en dreef hen op de vlucht.~ 795 11, 38| vergaderd hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de 796 11, 38| de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, 797 11, 38| gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht.~ 798 11, 39| 39 En de volgende dag, kwamen degenen 799 11, 39| met Judas waren, omtrent de tijd als het nodig is zulks 800 11, 39| nodig is zulks te doen, om de lichamen dergenen die gevallen 801 11, 39| bloedvrienden te stellen in de graven hunner vaderen.~ 802 11, 40| 40 En zij vonden onder de rokken van een ieder der 803 11, 40| doden enige dingen, die de afgoden van Jamnia geheiligd 804 11, 40| geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en 805 11, 40| geheiligd waren, hetwelk de wet de Joden verbiedt; en het werd 806 11, 41| Zo hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige rechter, 807 11, 41| hebben zij dan allen de Here, de rechtvaardige rechter, die 808 11, 42| gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, 809 11, 42| mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande 810 11, 42| kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden 811 11, 43| om offerande te doen voor de zonde; gans wel en edel 812 11, 43| doende, daar hij dacht aan de opstanding.~ 813 11, 44| dwaas geweest zijn voor de doden te bidden)~ 814 11, 46| gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening 815 11, 46| hij voor de gestorvenen de verzoening deed, opdat zij 816 11, 46| verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen 817 12, 4 | 4 Maar de Koning der koningen verwekte 818 12, 5 | aan alle kanten afviel in de as.~ 819 12, 7 | goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.~ 820 12, 8 | het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft bij 821 12, 8 | daarom heeft bij zijn dood in de as gevonden.~ 822 12, 9 | 9 En de koning door deze gedachten 823 12, 9 | gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te 824 12, 10| volk, dat zij dag en nacht de Here zouden aanroepen, dat 825 12, 10| die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, 826 12, 10| van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;~ 827 12, 11| niet wilde laten vallen in de handen der schandelijke 828 12, 12| allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Here baden, 829 12, 13| 13 En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, 830 12, 13| eer het krijgsvolk van de koning in Judea zou invallen, 831 12, 13| Judea zou invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, 832 12, 13| tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende 833 12, 13| zouden wagen, steunende op de hulp des Heren.~ 834 12, 14| 14 Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan 835 12, 14| zorg bevolen hebbende aan de schepper der wereld en vermaand 836 12, 14| dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden 837 12, 14| toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland 838 12, 15| gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met 839 12, 15| OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongelingen 840 12, 15| en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met 841 12, 15| voornaamste olifant, met de menigte dergenen, die daar 842 12, 17| En dit was geschied als de dag aanlichtte, door de 843 12, 17| de dag aanlichtte, door de bescherming des Heren, die 844 12, 18| 18 De koning nu, een proef gekregen 845 12, 18| proef gekregen hebbende van de stoutmoedigheid der Joden, 846 12, 18| stoutmoedigheid der Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.~ 847 12, 19| bezetting der Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit 848 12, 21| krijgsvolk, boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden, 849 12, 21| boodschapte de geheime, zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, 850 12, 21| gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is.~ 851 12, 22| 22 De koning hield ten tweeden 852 12, 22| met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen 853 12, 23| Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen 854 12, 23| hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, 855 12, 23| offeranden, en vereerde de tempel, en betoonde aan 856 12, 23| tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.~ 857 12, 24| veldoverste, van Ptolomaïs of tot de Gerzenen.~ 858 12, 25| Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen 859 12, 25| het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.~ 860 12, 26| Doch Lysias, klimmende op de rechterstoel, verantwoordde 861 13, 1 | 1 Na de tijd van drie jaren gebeurde 862 13, 1 | gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de 863 13, 1 | de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, 864 13, 3 | vrijwillig besmet had in de tijden der vermenging, overleggende 865 13, 4 | 4 Kwam tot de koning Demetrius, in het 866 13, 4 | takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield 867 13, 5 | zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde 868 13, 5 | en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen 869 13, 6 | Zeide daarop: Die onder de Joden genoemd worden de 870 13, 6 | de Joden genoemd worden de Asideeën, van wie Judas 871 13, 6 | van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren gedurig 872 13, 7 | Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid mijner voorouders, 873 13, 8 | ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, 874 13, 8 | oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede 875 13, 8 | dienst zou doen, want door de onredelijkheid dergenen, 876 13, 10| leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht 877 13, 11| hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, 878 13, 11| hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas 879 13, 12| terstond Nicanor, die over de olifanten gesteld was, en 880 13, 13| stellen tot hogepriester van de grootste tempel.~ 881 13, 14| 14 En de heidenen, die voor Judas 882 13, 15| 15 En de Joden verstaan hebbende 883 13, 15| Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en 884 13, 15| aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, 885 13, 16| 16 En als de overste bevel gegeven had, 886 13, 17| 17 En Simon, de broeder van Judas, sloeg 887 13, 17| weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren 888 13, 19| Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand te geven en 889 13, 20| raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de 890 13, 20| werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, 891 13, 20| de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en 892 13, 20| medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, 893 13, 20| eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe.~ 894 13, 21| stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen.~ 895 13, 22| Judas stelde enigen, die in de wapenen waren, in bekwame 896 13, 22| gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger 897 13, 23| ongerijmds, en hij dankte de scharen af, die bij menigten 898 13, 24| in waarde, van harte tot de man geneigd zijnde.~ 899 13, 26| 26 Alcimus nu, ziende de goedwilligheid des enen 900 13, 26| goedwilligheid des enen tegen de ander, en de verbonden die 901 13, 26| enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt 902 13, 26| voorhad die vijandig waren aan de zaken des konings; want, 903 13, 27| 27 De koning zeer toornig geworden 904 13, 27| toornig geworden en door de laster van deze grote booswicht 905 13, 28| het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen; 906 13, 28| moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan 907 13, 29| daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo 908 13, 30| handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker 909 13, 30| deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam, 910 13, 30| hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor 911 13, 31| 31 De andere nu, merkende dat 912 13, 31| nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist 913 13, 31| bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel, 914 13, 31| en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke 915 13, 31| tempel, als de priesters de behoorlijke offeranden opofferden, 916 13, 31| gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren.~ 917 13, 32| hand uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen:~ 918 13, 34| is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar 919 13, 34| priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen 920 13, 35| hebt, gij hebt gewild dat de tempel uwer woning bij ons 921 13, 37| En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, 922 13, 37| te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, 923 13, 38| 38 Want in de voorgaande tijden werd bij 924 13, 39| willende openbaar maken de vijandschap, die hij had 925 13, 39| vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd 926 13, 39| tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten omhem 927 13, 40| gevangen hebben, dat hij de Joden daarmede groot leed 928 13, 41| 41 Maar als de menigte de toren zou innemen, 929 13, 41| 41 Maar als de menigte de toren zou innemen, en geweld 930 13, 41| innemen, en geweld deden op de deur van het voorhof, en 931 13, 41| vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken, 932 13, 42| kloekmoedig sterven, dan vallen in de handen van deze schelmen, 933 13, 43| door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht 934 13, 43| grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven 935 13, 43| niet recht gegeven had, en de scharen door de deuren binnenvielen, 936 13, 43| had, en de scharen door de deuren binnenvielen, zo 937 13, 43| liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf 938 13, 43| wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de scharen,~ 939 13, 43| mannelijk van de steilte af op de scharen,~ 940 13, 45| kwam met een loop door de scharen henen.~ 941 13, 46| handen nemen, wierp het onder de scharen; en aanroepende 942 13, 46| scharen; en aanroepende de Here van leven en geest, 943 14, 1 | waren, zich onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft 944 14, 1 | genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid 945 14, 2 | 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang 946 14, 3 | of daar ook een Here in de hemel was, die geboden zou 947 14, 3 | geboden zou hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.~ 948 14, 3 | hebben, dat men de, dag van de sabbat zou houden.~ 949 14, 4 | Here die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, 950 14, 4 | die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.~ 951 14, 5 | 5 En de ander zeide: Ik ben ook 952 14, 5 | ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen 953 14, 5 | op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en des 954 14, 7 | hij hulp zou krijgen van de Here.~ 955 14, 8 | die met hem waren, dat zij de aankomst der heidenen niet 956 14, 8 | gedachtenis zouden houden de hulp, die hun zo dikwijls 957 14, 8 | die hun zo dikwijls van de hemel toegekomen was, en 958 14, 8 | toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning 959 14, 8 | en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, 960 14, 9 | hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun 961 14, 9 | getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in 962 14, 9 | in gedachtenis brengende de gevaren, die zij reeds hadden 963 14, 10| vermaand, en meteen getoond de ontrouw der heidenen, en 964 14, 10| ontrouw der heidenen, en de overtreding der eden.~ 965 14, 12| in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze 966 14, 12| deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor 967 14, 12| handen uitstak, en bad voor de vergadering der Joden.~ 968 14, 14| hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn 969 14, 14| bidt voor het volk en voor de heilige stad;~ 970 14, 15| 15 En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, 971 14, 16| van God, met hetwelk gij de vijanden zult verwonden.~ 972 14, 17| kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten der jongelingen manhaftig 973 14, 17| mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste 974 14, 17| uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, 975 14, 17| stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.~ 976 14, 18| in minder achting, maar de grootste en eerste vrees 977 14, 18| en eerste vrees was voor de geheiligde tempel.~ 978 14, 19| 19 En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden 979 14, 19| geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote 980 14, 19| benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou geschieden, 981 14, 20| treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun 982 14, 20| slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte 983 14, 20| plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugelen 984 14, 20| besteld, en de ruiterij bij de vleugelen gesteld,~ 985 14, 21| heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei 986 14, 21| ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting der 987 14, 21| toerusting der wapenen, en de wildheid der beesten, opheffende 988 14, 21| opheffende zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, 989 14, 21| zijn handen naar de hemel, de Here aangeroepen, die wonderlijke 990 14, 21| dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen 991 14, 21| niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van 992 14, 22| gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in 993 14, 24| 24 Dat door de grootte van uw arm mogen 994 14, 26| Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping 995 14, 27| 27 En zij vechtende met de handen, maar met hun harten 996 14, 29| gemaakt zijnde, prezen zij de Here, in hun vaderlijke 997 14, 30| 30 En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest 998 14, 30| ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid jegens zijn 999 14, 30| Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en 1000 14, 31| geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor


1-500 | 501-1000 | 1001-1021

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License